Lustoorden voor de geest; Nias en Lorentz Center bieden rust tot nadenken

Met een groepje of individueel geruime tijd in afzondering je aan de wetenschap wijden, die luxe bieden het nias en het Lorentz Center. 'Advanced Study is in de geest van deze tijd.'

IN DE COMMON ROOM van het Lorentz Center neemt Kloosterman-hoogleraar Jack Hale een Russische collega mee naar het bord.

“Prima lezing”, zegt de Amerikaan.

“Wel erg technisch”, antwoordt de Rus, terwijl hij een viltstift grijpt. “Kijk, deze operator heeft een sterke limiet, daar kun je mee spelen, met D ligt dat anders.”

Hale schrijft er met rood gehaast wat symbolen bij. “Die functie is juist zo mooi glad”, werpt hij tegen.

Het loopt tegen half zes, de eerste dag van de workshop 'Operatoren en dynamische systemen' zit erop. In de common room - Yves Klein-blauwe stoelen, zachtgele zespersoons banken, een wand met vaktijdschriften en op tafel de International Herald Tribune - zijn de geleerde conversaties verstomd, twintig conferentiedeelnemers gaan op weg naar de binnenstad. “We hebben een missie”, zegt prof.dr.ir. L.A. Peletier, in Leiden hoogleraar analyse en toegepaste wiskunde en met Hale en prof.dr. S.M. Verduyn Lunel van de Vrije Universiteit de architect van het herfstprogramma. “Door de beste mensen een maand naar deze plek te halen wil het Lorentz Center een speciaal vakgebied stimuleren, het is hier geen wetenschappelijk jeugdherberg. Het werkt, al moet het natuurlijk nog groeien. Iedereen is enthousiast, wat we doen heeft uitstraling.”

Het Lorentz Center is een jong studiecentrum voor astronomie, natuurkunde, wiskunde en informatica, ondergebracht bij de Leidse universiteit. In tegenstelling tot Amerika zijn internationale multidisciplinaire studiecentra in Europa een zeldzaamheid. Het doel is specialisten op een bepaald vakgebied enkele weken bij elkaar te zetten en ze, weg van de besognes thuis, ideeën te laten uitwisselen en samen te laten werken. Vier programma's rond de wisselende gasthoogleraren (die leerstoelen bezetten genoemd naar Oort, Lorentz, Kloosterman en Pascal) staan centraal. Het centrum is gevestigd op de derde verdieping van het Jan Hendrik Oortgebouw, een uitbreiding van het Huygens Laboratorium - door zijn scheve constructie een icoon aan de snelweg. Deelnemers aan programma's hebben een kamer met computer. Omdat de vloer in de meethal beneden niet wil deugen is de officiële opening uitgesteld.

AD-HOC-CONCENTRATIE

Zes jaar geleden opperde Peletier het idee van een internationaal centrum op een evaluatiebijeenkomst van NWO. “Ik was net terug uit Minnesota, daar had ik een half jaar op zo'n instituut gewerkt. Het organiseren van een themaprogramma over een actueel onderwerp was een spannende ervaring. Een ad-hoc-concentratie van toponderzoekers leidt tot grote activiteit, het geeft de internationale contacten structuur. Ik heb het idee geopperd bij NWO maar de financiering lag moeilijk en het sloeg pas goed aan bij Van Saarloos en De Zeeuw, twee jonge collega's uit de natuurkunde en sterrenkunde die net in Leiden waren benoemd nadat zij een aantal jaren in de VS hadden gewerkt. Het College van Bestuur in Leiden steunde ons van harte en heeft zich er toen over ontfermd. Niettemin is ons doel uiteindelijk te functioneren als een nationaal gedragen centrum.”

Het Lorentz Center draait nu een half jaar. Het gaat goed, al blijven er wensen. “We hebben nog een laag budget”, zegt Pelletier. “Nu sprokkelen de organisatoren van een programma zelf het geld bijeen en uitmuntende wetenschappers hebben wel wat beters te doen dan fundraising. We moeten toe naar een systematischer bedrijfsvoering, bestuurlijk zowel als wetenschappelijk. Ik denk aan een internationale Board of Governors die goede voorstellen lanceert, aan een adequate staf en de mogelijkheid om naast de gasthoogleraar een stel post-docs aan te stellen. Dat verzwaart de bezetting en je krijgt meer continuïteit. En ook zouden we de huisvesting beter willen, een guesthouse in plaats van hotels en een faculty club voor de sociale contacten.”

Wie geen problemen heeft met huisvesting, ambiance of eigen scholarships is het Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences (NIAS), landelijk gelegen aan de rand van Wassenaar. “Het is hier een goede plaats om te werken”, zegt rector prof.dr. H.L. Wesseling, terwijl we langs deftige beuken wandelen, op weg naar de Perzische rozentuin. “Het isolement is onze kracht. Het beste is hier te komen om iets af te maken, zoals Frits van Oostrom met zijn boek over Maerlant of een kleiner artikel. Gewoon zitten en schrijven. Maar er zijn ook groepsactiviteiten. Op het vrijdagmiddagseminar nemen de fellows kennis van elkaars werk. Ik hou niet van grote woorden maar het is werkelijk een ontdekking te zien dat het NIAS de enige plaats is binnen academisch Nederland waar mensen uit allerlei disciplines met elkaar praten en daar ook nog eens op rare wijze inspiratie uit putten.”

Het NIAS is 26 jaar geleden opgericht op initiatief van de antropoloog en linguïst prof.dr. E.M. Uhlenbeck. Zijn naam ontleent het aan het roemruchte Institute for Advanced Study in Princeton, dat in 1930 zijn poorten opende. Oorspronkelijk opgezet als interuniversitair instituut, ressorteert het sinds 1988 bij de Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Het is het oudste Europese instituut op dit gebied en met veertig fellows een van de grotere. De helft komt uit het buitenland, waarbij in de eerste plaats geselecteerd wordt op past performance. Naast individuele projecten - die in de praktijk altijd anders blijken uit te pakken - zijn er themagroepen, dit jaar over de reconstructie van Tatians Diatessaron, de geschiedenis van de ontwikkelingspsychologie en vroeg-middeleeuwse vertaaltechnieken in het Armeens en Oud-Syrisch.

“Het grote verschil met Princeton is dat ze daar behalve visiting fellows ook een permanent faculty hebben”, zegt Wesseling in zijn werkkamer, naast de common room met parketvloer, open haard en reuzen-tv. “Postdocs zijn daar vaak op uitnodiging van een van de vaste hoogleraren, dat was al zo in de tijd van Einstein, Gödel en Panovsky. Het NIAS is afgekeken van Stanford: een directie van één à anderhalve wetenschapper, een ruime staf, goede voorzieningen en bezoekers voor 10 maanden. Ik heb in Princeton gezeten. Persoonlijk zou ik graag een paar vaste mensen naast me hebben, vooraanstaande geleerden uit vakgebieden waar we in Nederland goed in zijn. Die zouden de ruimte moeten krijgen vijf of tien jaar een intellectueel stempel te drukken, eigen mensen uit te nodigen. Ik ben maar historicus, heel veel kan ik niet beoordelen.”

Wesseling juicht het initiatief tot het Lorentz Center toe. “Mooi dat ze beginnen, ik had begrepen dat het plan, zoals zo vaak in die kringen, was vastgelopen op interuniversitaire rivaliteit. Waarom hebben wij geen bèta's, is de logische vraag. Wellicht komt het doordat het tempo daar veel hoger ligt, een bèta zwoegt niet jarenlang op een monografie, die scheidt artikelen af. Toch zou ik ze graag hier hebben. Niet dat ik denk dat we veel van ze kunnen leren, of dat er minder jaloezie heerst, maar de academische cultuur op het NIAS zou er wel bij varen. In de bèta-wereld is men zakelijker, is er geen ander gezag dan wetenschappelijk gezag. Als iemand begin twintig is en hij heeft iets leuks gevonden, staat iedereen te klappen. Dan staat er niemand op die zegt: joh, ik ben dertig jaar ouder, laat mij de aandacht maar krijgen. Soms kenmerkt de cultuur van alfa's en gamma's zich door een zekere gewichtigheid.”

Het NIAS heeft een jaarbudget van vier miljoen gulden. “Dat is minder dan een procent van het budget van een kleine universiteit”, zegt Wesseling. “En dat voor een instituut dat het hele gebied van de geestes- en de menswetenschappen bestrijkt. Toch zeg ik: count your blessings. Amerikaanse collega-instituten, ook Stanford en Chapel Hill, moeten ieder jaar de helft van hun budget bijeenscharrelen. Ik zou slecht zijn in fundraising. Nadeel van geborgenheid bij de Akademie is weer dat veel vast ligt, nieuwe initiatieven krijgen nauwelijks ruimte. Eén probleem zou ik graag opgelost zien: we hebben geen geld om de Nederlandse fellows voor hun onderwijstaak te compenseren. Het idee was: het NIAS is een instituut van de universiteiten, die sturen de mensen naar Wassenaar en hun collega's vangen het op. Door de verstrakking in het onderwijs gaat dat minder eenvoudig dan vijfentwintig jaar geleden en de meeste Nederlandse fellows zien zich gedwongen een of twee collegeverplichtingen aan te houden. Maar je ziet ook dat mensen vanwege dergelijke verplichtingen geen afstand willen nemen, die zitten op het NIAS verkeerd.”

BAD EN COMPUTER

Het NIAS is een lustoord voor de geest. Op het glooiende terrein, niet ver van zee, staan rustieke villa's met een conferentiekamer, vergaderlokalen, een bibliotheek, werkkamers, ruimte voor de staf, een eetzaal, een bar en een fitness-ruimte. Nieuwbouw biedt plaats aan een conferentiezaal en 23 studio's met bad en computer. Behalve door fellows worden ze bewoond door bezoekers uit Centraal- en Oost-Europa die een Trends in Scholarship-bijspijkerprogramma van twee maanden volgen. “Heel belangrijk is de lunch”, zegt Wesseling. “Daar zie je iedereen. De meeste Nederlanders vertrekken aan het eind van de dag naar huis, ook ik pak dan de fiets. Iedere maand is er een sociale activiteit, vorig jaar kwam ik als Sint per schimmel de bossen uitrijden. Maar mijn eerste taak is toch te zorgen dat op het instituut een goede intellectuele sfeer heerst.”

Te midden van alle gekrakeel om 'nut' leidt het NIAS een vreedzaam bestaan, constateert Wesseling. “Mijn opvatting is dat we een zo beleidsarm mogelijk beleid moeten voeren. Misschien is het naïef maar ik zie nauwelijks bedreigingen. Eerder heb ik het idee dat het instituut in de geest van de tijd is. Het kan geen toeval zijn dat er steeds meer Niassen komen, in Oslo, in Bremen, in Boedapest, in Krakau, in Kyoto. In deze tijd van krimp en groei, tweefase-structuren en onderzoeksscholen heeft de mid career scientist behoefte aan een rustig plekje voor advanced study. Inmiddels heeft zich voor volgend jaar een recordaantal vooraanstaande Nederlandse academici gemeld, kennelijk is het verlangen groot.”

Mesoscopische fysica

In zijn werkkamer in het Oortgebouw, een verdieping lager dan het Lorentz Center, kijkt theoretisch natuurkundige Carlo Beenakker met plezier terug op de workshop 'Mesoscopische fysica' die hij dit voorjaar samen met Lorentz-hoogleraar B.I. Halperin organiseerde. “Dat je vijftien coryfeeën op je vakgebied een maand bij elkaar krijgt is vrij bijzonder”, zegt Beenakker. “Meestal zie je ze op conferenties van een paar dagen. In de opzet van het Lorentz Center is er de tijd de problemen goed onder woorden te brengen, om ze in kleiner verband te bestuderen. Dat heeft intellectueel leuke dingen opgeleverd.”

De deelnemers aan de workshop woonden zo lang in twee panden van de Stichting Studentenhuisvesting. “Hoogleraren zaten als studenten bij elkaar, zonder eigen sanitair”, zegt Beenakker. “Dat creëerde een bepaald soort sfeer. In elkaars directe nabijheid verkeren werkt. Om een kiem te doen ontstaan is het geschreven woord teveel een beperking, email-contact functioneert alleen als er al iets ligt waarover je kunt overleggen.”In Amerika wordt de manier van werken van het Lorentz Center al langer toegepast. Volgend jaar is Beenakker uitgenodigd in Aspen een vergelijkbaar samenzijn te organiseren. “Aspen is zeer gewild, het ligt prachtig in de bergen. Hoe goed het Lorentz Center ook draait, het blijft een locatie aan de snelweg.”

Armeens en Oud-Syrisch

Terwijl een houtduif langs het raam scheert en het Center-Parksgevoel binnendringt, werpt armenoloog prof.dr. J.J.S. Weitenberg een blik op zijn NIAS-computer. Het scherm toont een middeleeuws tekstfragment dat uit het Grieks in het Armeens is vertaald. “De vertaling is opvallend letterlijk”, zegt Weitenberg. “Het is Grieks met een Armeense jurk aan. Je vraagt je af waarom dat zo is.”Weitenberg is coördinator van het themaprogramma 'Vertaaltechnieken in het Armeens en Oud-Syrisch'. In zijn werkkamer staat een kast met woordenboeken, van huis meegenomen. Over de bibliotheekdienst van het NIAS is de hoogleraar zeer te spreken. “Je merkt nauwelijks verschil met als je in Leiden zit. Ze halen alles voor je, uit de donkerste hoeken slepen ze boeken te voorschijn.”Aan het vertaalproject doen zes man mee, onder wie twee postdocs en een kenner van oude manuscripten uit Jerevan. “Het plan dateert van vijf jaar geleden”, zegt Weitenberg. “Vertaaltechniek staat sterk in de belangstelling. Met een club mensen heb je overzicht over een grote variëteit aan teksten en kun je ze diepgaand bestuderen. Twee keer per week komen we met zijn allen bij elkaar, tussendoor loop je met je tekst af en toe bij iemand binnen voor overleg. Aan de overkant zit de man die deze heeft uitgegeven. Als hij je deelgenoot maakt van zijn aarzelingen destijds bij het opschrijven, kom je verder.”Vrijdags geeft Weitenberg college in Leiden. “Met een kleine vakgroep is het schipperen, er zijn al zo weinig studenten Armeens, je kunt je niet permitteren dat ze weglopen. De dagen dat ik hier zit laten ze me meestal met rust. Maar het komt voor dat ze het NIAS bellen met de vraag of ze tentamen mogen komen doen. Studenten hebben hun eigen tijdschema's, die moeten met vakantie.”