Beleggen voor minima blijft sappelen

Tennis, golf en beleggen. Waren dat vroeger niet dè sporten van de happy few? Die tijden van klasse-onderscheid lijken lang voorbij. Een aanhoudend tijdperk van economische groei, stijgende lonen, toenemende besparingen en lage rentestanden hebben de happy few van weleer doen uitdijen tot een brede happy many.

Zo slaat een grote schare werkenden tegenwoordig na kantoortijd vanzelfsprekend balletjes met collega's; en tijdens hun netwerk-borrels komen allicht recente succesjes op de effectenbeurs ter sprake. Vooral de aandelenhandel lijkt zich te ontwikkelen tot volkssport nummer één. In 1996 was de waarde van door particulieren verhandelde aandelen ruim twee keer zo groot als het jaar ervoor. Beleggen - ergo rijk worden - lijkt tegenwoordig weggelegd voor iedereen. Tenminste? Je moet natuurlijk wel wat te beleggen hebben. Maar hoeveel? Zijn er al beurs-mogelijkheden voor minima?

Die zijn er zeker. Een veilige en voordelige beursstart is de oprichting van een eigen beleggingsstudieclub. Bij de Nederlandse Centrale Vereniging van Beleggingsstudieclubs (NCVB) zijn al 825 van die verenigingen aangesloten. Samen tellen ze ruim 9.000 leden. Elk lid betaalt jaarlijks 35 gulden contributie. Daarnaast legt men periodiek geld in om te beleggen. 'Wij raden aan die bedragen te beperken tot zo'n 25 gulden per lid per maand', vertelt Gerry Bosman, regiomanager van de NCVB in Noord Brabant. 'Ook iemand die van een minimum moet rondkomen, kan dat waarschijnlijk opbrengen. En al lijkt het weinig: een club van twintig man heeft zo toch maandelijks 500 gulden bij elkaar; na drie jaar heeft men zelfs 18.000 gulden om mee te beleggen.'

Het moet gezegd: beleggingstudieclubs leggen meer nadruk op studie dan op winst. De regio's organiseren regelmatig bedrijfpresentaties, lezingen of bedrijfsbezoeken. Leden mogen daarnaast gratis meedoen aan de jaarlijkse Beurscompetitie. De omvang van het feitelijke beleggen is meestal bescheiden, want begin van dit jaar bedroeg het gemiddeld vermogen per club zo'n 50.000 gulden. Beleggingsbeslissingen worden gezamenlijk genomen. Elk lid houdt daartoe dagelijks financiële informatie bij. 'Minima hebben weliswaar vaak geen krant', weet Bosman, 'maar je kunt die ook gratis lezen in een bibliotheek. En als je teletekst op je televisie hebt, kun je de hele dag door beursberichten volgen.'

Beleggen in clubverband vergt wel enig initiatief. Bestaande clubs die goed draaien, zitten uiteraard niet te wachten op onervaren nieuwkomers. Tweemaal per jaar organiseert Bosman daarom ontmoetingsavonden voor eenlingen. Het alternatief is zelf geïnteresseerden werven en je als club aanmelden bij de NCVB.

Mensen met lage inkomens blijken ook te vinden op beleggingscursussen. De laagdrempelige cursus beleggen aan de Volksuniversiteit in Amsterdam telt volgens docent Tom Loonen, overdag vermogensbeheerder bij een effectenbank, in ieder geval een student, een jonge buschauffeur en iemand met een uitkering. Beleggen met lage bedragen kan volgens Loonen zeker, maar, zo relativeert hij: 'Voor direct op de beurs beleggen, vindt ik 10.000 tot 25.000 gulden wel het minimum vanwege de kosten en de vereiste spreiding. Als je met duizend gulden aan de slag wilt, kun je beter een goed gespreid beleggingsfonds met lage aan- en verkoopkosten nemen en dat jaren laten staan. Dan heb je niet het effect van tijdelijke dips.'

Over 10.000 tot 25.000 gulden beschikken minima natuurlijk niet. De Vereniging van Effecten Bezitters(VEB) waarschuwt echter voor beleggen met geleend geld. 'Als je daarbij van toeten nog blazen weet, dan zijn de risico's natuurlijk nog groter', zegt een woordvoerder. Loonen kent de gevolgen uit de praktijk. 'Pas kreeg ik 's morgens een telefoontje van een vrouw met twee huilende kinderen op de achtergrond. Ze had voor 3.000 gulden ING IT-fonds gekocht toen dit fonds op een historisch hoogtepunt stond, maar nu had ze het geld nodig voor een wasmachine.'

Je moet slechts beleggen met geld dat je echt niet nodig hebt voor je pindakaas, ham, woninghuur, verwarming en bus of trein, vindt Bosman. Die stelregel betekent voor minima dat ze slechts van start kunnen met lage bedragen. En met hoop. Succesverhalen bestaan namelijk. Zo herinnert Bosman zich de twintig man sterke club die maandelijks 25 gulden per lid inbracht. 'Na een jaar of drie hadden ze samen een ton.' Loonen kent daarnaast verhalen van waaghalzen die met een minimuminleg van twee- tot drieduizend gulden in de beurshausse net goed gokten.

De hoop op maakbare rijkdom klinkt vaak sterker door in Amerikaanse literatuur over persoonlijke financiën. Zo schrijft Brett Machtig in zijn boek met de veelzeggende titel Wealth in a decade: 'Ik geloof dat iedereen die beschikt over een plan, zelfdiscipline, beleggingskennis, en enig geduld rijk kan worden.' Geldt dat ook voor de alleenstaande bijstandsmoeder? Stel dat ze erin slaagt jarenlang maandelijks vijfentwintig gulden opzij te zetten. Die driehonderd gulden per jaar investeert ze in een met zorg gekozen beleggingsfonds. Als ze dat dertig jaar lang volhoudt, en gemiddeld een rendement haalt van 10 procent per jaar, dan kan ze na dertig jaar beschikken over een kapitaaltje van bijna 50.000 gulden. Inflatie maakt dat geld tegen die tijd uiteraard minder waard dan nu. Bij zo'n 2 procent waardevermindering per jaar is dat bedrag vergelijkbaar met circa 30.000 gulden nu. Net genoeg dus voor een middenklasse auto. Of dat rijkdom is? Minima kunnen beleggen, maar het blijft sappelen.

    • Erica Verdegaal