Plagiaat in het eindspel

Ik was er vorige maand niet bij op de laatste dag van het Fontystoernooi in Tilburg, maar volgens de verslagen in de schaakbladen is het erg gezellig geweest.

Baas Kasparov was in een goed humeur. Het hele toernooi had hij voor iedereen een grauw en een snauw gehad. In de laatste ronde had hij tegen Lautier per ongeluk remise aangenomen in een stelling die waarschijnlijk gewonnen voor hem was. Het kostte hem de ongedeelde eerste plaats en nu had hij echt iets om over te grommen. Maar nee, hij gaf welwillend college aan de journalisten en converseerde met David Bronstein over klassieke partijen uit de schaakgeschiedenis. Kasparov liet dit zien:

Een stelling uit Tal-Ljavdanski, kampioenschap van de Sovjet-Unie, Kiev 1964. De witte loper, die zwart niet mag slaan omdat hij h7 moet blijven dekken, valt zwarts toren aan, die niet weg kan omdat hij zijn eigen loper moet blijven dekken. Zwart zag geen andere manier om materiaalverlies te voorkomen dan 26...Ld6-f4 27. Dh6xf4 Td8xd2 28. Df4xd2 Db7xb6, maar Tal speelde daarna 29. e6-e7 Tf8-e8 30. Pc3-d5 en won de partij. Hij kreeg er een schoonheidsprijs voor.

Kasparov had gevonden dat het spel van Tal niet gedeugd had en hij daagde het publiek uit om zelf te vinden hoe zwart in de diagramstelling veel beter had kunnen spelen. Het was Bronstein die het snel vond. Om uw plezier als oplosser niet te bederven geef ik de oplossing aan het eind van de rubriek.

Toen was het de beurt van Bronstein om raadsels op te geven. Hij liet allerlei studies zien die hij zelf gemaakt had. Met de meeste had Kasparov weinig moeite, tot de volgende stelling op het bord werd gezet.

Wit begint en wint. Kasparov en zijn gevolg bogen zich over de stelling, waren soms dicht bij de oplossing, maar kwamen er toch niet uit, zodat Bronstein na een minuut of tien de oplossing moest laten zien. Met veel plezier natuurlijk. De oude tovenaar mag niet tegen Kasparov spelen, zou het ook niet meer kunnen waarschijnlijk, maar hij heeft nog steeds een paar trucjes achter de hand om in zekere zin toch van hem te winnen.

Als schakers zich willen ontspannen van hun zenuwslopende partijen geven ze elkaar stellingen om op te lossen. De wedijver blijft, goede vechtschakers zijn meestal ook goede oplossers, maar de hierarchie is toch wat losser.

A.J. Roycroft, redacteur van het boek met de verzamelde studies van Genrich Kasparian, raadt de partijspeler aan om een van die studies van Kasparian, met alle varianten en zijvarianten, goed te bestuderen, dan te wachten tot die vervelende sterke schaker die altijd van je wint weer eens op bezoek komt, en te doen alsof die studie een gewone partijstelling is. Vraag de mening van die sterke schaker en verkneukel je hoe hij keer op keer, zet na zet, de plank misslaat.

Kasparian, misschien de grootste componist van eindspelstudies die er ooit geweest is, stierf in 1995. Vlak voor zijn dood had hij definitief vastgelegd welke studies hij tot zijn volledige werken gerekend wilde zien. Daar zijn ze dan, 545 studies in The Complete Studies of Genrikh Kasparyan, onder redactie van A. John Roycroft, uitgegeven door Russell Enterprises, P.O.Box 30, Milford, CT 06460 USA. Zo'n boek bespreek je niet, wij danken slechts nederig voor wat ons geschonken is.

Ik zal er nog wel eens op terug komen, maar nu wil ik het alleen hebben over een verbazingwekkende gebeurtenis waar Roycroft in de inleiding over schrijft.

In 1975 deed Kasparian zijn Georgische collega Nadareisjvili een proces aan wegens plagiaat. Op de zitting van de rechtbank van Tbilisi kwam Botwinnik als getuige-deskundige voor de verdediging. De verdediging won, Kasparian verloor het proces.

Het was teleurstellend dat in het boek niet wordt aangegeven om welke studies het gaat, maar toch werd ik gegrepen door een heerlijke verbijstering. Stel je voor, een proces wegens plagiaat in een eindspelstudie. Natuurlijk had Nadareisjvili niet dezelfde stukken op dezelfde plaatsen gezet als Kasparian. Dat zou onmiddellijk ontdekt zijn. Het moet zo zijn geweest dat de studie van Nadareisjvili er op het eerste gezicht heel anders uitzag dan die van Kasparian, maar dat Kasparian meende dat zijn concurrent een idee had gestolen. Het idee voor een dichtregel, terwijl de woorden heel anders zijn dan in het origineel. Iets dat nog geen roebel aan financiële waarde vertegenwoordigde. Kan dat tot een rechtszitting leiden waarvoor Botwinnik, de vader van het Sovjetschaak, helemaal uit Moskou overkwam? In Georgië in 1975 kon het blijkbaar wel.

Natuurlijk laat ik de gelegenheid niet voorbij gaan om een studie van Kasparian af te drukken. De keuze is willekeurig, alles is even mooi.

MmMmMbMb mMmMmMmM MCMmMmMm mMmMmMmM MmMmgmMm mLmMmMmM MmMmMmMm mMfMmMmM Wit begint en maakt remise. Eerste prijs in de wedstrijd van 1969/1970 van het tijdschrift Schach-Echo.

Oplossingen

Diagram 1. Met 26...Tfe8! had Ljavdanski Tals spel kunnen weerleggen. Na 27. Lxd8 Txe6! staat zwart een toren achter, maar door de matdreiging op e1 en de aanval tegen g2 heeft hij winnende aanval. De mooiste variant is (na 27...Txe6) 28. Td1 Lxg2+ 29. Kg1 Lc5+ 30. Thd4 Lf1! met mataanval. Andere vertakkingen beginnen met 28. Lb6 Lf8 29. Df4 Dxb6 of (veel moeilijker) 28. Kg1 Lf8 29. Df4 Lc5+, steeds met voordeel voor zwart. Dit alles is erg ingewikkeld en Kasparov zei dat hij een computer nodig had gehad om te zien of alles klopte.

Diagram 2. De hoofdvariant is 1. Lg7+ Kf5 2. Kd6 Kg5 3. h6 Kg6 4. Ke7 a4 5. Kf8 Kh7 6. Kf7 a3 7. Kf6 b5 8. Kg5 b4 9. Lf8 en wit wint.

Diagram 3. Als wit zijn loper voor de pion kan offeren is het remise, als zwart zijn pion veilig kan dekken (op een wit veld) wint hij. De oplossing is 1. Kc4 Kd2 2. Kd4 e3 3. La5+ Ke2 4. Ke4 Pd7 5. Ld8 Pf7 6. Le7! Remise. Het is wederzijdse zetdwang, wit aan zet zou verliezen.