Intriges aan de Assyrische grens; Pas gevonden kleitabletten geven beeld van leven in vestingstadje

Omkoperij, ruzies over schulden, veehandel, militaire operaties. In het Assyrische vestingstadje Sabi Abyad was genoeg te beleven. Leidse archeologen vonden er onlangs een fraaie collectie kleitabletten.

ARCHEOLOGEN VAN HET Rijksmuseum van Oudheden in Leiden hebben van half augustus tot half oktober in Noord-Syrië een grote hoeveelheid kleitabletten uit de dertiende eeuw voor onze jaartelling opgegraven. Deze vondst werd gedaan bij de ruïneheuvel van Sabi Abyad aan de oever van de rivier de Balih in het noord-oosten niet ver van de Turkse grens. De vondsten werden afgelopen dinsdag bekend gemaakt.

De 46 tabletten geven een interessant beeld van het leven aan de rand van het Assyrische rijk in die tijd. Omdat een aantal van de tabletten behoort tot het privé-archief van de grootvizier, de machtigste man in het rijk na de koning, geeft deze vondst ook een goed beeld van de politiek en sociale verhoudingen.

Bij Sabi Abyad doen de Nederlandse archeologen al acht jaar lang onderzoek. In de loop van die jaren zijn de contouren van een vestingstad uit het Midden-Assyrische rijk zichtbaar geworden. De aard van de opgegraven gebouwen en vondst van kleitabletten maken duidelijk dat ter plekke een Assyrische gouverneur met een eigen ambtenarenapparaat en een militair garnizoen was gevestigd. Hoewel een deel van het paleis van deze lokale bestuurder al vorig jaar was blootgelegd is pas dit jaar het administratieve deel van het bestuurscomplex in zijn geheel opgegraven. Het ging om een groot, 20 bij 30 meter tellend gebouw van twee verdiepingen. Er werden in twee verschillende ruimtes bij elkaar 46 kleitabletten gevonden, met een deel van het archief van de grootvizier, Assur-iddin. Assur-iddin woonde niet in de vestingstad, maar kwam tijdens zijn rondreizen door het land regelmatig langs. Een deel van de archiefstukken die betrekking hadden op zaken die in het grensgebied van het rijk speelden, werd ter plekke bewaard. Behalve zakelijke correspondentie bewaarde hij ook een aantal privé-brieven in Sabi Abyad. In de late bronstijd vormde de vallei van de Balih, waarin Sabi Abyad ligt, een onderdeel van het koninkrijk Hanigalbat. Dit koninkrijk was een vazalstaat van het Assyrische Rijk en vormde een buffer tussen het Assyrische rijk in het zuiden en dat van de Hettieten in het Noorden. Onder koning Salmanassar I (1265-1244 v.C.) wordt het rijk Hanigalbad echter definitief door de Assyriërs ingelijfd. Er worden langs de grens met het Hettietenrijk een aantal grensversterkingen gesticht.

Uit de teksten blijkt dat Sabi Abyad de belangrijkste daarvan was. In de directe omgeving lagen nog een aantal andere kleinere forten die allemaal vanuit Sabi Abyad bevoorraad en bewapend werden. Alle teksten die nu gevonden zijn stammen uit de regeerperiode van de opvolger van Salmanassar I, koning Tukulti Ninurta. Assur-iddin was in diens regering grootvizier. In Sabi Abyad zetelde een zoon van Assur-iddin. Van deze Illi-ippada is ook een aantal brieven terug gevonden. Een derde belangrijke ambtenaar wiens naam regelmatig in de teksten opduikt is die van Tamitte. De bestuurlijke verhouding tussen Tamitte en Illi-ippada is nog niet helemaal duidelijk. Vermoedelijk was Tamitte de lokale verantwoordelijke (de gouverneur) en had Illi-ippada een functie tussen die van zijn vader en Tamitte in. Van deze Tamitte is een brief (T96-17/18) bewaard waar zelfs de enveloppe nog omheen zat (zie kader en afbeeldingen rechts).

Uit de privé-correspondentie van Assur-iddin blijkt dat deze ook regelmatig als bemiddelaar optrad in allerlei kwesties tussen burgers. Daarvoor liet hij zich overigens belonen. Kleitablet T97-2 (zie kader onder) betreft zo'n kwestie. Assur-iddin krijgt door een dame een slaaf aangeboden. Dat is zijn beloning voor de bemiddelende rol die zij hem vraagt te spelen in een uit de hand gelopen schuldenkwestie.

Sabi Abyad is in de tijd van Tamitte en Illi-ippada geheel in de as gelegd. In de vesting zijn geen sporen aangetroffen van gewelddadige inname. Nergens heeft men lichamen van burgerslachtoffers of militairen gevonden. Het vermoeden bestaat dan ook dat het garnizoen en alle burgers de stad in allerijl hebben verlaten. De stad is daarna door de vijand in brand gestoken. Een andere suggestie is dat de Assyriërs bij het naderen van de vijand de tactiek van de verschroeide aarde hebben toegepast. Ze hebben de stad nadat ze hem verlaten hadden zelf in brand gestoken.

De stad wordt vrij snel na de dramatische verwoesting herbouwd, zij het op veel kleinere schaal. Een deel van de stad blijft als ruïne achter. Dat deel is later gebruikt als begraafplaats. Tamitte en Illi-ippada keren na de verwoesting echter niet terug op hun post. Waarom is niet helemaal duidelijk. Misschien werd hen de verwoesting van Sabi Abyad aangerekend. Dat lijkt in het geval van Tamitte niet onwaarschijnlijk. Hij had al voor deze gebeurtenis regelmatig conflicten met de hogere autoriteiten. In een aantal brieven wordt hem bijvoorbeeld verweten dat hij opdrachten niet goed had uitgevoerd. En eenmaal wordt hij zelfs met executie bedreigd wanneer er bij een controle bepaalde stukken zouden ontbreken.

Er komt dus een nieuwe gouverneur. Van deze functionaris, Mannu-ki-akkad, zijn bij een vorige opgravingscampagne ook al kleitabletten teruggevonden. Die lagen in het nieuwe paleis dat voor een deel gebouwd was op de restanten van het paleis van Tamitte. Sabi Abyad verliest in die periode langzamerhand zijn belang. Er zijn zelfs aanwijzingen dat de gouverneurspost uiteindelijk verplaatst wordt naar het verderop gelegen fort Sahlala. Tot aan het definitief uiteen vallen van het Assyrische rijk in het begin van de twaalfde eeuw leidt de stad een marginaal bestaan. Na de val van het Assyrische rijk wordt Sabi Abyad definitief verlaten.

Smeergelden

Rechts: complete weergave van tablet T97-2, inclusief zij- en achterkant. De krabbeltjes bovenin zijn de zegeling van de debiteur.

Vertaling tekst (door dr. Frans Wiggermann):

“Amel-ziqnu (een slaaf), voor Assur-iddin de zoon van Qibi-Assur; ten laste van Damiqma-Tasmetu, de dochter van Sin-suma-usur, echtgenote van Sigelda, de zoon van Errege uit Suadikanni. Deze man (Amel-ziqnu) is het geschenk om te voorkomen dat haar echtgenoot (Sigelda) zijn manschappen en slaven aan de zonen van Adad-suma-iddina moet geven. Hij (Assur-iddin) zal haar zaak behandelen en daarna zijn geschenk ontvangen. Zij (Damiqma-Tasmetu) kan dan dit tablet verbreken.

Maand Kalmartu, 1ste dag limu Libur-zanin-Assur.''

Toelichting: Assur-iddin, de grootvizier, wordt kennelijk verzocht in te grijpen in een privaatrechtelijke zaak (tussen Sigelda en Adad-suma-iddina) waarschijnlijk voortgekomen uit een niet afgeloste lening. Er wordt hem door de vrouw van Sigelda (Damiqma-Tametu) een geschenk (de slaaf Amel-ziqnu) aangeboden om hem aan te sporen de zaak voor haar te regelen. Een alternatieve oplossing van die zaak zou bijvoorbeeld uitstel van betaling zijn. Hierover wordt echter niets gezegd. Het verbreken van het tablet door Damiqma-Tasmetu waarvan aan het einde van de brief sprake is, betekent de bevestiging dat de zaak naar bevrediging van beide partijen is opgelost. Zover is het echter nooit gekomen. Sabi Abyad, de plek waar dit contract door Assur-iddin werd bewaard, werd volledig verwoest. De vraag of Assur-iddin de zaak heeft opgelost is dus niet te beantwoorden.

Teksten worden vaak gedateerd naar de limu-functionaris die op dat moment in functie is. Elk jaar werd er een dergelijke functionaris benoemd. Deze brief is dus geschreven in het jaar waarin Libur-Zanis-Assur limu-functionaris was. Dergelijke manier van dateren is te vergelijken met de datering volgens de consuljaren die de Romeinen hanteerden.

Dakbalken

Onder: complete weergave van tablet T97-17, inclusief zij- en achterkant (links ernaast staat foto van de voorkant plus resten van enveloppe).

Vertaling (door dr. Frans Wiggermann):

“Tot Igarsemid spreek als volgt Tamitte:

Hierbij stuur ik Sarniqu; neem een tweejarige koe uit het district Kiteja en geef die aan hem. Al zijn runderen moet hij verzamelen en vóór jou opstellen; zoek dan zelf drie runderen uit, dat zijn dan de runderen die hij kan weiden. Dakbalken moet men uit de voorraad nemen van het fort waar hij onder valt, die kan hij meenemen. Zijn kamers en zijn huisraad kan hij terugnemen en niemand mag hem verder vasthouden.''

Toelichting: deze brief van Tamitte aan een hogere functionaris bevat geen datum. Sarniqu heeft kennelijk bij Tamitte geklaagd over de manier waarop hij behandeld is. Tamitte schrijft deze brief om de zaak te regelen. Wat de aanleiding van deze hele zaak is, blijft verder onvermeld. De formulering in het begin van deze brief ('tot Igarsemid spreek') is een typisch Mesopotamische briefaanhef. Deze stamt nog uit een tijd waarin de brieven door een bode uit het hoofd werden geleerd. Met 'spreek' richt de afzender zich dus tot de oorspronkelijke bode.