Degas, verzamelaar

De levensgeschiedenis van een verzamelaar is vaak meeslepende, zelden opwekkende lectuur. Meeslepend door de toewijding, liefde, hartstocht, energie, toenemende deskundigheid en kieskeurigheid waarmee zo iemand de voorwerpen van zijn begeren binnen zijn muren haalt; treurig stemmend omdat weinig zo manifest eindig is als een verzameling.

De eigenaar is de unieke magneet die dat bezit bij elkaar houdt. Eigenaar dood, magnetisme weg. Het geheel vliegt uit elkaar zoals het de aarde zou gebeuren als de zwaartekracht werd opgeheven. Dan wordt alles verkocht. Dat wil zeggen: ieder stuk staat weer op zichzelf, onbeschermd, wordt geschat, bekeken, ondergaat de vernedering van de koopwaar. Het is maar goed dat de verzamelaar het allemaal niet meer hoeft mee te maken. Wel kun je je in de verte nog voorstellen, hoe hij zich heeft gevoeld bij het afscheid van zijn aardse kostbaarheden.

Edgar Degas (1834-1917) begon op latere leeftijd kunst te verzamelen, ongeveer op de manier die ik hierboven heb beschreven. Hij kocht werk van Ingres en Delacroix (veel) en van Manet, Cézanne, Gauguin, Daumier, Gavarni en een lange reeks anderen. Op den duur omvatte de verzameling meer dan 5.000 schilderijen, grafiek, tekeningen, nog het een en ander. Dat hing aan de muur of hij had het zorgvuldig opgeborgen in zijn huis aan de rue Victor Massé. Hij overwoog het Museum Degas op te richten.

Toen, in 1912, kwamen er projectontwikkelaars. Degas moest verhuizen naar een huurappartement aan de boulevard de Clichy. Hij was 78, slecht ter been en al bijna blind, maar in zijn oude huis wist hij nauwkeurig waar zijn bezit zich bevond. Zoals dat bij verzamelaars meer dan bij - wat dit aangaat - gewone mensen het geval is (veronderstel ik), is hun huis de wereld. Voor Degas werd de wereld opgeheven. De verzameling werd ingepakt en naar het nieuwe onderkomen gebracht. Een klein aantal stukken kreeg weer de plaats die ze verdienden; de rest werd tegen de muur gezet, opgestapeld, onder tafels gelegd. Daarbij ook een paar door hem zelf geschilderde meesterwerken waarvan hij geen afscheid had kunnen nemen. Daar heeft hij nog vijf jaar in de resten van zijn eigen wereldorde geleefd, alleen, want hij is nooit getrouwd en zijn huishoudster was ziek geworden.

Dat Degas verzamelde was algemeen bekend. De omvang van de verzameling werd pas na zijn dood ontdekt. Men stond verstomd, eerst over de toestand waarin de veelheid zich bevond, onder het stof, opgepakt in het onverwarmde onderkomen van de gestorvene; daarna van de rijkdom. Anderhalve maand had men nodig om alles te catalogiseren en daarna vijf veilingen voor de verzameling onder de nieuwe liefhebbers in de vier windrichtingen was verspreid. Daarmee zou het zijn afgelopen, als niet het Metropolitan Museum of Art in New York erin was geslaagd, van heinde en verre een groot deel van de collectie voor een tentoonstelling weer bij elkaar te brengen. Vier zalen vol. Een zeldzaam eerbetoon.

Het is een tentoonstelling van twee werelden: die van de tijd waarin Degas heeft geleefd, de negentiende eeuw in Frankrijk, over het algemeen op zijn mooist, en die van de verzamelaar. De eerste van rust en zelfverzekerdheid zoals die spreekt uit de portretten, of van de elegantie in de balletdanseressen, de zomer van Renoir. En de andere van Degas zelf. Er is een portret van hem, in 1882 getekend door Paul Mathey. Hij is 48, staat te kijken naar een etsje of schilderijtje. Hij is al vrij dik, zijn jasje en broek zitten slobberig, zijn houding en blik zijn die van de sceptische kenner, geïnteresseerd, altijd. Maar dit, zie je aan de hele voorstelling, kan niet veel bijzonders zijn.

Het loopt storm in het museum. Het is weer kijkdag, voor de verzameling zich opnieuw ontbindt en dan waarschijnlijk voorgoed. Wat zou je zelf willen hebben? Eigenlijk had ik mijn oog laten vallen op een tafereel uit de paardenrennen van Longchamps, een litho gemaakt door Manet. De renbaan is kortgeleden verbeterd, de kunstenaar heeft nu een plek ontdekt waar hij de paarden in volle ren kan zien en dus vastleggen. Je hoeft niet per se een paardenliefhebber te zijn om meteen dit rennen te willen hebben. Het is nu in het bezit van de Nasjonalgalleriet in Oslo.

Bij de tentoonstelling hoort een catalogus. Daarin staat een aantal bijdragen over de verzamelaar. Een is ontroerend: die van Caroline Durand-Ruel Godfroy, kleindochter van Joseph Durand-Ruel, de kenner die samen met de kunsthandelaar Ambroise Vollard in 1917 en 1918 de inventarisatie en de beschrijving heeft gemaakt. Ze heeft alleen opgeschreven wat haar grootvader haar heeft verteld over zijn dagen in het huis van de gestorvene. Die tekst hoort bij de tentoonstelling van nu, die moet je lezen om goed te kunnen begrijpen hoe het met een verzameling afloopt.

    • S. Montag