Als iemand partijdig was, was het Renate

Het weerwoord van Aad Nuis op het proefschrift van Regina Grüter over de zaak-Weinreb in NRC Handelsblad van 5 november vereist op een aantal punten een reactie.

Nuis schrijft dat de conclusie van het rapport door A.J. van der Leeuw en mr. D. Giltay Veth over de zaak-Weinreb was dat het proces tegen Weinreb in 1948 “ernstige gebreken had vertoond” en “inderdaad niet had gedeugd”. In werkelijkheid was de conclusie van dit rapport dat, als het proces rekening had gehouden met alles wat over Weinreb sindsdien bekend was geworden, de straf zeer veel hoger zou zijn uitgevallen.

Nuis vindt dat Van der Leeuw en Giltay Veth “zeer partijdig te werk waren gegaan”. Mijns inziens echter zouden zij niet zeven jaar aan hun onderzoek hebben besteed als zij werkelijk partijdig waren geweest. Dat hadden zij met een veel korter onderzoek kunnen volstaan. Ook is dit verwijt van 'partijdigheid' vreemd uit de pen van iemand als Nuis, die zo nauw heeft samengewerkt in deze zaak met Renate Rubinstein. Wat men ook van haar vindt, zij was in elk geval meer dan uitermate partijdig in deze zaak en dit niet op grond van degelijk bronnenonderzoek van jaren, maar uitsluitend na het lezen van het betreffende hoofdstukje over Weinreb in Pressers Ondergang, en vervolgens door contact met Weinreb zelf. Als er iemand subjectief was, dan was zij dit wel. Zij zag zich als een tweede Emile Zola in de Affaire Dreyfus.

Nuis schrijft dat een aantal van de in het Rapport aangehaalde getuigen tegen Weinreb “duidelijk onbetrouwbaar waren gebleken in andere zaken.” Hij noemt hun namen niet, en zegt evenmin hoeveel dit er zijn inziens waren. In elk geval moeten zij zeer verre in de minderheid zijn geweest, en staat daartegenover een zeer groot aantal wèl betrouwbare getuigen.

Nuis schrijft: “Het bewijs van verraad acht ik in geen enkel geval werkelijk overtuigend bewezen”. Later spreekt hij van “de totstandkoming van de lijst”. Hij maakt daarbij geen onderscheid tussen de eerste en de tweede lijst-Weinreb. Bij de eerste lijst, waarbij hij joden die zich bij hem à raison van 100 gulden per persoon lieten registreren voor vertrek naar het neutrale Portugal, was inderdaad zijn drijfveer niet verraad maar geldzucht en geldingsdrang. Registratie voor deze eerste lijst begon in februari/maart 1942 en eindigde op 11 september 1942. Er bestond toen overigens ook een eerste, een tweede, een derde en een reservelijst, verband houdend met de volgorde van vertrek naar het buitenland van de daarop voorkomende geregistreerden.

Weinreb zelf werd, nadat door de Sipo (Sicherheitspolizei) zijn bewering dat zijn lijst berustte op zijn bescherming door een zekere fictieve generaal Joachim von Schumann in Berlijn was ontmaskerd, op 19 januari 1943 gearresteerd en in de cellenbarakken van Scheveningen opgesloten. Daar maakte hij zich schuldig aan celspionage voor de Duitsers, onder andere in het geval van de arts J. Kalker in midden juli 1943, waardoor ook de groep die hem onderdak had verleend gearresteerd werd.

De tweede Weinreb-lijst stelde hij in gevangenschap op in samenwerking met de Sipo. Hierbij zouden joden, niet alleen in Nederland maar ook in België, worden geruild tegen in Zuid-Amerika geïnterneerde Duitsers. Hiertoe bezocht hij, begeleid door twee 'foute' Nederlandse politiebeambten, eerst Antwerpen en Brussel, waarbij hij ondergedoken joden via het AJB (Association des Juifs de Belgique) opriep zich bij hem te laten registreren, en vervolgens Westerbork. Ook hier beloofde hij hun die zich bij hem lieten registreren een zogenaamde Sperre, die hun vrijwaarde tegen deportatie. Deze Sperre verloor echter reeds na enige dagen haar geldigheid en de daarop geregistreerden werden op 9 februari 1944 naar Auschwitz gedeporteerd. Weinreb echter kreeg zelf met zijn vrouw en kinderen de mogelijkheid Westerbork weer te verlaten en onder te duiken. Bij deze tweede lijst was zijn motief mogelijk in de eerste plaats zichzelf en zijn gezin te redden, maar hij deinsde daarbij niet terug voor verraad.

Anderzijds is de constatering van Nuis dat inmiddels wel is komen vast te staan dat Weinreb een “naar” karakter had mijns inziens te simplistisch. Hij was ongetwijfeld een bedrieger en een fantast. Maar hij moet daarnaast een grote charme en zelfs een zeker charisma hebben bezeten, dat hem steeds weer in staat stelde velen - joden en niet-joden - tijdens en na de bezetting in hem te doen geloven.

Ten slotte de kritiek van Nuis op de stelling van Regina Grüter dat het vooral “linkse intellectuelen” waren die het eind jaren zestig voor Weinreb opnamen, “in een ideologisch bepaalde stormloop op de gevestigde orde”. Nuis acht zichzelf geen 'linkse intellectueel', maar was destijds wel gekant tegen misstanden in de toenmalige (Nederlandse) maatschappij en tegen het autoriteitsgeloof. Nuis besteedt uitvoerige aandacht - ongeveer een derde van zijn gehele weerwoord - aan de weerlegging van deze bestempeling van hem als 'links intellectueel'. Nuis kwam er uitsluitend toe het voor Weinreb op te nemen omdat “iemand uiterst unfair leek te worden behandeld door mensen die macht over hem hadden”. Dit kan wel zo zijn, maar het is, behalve voor Nuis zelf, verder van weinig belang. Zijn opkomen tegen “unfaire behandeling” strekt zich blijkbaar overigens niet uit tot hen die destijds door hem, Renate Rubinstein en bijvoorbeeld Dick Houwaart wegens hun bestrijding van Weinreb verketterd werden.

    • Henriëtte Boas