Over last en overlast; Dostojevski op Schiphol

Nederland is het land van de overlast. Schaarste aan 'bestaansvolume' dreigt: het volume dat een mens nodig heeft om zich niet belemmerd te voelen. 'Ik kan me voorstellen dat er in de buurt van Schiphol mensen wonen die zich voelen als een gevangene in een cel van de KGB', schrijft H.J.A. Hofland. En het is de vraag of de beperkingen die de luchthaven zichzelf deze week heeft opgelegd, voldoende zijn om hen te genezen die 'het schiphol hebben'.

Het was in het midden van de jaren vijftig. Nederland had 12,8 miljoen inwoners. Van hen reden er 300.000 in een auto. Voor iedereen was er een gratis parkeerplaats. De grote weg door de Randstad van Amsterdam naar Rotterdam liep over een ophaalbrug bij Leiden, de Haagsche Schouw, en dan door Wassenaar en Den Haag. Van files had niemand ooit gehoord. De vliegtuigen hadden zuigermotoren en propellers en maakten een geluid dat met ronken werd beschreven. Het was een paradijselijke toestand.

Toch waren er al mensen die zich zorgen maakten. Het Nederlandse geboortecijfer was het hoogste van Europa en daartoe droeg het katholieke volksdeel dan het meeste bij. Bovendien leefden we hier het langst, op de Denen na. W.F. Hermans zag een toekomst waarin de Katholieke Volkspartij de absolute meerderheid zou hebben, met alle gevolgen maar in het bijzonder de gevolgen voor de literatuur.

In Groningen had prof.dr. P.J. Bouman zich voorgenomen, een 'sociologie van de volte' te schrijven. Want, zei hij, als de mensen dichter op elkaar leven, gaan ze vanzelf zoeken naar andere omgangsvormen, bestaanswijzen zelfs. Voor de 'sociologie van de volte' achtte hij Nederland de ideale proeftuin. 'Kijk', zei hij, en hij liet me een nummer van Panorama zien. Er stond een reportage in over 'flatneurose'. Voor het eerst werden grote aantallen Nederlanders niet naast elkaar maar boven elkaar gehuisvest; voor het eerst deelden ze niet alleen een straat en twee muren, maar ook een lift, een hoog trappenhuis, een systeem van vuilnis ophalen en andere reinigingen, en een plat vlak dat voor de een het plafond was en voor de ander de vloer. Nederlanders die in de verticale samenleving woonden, zagen hun aantal buren verdubbeld.

Daar raakten ze in conflict. Meestal werd de strijd niet openlijk uitgevochten maar als een soort loopgravenoorlog gevoerd. Het zoontje van boven kreeg opdracht honderd keer met zijn voetbal op de vloer te stuiteren, op de plek waar vier meter lager de leunstoel van het gezinshoofd stond. Beneden werd de hele familie ziek. Maar ze sloegen terug. Ze zetten hun vuilnisbak op de trap zodat de bovenburen eroverheen moesten stappen, iedere week twee keer. Bovenburen ook ziek.

Allen die elkaars buren waren hadden één verschrikkelijk wapen: de radio. Met radio's werd in de flats de loopgravenoorlog uitgevochten. Iedereen werd ziek. De ziekte kreeg een naam: flatneurose. De eerste Nederlandse ziekte van de nieuwe tijd.

Intussen verliet het volk de eerste periode na de oorlog. Men was het zich niet duidelijk bewust, men lette nog niet dagelijks op zichzelf. Er waren geen bureaus die iedere collectieve gemoedsgesteldheid en materiële verandering per enquête onderzochten. Langzaam maar zeker is Nederland in de eerste golf van stijgende welvaart terechtgekomen. Er was volledige werkgelegenheid.

De eerste welvaart veroorzaakte een groter begeren naar meer dingen. Daardoor kreeg bijna iedereen het drukker en het drukst degenen die de economie van de welvaart aanvoerden: de managers en de politici. Er waren geen computers, geen antwoordapparaten of zaktelefoons. De televisie begon pas 's avonds. Er ontbrak nog veel meer gereedschap waarvan het gebruik tijd kost, terwijl de gebruiker gelooft dat hij er tijd mee wint. Toch kregen de managers het al zo druk dat ze er ziek van werden. De tweede kwaal van de nieuw tijd is de managers' disease. Allemaal nog goeie ouwe tijd.

Binnenkort zijn we een halve eeuw verder. De objectieve oppervlakte van Nederland is vrijwel niet veranderd. Er blijven steeds meer Nederlanders komen en ook meer buitenlanders. Nog voor het jaar 2000 is aangebroken, zijn het er 16 miljoen. Dit betekent dat iedere dag de objectieve persoonlijke ruimte - de uitkomst van een som: het aantal Nederlandse vierkante kilometers gedeeld door aantal inwoners - voor iedere Nederlander een beetje kleiner wordt. Meer gedrang.

Maar er komt iets bij. Steeds meer Nederlanders maken van hun objectieve persoonlijke ruimte intensiever gebruik. Daardoor ontstaat het gevoel dat de persoonlijke ruimte méér krimpt dan uit de deelsom kan worden afgeleid. Dit intensiever gebruik van de persoonlijke ruimte heeft twee oorzaken. Het Nederlandse volk heeft binnen minder dan een halve eeuw twee mutaties beleefd, één meer dan de meeste andere volken van het Westen.

De eerste mutatie is de politieke. Het volk is gedemocratiseerd of voelt zich gedemocratiseerd, wat niet hetzelfde is. De Nederlanders kennen zich het recht toe om mee te beslissen over alles wat hun persoonlijk belang raakt. Dit recht is bij de wet erkend, wat opnieuw iets anders is dan dat het kan worden uitgeoefend op de manier die de rechthebbenden zich voorstellen. Maar in ieder geval: ze gaan naar hoorzittingen, stemmen bij referendum, houden inspraak, voeren actie, enz.

Zeer veel waarover ze zich als gevolg van deze politieke mutatie uitspreken, gaat over het gebruik van de ruimte. De acties om Amelisweerd en de Markerwaard, de referenda over IJburg en de Noord-Zuidlijn, het nationale debat over het nut en de noodzaak van groot-Schiphol - steeds gaat het om de bestemming van de grond. Deze politieke mutatie, die van het meebeslissen is de Nederlandse. Ik kom er hieronder op terug.

De tweede mutatie is de internationale. Overal in de Westerse cultuur is men nadrukkelijker gaan leven. Zeker in Nederland hebben zeer veel mensen de middelen daartoe. Ze hebben koopkracht en met deze kracht kopen ze dingen, apparatuur en diensten. Ze willen die gebruiken - voor hun plezier of ten behoeve van hun broodwinning - omdat dit past bij hun opvatting van het goede leven.

Veel van die 'hulpstukken' hebben één gebrek dat voor Nederland zwaarder telt dan voor andere landen: het gebruik vergt op de een of andere manier meer ruimte. Denk aan auto's, versterkers, vliegreizen, zaktelefoons of behoefte aan landelijke stilte. (Want de stilte is ook zo'n 'hulpstuk'.)

Dit betekent dat de strijd om de Nederlandse ruimte door twee oorzaken wordt verhevigd. Er is een objectieve schaarste, niet dus alleen aan grond voor de uitbreiding van vliegvelden of het behoud van natuurgebieden. (Dat is de inzet van de planologische burgeroorlog). Er is ook schaarste aan 'bestaansvolume': het volume dat een mens nodig heeft om zich niet belemmerd te voelen.

Ten eerste wordt dit verminderend volume per persoon intensiever gebruikt met de 'hulpstukken' die juist meer ruimte vergen. Daardoor ontstaat een 'strijd aan de grenzen'. Want haar of zijn persoonlijk bestaansvolume verdedigend (om daarin het verkozen goede leven te leven) komt iedereen steeds nauwer in aanraking met landgenoten die hetzelfde doel nastreven maar daarbij een andere, misschien radicaal tegengestelde voorkeur hebben. In hun krimpend, intensiever gebruikt bestaansvolume lopen meer Nederlanders elkaar vaker voor de voeten; hebben ze last van elkaar. Dit noemen ze overlast. Nederland is het land van de overlast. In wezen staan we hier voor het onopgeloste vraagstuk van de volte. Jammer genoeg heeft prof. Bouman zijn sociologie van de volte niet geschreven. Het boek had een grondslag kunnen zijn.

Naarmate meer Nederlanders last krijgen van overlast (dat is onvermijdelijk, zeker nu we ons iedere week wel een paar keer feliciteren met het succes van het p.model*)) wordt vanzelfsprekend krachtiger gezocht naar oplossingen. Dit zijn altijd politieke oplossingen die men met min of meer democratische methoden probeert te bereiken. Schiphol is een goed voorbeeld, maar we hadden ook de Markerwaard kunnen nemen of de boringen in de Waddenzee. Aan een besluit gaat een lange, omvangrijke en dus verwarde discussie vooraf. Die over 'het nut en de noodzaak' heb ik vergeleken met een Poolse landdag en een teach-in.

Nooit voert zo'n gedachtenwisseling tot een besluit. De gebeurtenis valt te vergelijken met een kunstmatig opgewekt spitsuur waarin op een tiensprong de verkeerslichten niet werken. De verkeersstromen botsen, daardoor wordt het parlement en regering duidelijk welke de sterkste is en die krijgt gelijk.

Dat is geen besluit in de eigenlijke zin; het is een politieke oplossing die de meerderheid en het zittend bewind de geringste schade veroorzaakt. Onder de nu heersende omstandigheden is het de oplossing die de verdere expansie van het p.model zoveel mogelijk waarborgt. Enig heilzaam gevolg voor het fundamentele vraagstuk van de volte heeft het niet. Anders gezegd: wie zich al belemmerd voelde in zijn bestaansvolume zal er eerder nog slechter aan toe zijn dan toen de Poolse landdag nog moest beginnen: want nu is hem het recht op verdediging van zijn bestaansvolume ontnomen.

Toen de Sovjet-Unie nog bestond, had de geheime dienst een buitengewoon wrede manier om een gevangene murw te maken. Telkens wanneer hij eindelijk in zijn onafgebroken fel verlichte cel in slaap was gevallen, begon een sirene te loeien. De eerste keer moet dit al een verschrikkelijke ervaring zijn. Bij de 99ste keer - aangenomen dat hij nog niet is gebroken - is alleen al het wachten op de 100ste keer, de zekerheid dat de 100ste keer zal komen, een marteling.

De aantasting van het bestaansvolume bestaat in wezen uit storen. De tweede storing heeft op degene die haar ondergaat niet hetzelfde effect als de eerste, en de derde niet hetzelfde als de tweede. De ongrijpbaarheden in de hersenen vallen niet met een algemene geldigheid mathematisch uit te drukken, al was het alleen maar omdat zeker in het begin geen twee mensen op dezelfde manier reageren. Wel kunnen we aannemen dat bij de honderdste een gemiddelde van ondragelijkheid wordt benaderd. Van de 100 gevangenen in een cel van de KGB zijn er bij de 100ste storing 99 murw.

De meeste martelingen bestaan in principe uit een zeer herhaaldelijk storen. Ik kan me voorstellen dat er in de buurt van Schiphol mensen wonen die zich voelen als een gevangene in een cel van de KGB. Volgens de normen en waarden van onze verzorgingsstaat mag dat niet worden toegelaten. Waarom gebeurt het dan wel? Omdat in dit opzicht de verzorgingsstaat tegengestelde belangen heeft aan die van het p.model. Is voor deze polarisatie in het land van de consensus een oplossing te vinden?

Als Nico Scheepmaker van Schiphol vertrok, verheugde hij zich altijd op het kijken naar de hazen en de konijnen. Nergens in Nederland, schreef hij, hebben deze dieren het zo goed als op de nationale luchthaven. Natuurlijk: wie zich ook maar in de verre omtrek met een geweer vertoont, wordt gearresteerd. In de berm van de weg langs de Bulderbaan staan de vliegtuigspotters. Ze luisteren met hun scanners naar de communicatie tussen cockpit en verkeerstoren. Spotter A kijkt op zijn horloge: 'De zes-vierenveertig is laat vandaag!' Spotter B: 'Moest ontzettend lang op zijn slot wachten.' Spotter A; 'Daar heb je hem!' Ze kijken dankbaar omhoog; het geluid van de 747-300 is hun hemelse muziek. De gelukkigste wezens op Schiphol zijn de konijnen en de vliegtuigspotters (en misschien ook de konijnenspotters).

Ik logeerde eens in een hotel waar een moderne nachtclub was gevestigd. In mijn kamer klonk het zware stampen en bonken als een oude fabriek, als een overblijfsel uit de industriële revolutie. Ik dacht aan het gekwelde proletariaat. Na het entreegeld te hebben betaald, gingen daar iedere avond drommen jongeren voor hun plezier naar binnen. Soms zit ik in de tram achter zo iemand met een walkman op. Het klinkt als een aanlopende fiets; hij of zij is in trance. De dokters krijgen weleens een walkman-dove jongere op het spreekuur. Storen en overlast zijn relatief.

Wanneer is 'overlast' nog te verdragen en wanneer wordt het tot de stank en het lawaai van de hel? Dat valt alleen te zeggen door degene die er het slachtoffer van is. Daarbij komt een complicatie. In zijn Notities uit het ondergrondse voert Dostojevski een hoofdpersoon op die struikelt over de woorden waarin hij zijn eigen lijden beschrijft en probeert te ontrafelen. Naar zijn verklaring heeft de schrijver hem bedoeld als een 'modern stadsmens', iemand die is losgeslagen van zijn eigen zekerheden. (Hier moeten we voorzichtig zijn; voor we het weten zijn we met onze terminologie bij de Morele Herbewapening, de New Age of Jomanda terechtgekomen).

Zoniet Dostojevski. In het vierde hoofdstuk van deze actuele geschiedenis zegt een denkbeeldige gesprekspartner tegen de held: 'Haha! Straks wil je me nog vertellen dat je plezier kunt hebben in je eigen kiespijn!' 'Nou en', zegt de held. 'Zelfs uit kiespijn kun je vreugde halen!' Hij heeft een maand kiespijn gehad, hij kan ervan meepraten. 'Ik vraag u, heren, luister eens naar het kreunen van een beschaafd mens uit de negentiende eeuw die kiespijn heeft. Luister naar hem, vooral op de tweede of derde dag van de aanval, als hij al aan het kreunen is, niet zoals hij op de eerste dag kreunde, niet omdat hij toevallig een aanval van kiespijn had, niet zoals een of andere onbeschaafde boer zou kreunen, maar zoals iemand kreunt die is aangetast door de vooruitgang en de Europese beschaving. (...) Hij weet dat hij met zijn gekreun niets opschiet, hij weet dat hij anders zou kunnen kreunen, eenvoudiger, zonder al die trillers en loopjes. Maar, welnu: zijn lust bestaat juist uit het maken van dit kabaal: Ik schijn jullie ermee te hinderen, het schijnt dat ik iedereen in huis van zijn slaap beroof. Blijf dan maar wakker! Voelen jullie maar iedere minuut dat ik kiespijn heb!' Enz.

Dostojevski en Schiphol. Ik breng de twee grootheden niet met elkaar in verband om Schiphols omwonenden aan te bevelen, meer vreugde aan het lawaai van de motoren te beleven door harder te kermen. Schiphol is niet alleen een bedrijf dat Nederland met de rest van de wereld verbindt en 30.000 of 50.000 mensen werkt biedt. Het staat ook voor een kwaal van de vooruitgang die toevallig geen naam heeft. Men zou 'het schiphol' kunnen hebben, zoals de flatneurose, de managers' disease, de muisarm of de stress.

De kwaal en de klacht - de aanwijsbare, belemmerende kwaal en de steeds mooier opgesierde klacht - zijn gegevens van de cultuur en de politiek. Dostojevski heeft er zijn klassieke Notities over geschreven. Filosofen en essayisten, Nietzsche, Sjestov, Ter Braak hebben het vraagstuk aangepakt. Ontneem iemand zijn klacht en hij of zij is een ongelukkig mens. Een wraakzuchtig mens zelfs. In het dagelijks leven heeft een ongeteld aantal geesten evenveel behoefte aan klagen als hun longen aan zuurstof. Iedere arts kan het met de ervaringen van zijn spreekuur bevestigen. Er zijn patiënten naar wie hij alleen hoeft te wijzen om ze te laten kermen. Laat ze en het gaat al wat beter, hoewel niet met hun kwaal. Bij die diagnose is het gebleven.

Bijna anderhalve eeuw na Dostojevski's lijder worden er nog steeds boeken over het verschijnsel geschreven, onderzoeken uitgevoerd, meer en meer. Drie miljoen Nederlanders voelden zich vorig jaar omstreeks deze tijd 'niet goed tot slecht' (volgens het CPNB); het bezoek aan bureaus van het RIAGG is met veertien procent toegenomen; twee miljoen is altijd in tijdnood, meldt minister Melkert. Op congressen barsten managers opeens in huilen uit. Dit alles gebeurt in ons fameuze p.model. Onthaast u! Adviseert minister De Boer.

Daar schieten degenen die in de KGB-cel van Schiphol zitten niets mee op, evenmin als hun lotgenoten die boven een disco, naast een coffeeshop, langs een snelweg, bij een afwerkplaats, op de hoek van een stedelijk kruispunt wonen, of in wier buurt de Betuwelijn of de HSL getrokken is. Hef ze op, Schiphol, de disco, de coffeeshop, de snelweg, de afwerkplaats, het kruispunt en de trein. Dan heffen we ons tolerante, aan alle kanten van inspraak naar consensus voerende, voorbeeldige p.model op. Dat wil niemand.

Dan zijn er, consequent geredeneerd, nog twee oplossingen. De ene komt hierop neer dat het Nederlandse volk zichzelf als het ware segregeert, niet etnisch maar volgens psychische scheidslijnen, naar vatbaarheid voor deze of gene overlast. Iedereen kan zelf verzinnen hoe de indeling volgens dit beginsel er ongeveer uit zal zien. De andere oplossing is dat men blijft klagen, niet ongelijk aan de manier die Dostojevski heeft beschreven.

*) Ik neem aan dat iedere lezer weet wat ik met p.model bedoel. Ik vermijd het woord voluit te schrijven. Het heeft een uiterlijk van zelfvoldaanheid en tegelijkertijd een brutaliteit die me tegenstaan. Ik doe ermee als preutse schrijvers met drieletterwoorden.

    • H.J.A. Hofland