Op kinderbeleving afgestemd

DE TIJD DAT een enthousiaste docent 's avonds onder de schemerlamp een nieuw leerboek schrijft en dit aanbiedt aan een uitgever behoort definitief tot het verleden. Schoolboeken maken tegenwoordig onderdeel uit van breed opgezette lesmethodes en die worden door teams ontwikkeld en geschreven.

Sinds september van dit jaar kunnen docenten vreemde moderne talen zich aan de Universiteit Utrecht laten scholen tot leerboekauteur en materiaalontwikkelaar. Uitgevers staan om ze te springen. Terwijl de opleiding nog maar vier bijeenkomsten oud is, zijn vier van de twaalf cursisten al in overleg met een uitgever over een opdracht. Er bestaat in de uitgeverswereld grote behoefte aan praktijkmensen die willen meewerken aan de vele nieuwe lesmethodes die door de golf van onderwijsvernieuwingen ontwikkeld moeten worden.

Elke dinsdagavond van vijf tot half negen zitten de leerboekauteurs in opleiding in een zaaltje van de Utrechtse Universiteit. Ze komen er voor uit Meppel, Oosterbeek, Tilburg, Veenendaal en Amersfoort en zijn allemaal afkomstig uit het onderwijs. De meesten staan voor de klas, enkelen zitten geheel of gedeeltelijk in een wachtgelduitkering en proberen via deze cursus weer aan de slag te komen. In de 22 bijeenkomsten verdeeld over zes modules worden de cursisten op de hoogte gesteld van de laatste onderwijsvernieuwingen, de mores van het uitgeversbedrijf en de positie van de leerboekauteur, ze verdiepen zich in leerconcepten en leertrajecten, wat de nieuwe media te bieden hebben en hoe je toetsen ontwikkelt.

Het hart van de cursus wordt gevormd door de module materiaalontwikkeling waarin zaken als leren door handelen, lees- en luistertraining, inprenten, grammatica, opdrachtgebonden schrijven en spreken en vrije communicatie aan de orde komen. Hoe verwerk je deze onderdelen van taalverwerving in een overzichtelijke lesmethode die kinderen aanzet tot leren? Dat is de kunst die de cursisten in de loop van het jaar onder de knie hopen te krijgen. Wie aan het eind van de rit een goed gevulde portfolio kan tonen met zelfontwikkeld materiaal, analyses van bestaand materiaal en andere opdrachten heeft volgens Henk Diephuis, coördinator van de cursus, “een startcompententie verworven als leerboekauteur/materiaalontwikkelaar en kan in een team van een uitgeverij goed meekomen”.

Henk Diephuis staat zelf al jaren als leraar Duits voor de klas, en is één dag per week verbonden aan het Expertisecentrum Duits dat weer deel uitmaakt van de Universiteit Utrecht. Hoewel de cursus door het Expertisecentrum Duits wordt aangeboden, is hij bedoeld voor docenten van alle moderne vreemde talen in het voortgezet onderwijs. “Tot nu toe zijn dat Engels, Duits en Frans', aldus Diephuis, “maar het kunnen ook Spaans, Russisch en niet te vergeten Turks en Arabisch zijn. De didactiek van de moderne schooltalen verschilt zo weinig dat het vervaardigen van lesmateriaal op dezelfde principes gebaseerd is.” Een docent Nederlands werd afgewezen, omdat onderwijs in de eigen taal weer iets heel anders is dan het leren van een vreemde taal. “En ik wil de teleurstelling niet bij voorbaat inbakken”, aldus Diephuis.

Hij hoopt met deze cursus indirect ook de kwaliteit van het onderwijs te dienen, want lang niet alle 'gewaarborgde wetenschappelijke inzichten' op het gebied van taalverwerving zijn terug te vinden in de huidige lesmethodes voor de vreemde talen. Ook het vaak nog beperkte didactische repertoire van de leraar kan met goed lesmateriaal worden verruimd, bijvoorbeeld door uitbreiding naar de nieuwe media. De nadruk in de onderbouw van het voortgezet onderwijs, de basisvorming, op het aanleren van praktische vaardigheden als spreken, luisteren en begrijpen, vereist heel ander lesmateriaal dan vroeger toen men volstond met woordjes stampen en grammatica doorkauwen.

De invoering van de tweede fase in de bovenbouw van Havo en VWO verlangt ook nog eens dat leerlingen zelfstandig gaan werken. Niemand weet nog hoe dat zal uitpakken, maar uitgevers moeten deze didactische revolutie wel al in de nieuwe lesmethodes doorvoeren. “De nieuwe leermiddelen moeten de onderwijsvernieuwing gaan máken”, zegt coördinator Henk Diephuis. “De verwachtingen zijn hoog gespannen en voor de uitgevers is het een risico-volle operatie.” De cursus is overigens in overleg met de zeven uitgeversfondsen voor de moderne vreemde talen tot stand gekomen. En zo hoopt Diephuis zowel tegemoet te komen aan de wensen van docenten die hun horizon willen verbreden als aan de behoefte van uitgevers om goed gekwalificeerde praktijkmensen te kunnen inschakelen. Hij is hoopvol gestemd.

Hoewel Monique van Dijk, lerares Duits op het Goois Lyceum in Bussum, volgend jaar met de nieuwe lesmethodes voor de vierde klassen Havo en VWO moet gaan werken, heeft ze geen idee hoe deze eruit zullen zien. De methodes zijn nog niet op de markt en tegen de tijd dat dat wel het geval is - voorjaar 1998? - zal ze met haar sectie moeten uitmaken welke lesmethode ze het meest geschikt vinden.

Van Dijk is een van de deelnemers aan de cursus leerboekauteur/materiaalontwikkelaar. “Ik heb altijd het ideaal gehad om naast het lesgeven iets anders te doen, zodat ik mijn perspectief kan verbreden”, zo verklaart ze deze stap. Ze heeft in haar zesjarige carrière op twee scholen al met verschillende lesmethodes Duits gewerkt en ook zelf materiaal ontwikkeld voor eigen gebruik. Over de nieuwe methode waarmee ze nu in de basisvorming werkt is ze erg te spreken: “Niet te veel informatie tegelijk, een duidelijke opbouw, alle vaardigheden komen goed uit de verf. Ja, het is voor leerlingen een goed lesboek, dat hen op een ongedwongen manier motiveert om te leren.”

Ze ziet duidelijke verschillen met de 'ouderwetse' leerboeken van de bovenbouw die weinig samenhang vertonen in de opbouw en daardoor onoverzichtelijk zijn voor de leerlingen. “De nieuwe generatie leerboeken is beter op de manier van leren van kinderen afgestemd. Wel veel illustraties, maar ik vind ze niet te wild.” Coördinator Diephuis hoort nog wel eens van docenten dat de huidige leerboeken over-geïllustreerd zijn, “en dat leidt af van de inhoud”. Wat Van Dijk wel opvalt is dat het tweede boek van een lesmethode vrijwel altijd slechter is dan het eerste. “Het lijkt me erg leuk om mee te denken over hoe zo'n methode eruit moet zien”, aldus de docente, “maar ook om aan de concrete uitvoering ervan te werken. Als docent heb je vakkennis, je kent de belevingswereld van de kinderen en je weet welk niveau ze hebben.”

Inmiddels heeft Van Dijk een aanbod van een uitgeverij gekregen voor een klus, waarover ze binnenkort in onderhandeling gaat. De wachtgelders onder de cursisten kunnen rekenen op extra begeleiding en ondersteuning om aan het werk te komen als leerboekauteur en materiaalontwikkelaar. “Maar we bieden geen garantie”, zegt Henk Diephuis.

    • Michaja Langelaan