In eigen beheer

Een overlijdensverzekering is een goedkope, overzichtelijke manier om een soms hoog financieel risico voor nabestaanden af te wentelen op de sterke schouders van een verzekeraar. De kans dat een verzekerde heengaat hangt vooral af van zijn leeftijd, gezondheidstoestand en de looptijd van de polis.

Voor bijvoorbeeld een niet rokende een man van 38 jaar bedraagt de jaarpremie bij een willekeurige verzekeraar 46 gulden per 10 duizend gulden verzekerd kapitaal, te vermeerderen met maximaal 75 gulden kosten per jaar. Zijn even oude vrouw betaalt ongeveer de helft, omdat haar kans op overlijden lager is dan die van haar man.

In een voorgaand artikel werd zo'n polis voor een uitkering van 500 duizend gulden tegen circa 3.000 gulden jaarpremie aangehaald. Een lezer uit Hansweert voelt zich daardoor bekocht, want hij betaalt voor bijna een ton aan uitkering 4.500 gulden premie per jaar. Hoe kan dat?

Uit de bijgesloten bescheiden blijkt dat het gaat om een gemengde verzekering: een combinatie van een overlijdensverzekering én een kapitaalverzekering bij leven, een soort spaarverzekering, waardoor de begunstigde altijd iets ontvangt. Het is onvermijdelijk dat je voor het spaardeel extra moet betalen, om het kapitaal op te bouwen. Een verzekering bij overlijden is daarom qua premie veel goedkoper dan een gemengde verzekering.

Uit deze brief, en uit veel andere, blijkt dat mensen weinig begrijpen van de basisverzekeringsvormen. Soms geeft dat aanleiding tot boze, maar onterechte, reacties. Een bekende financiële marketing consultant beaamt dat desgevraagd. 'Verzekerden worden meer dan eens schriftelijk in knullig Nederlands benaderd (door verzekeraars en tussenpersonen) alsof ze potentiële oplichters en wanbetalers zijn, in brieven waarin veel wordt verzwegen, terwijl een maatschappij toch de handen dicht mag knijpen met een nieuwe klant en er niet van uit mag gaan dat verzekeringen in het vakkenpakket van de basisschool zitten. '

Hetzelfde voorgaande artikel gaat over een echtpaar dat vanaf het 65ste jaar 43 duizend gulden aanvullend pensioen per jaar wil ontvangen. Met een bedrag van 450 duizend gulden, zelf opgebouwd in 20 jaar, komen zij een heel eind in de richting. Niet door een lijfrente te kopen bij een verzekeraar, maar door dat geld in eigen beheer te beleggen in aandelen van bedrijven of, voor wie dat eng vindt, deel te nemen in een beleggingsfonds dat belegt in aandelen. Bedraagt het rendement op die belegging gemiddeld 8 procent netto per jaar (onbelaste waardegroei + belast dividend - vermogensbelasting) dan kan het paar, al interend, ongeveer 25 jaar vooruit.

Een lezer uit den Helder reageert geschokt op deze berekening. Hij ziet daarin een lijfrente die veel goedkoper uitkomt dan de zijne gesloten bij een verzekeraar. Hij stortte ruim 500 duizend gulden voor een bijna even grote lijfrente en voelt zich bedrogen.

'Het is duidelijk dat de levensverzekeraars op door de wet toegestane slinkse wijzen waanzinnige winsten maken met geld van derden. Waarom doet de overheid hier niets tegen?'

De overheid speelt hierin geen dwingende rol. Iedereen is vrij om met eigen geld een lijfrente te kopen bij een verzekeraar. Die moet daar voor de fiscus, wanneer het totaal van de uitkeringen het bedrag van de storting overtreffen, belasting op inhouden. Ook is iedereen vrij om de verzekeraar te kiezen die de hoogste lijfrente biedt, er zijn immers flinke onderlinge verschillen tussen de aanbieders.

Bovendien staat nergens in de wet dat je een lijfrenteverzekering (zoals een koopsompolis) moet sluiten voor een oudedagsvoorziening. De verzekeringswereld suggereert dat wél, slinks, en de overheid beloont het sluiten van een verzekering met belastingvoordelen, die overigens in de uitkeringsfase terug worden gehaald. Contractueel sparen via deze weg hoeft niet: je kan voor je oudedag investeren in eigen beheer, met uitzondering van het overlijdensrisico dat je nooit zelf kan dragen, tenzij je voldoende liquide vermogen achterlaat.

Maakt de maatschappij waanzinnige winsten? Meneer en mevrouw uit den Helder krijgen in ruil voor de hogere koopsom enkele voordelen. Zo is de uitkering levenslang en zonder zorgen, terwijl het eigen beheervoorbeeld meer aandacht vraagt en loopt tot circa leeftijd 90 jaar, dan is de koek op, althans in dit voorbeeld. Daarbij garandeert de verzekeraar de hoogte van de lijfrente en geeft de verzekerde die blijft leven extra rendement door sterftewinst, de reserve van mensen die overlijden.

Niet duidelijk is of de lezer het overlijdensrisico heeft afgedekt. De eigen beheerder hoeft dat risico niet te dekken. Verder zijn er nog wat kleine verschillen.

Welke weg beter is hangt af van iemands situatie op het moment dat hij voor de koopbeslissing staat. En dan nog blijft de onzekerheid van de levensduur. Daarom kiezen velen voor de zekerheid van een verzekering, ongeacht de kosten.

    • Adriaan Hiele