Het 'stille goud' (2)

De druk van de gepensioneerden om bij het bestuur van de fondsen te worden betrokken heeft niet - zoals prof. Lutjens veronderstelt - te maken met een onredelijke eis om pensioenkapitaal te gaan verdelen.

Het gaat primair om de zorg, dat niet op een onwettige wijze zal worden beschikt over de voor pensioen bestemde gelden. Enkele grote en vele kleine pensioenfondsen stellen zich immers - gesteund door de Verzekeringskamer - op het zeer onredelijke standpunt dat het recht op uitgesteld pensioen (de zgn. slapers) zelfs bij een 'hyper-inflatie' op nominale wijze en niet naar de materiële inhoud van de toezegging moet worden uitbetaald. Vele tienduizenden uitgestelde pensioenrechten zijn hierdoor sterk ontwaard en komen steeds verder in het slop, terwijl de fondsen goede sier maken met hoge koerswinsten die consequent als vrije overreserve worden geboekt.

De doelstelling van de pensioenfondsen is het verschaffen van een redelijk bestaan na pensionering, gebaseerd op eind- of middelloon tijdens de werkzame periode. Dit loonbedrag was een 'omschrijving van bestedingsruimte' bij een in dat tijdvak uitgeoefende functie. Zo'n verband met bestedingsruimte blijkt achteraf in de ogen van de fondsbesturen niet meer relevant. Gebruikmakend van de inflatoire ontwikkeling worden de uitgestelde pensioenrechten nominaal afgedaan met een onveranderd aantal sterk ontwaarde guldens. Via de wel gestegen fondsbeleggingen worden aldus vrije overreserves gecreëerd voor 'onwettige liefhebbers'. Dat door deze uitholling de eigenlijke doelstelling van pensioenfondsen te loor gaan, wordt ontkend met de drogredenering dat het recht op (slapers-)pensioen zou zijn gekoppeld aan de zgn. vaste rekenrente. Deze rekenrente is echter bedoeld voor gegarandeerdevermogensvorming bij de fondsen. Bij realisatie van de pensioenen conform de materiële inhoud van de toezegging zou én de vrije overreserve zijn opgelost én de deelname van gepensioneerden in de fondsbesturen minder nodig worden.