Als de pomp eens hapert

Het hart is de heilige graal van de mens. Als je dat kunt repareren, heb je iets indrukwekkends verricht. Maar dat maakt hartchirurgen nog lang niet tot God, eerder tot een soort dr. Jekyll & mr. Hyde, vindt Bas de Mol. “De medische stand is net God als het om de ontwikkeling van het vak gaat, maar als er problemen zijn, laat deze god je heel erg stikken.”

De medische arrogantie en splendid isolation van zijn vakgenoten ergeren hem bijzonder en verleiden tot opmerkelijke uitspraken. “Ik ben vroeger tropenarts geweest. Nu ben ik cardiopulmonaal chirurg in het AMC, en behandel patiënten met hart- en vaatproblemen. Toch denk ik vaak dat het zinvoller is om meerdere mensen kunstgebitten te geven, dan om één persoon van een nieuw hart te voorzien. Met een kunstgebit verbeter je de kwaliteit van het leven en voorkom je noodlottig verslikken en zelfs ondervoeding”, aldus De Mol. Boven zijn hoofd, als herinnering aan toen, een grote foto van hemzelf in een jeep in de woestijn - er tegenover twee recentere portretten van zijn dochtertjes. Behalve chirurg in Amsterdam is De Mol ook hoogleraar in de Veiligheidskunde aan de TU te Delft. Dat zijn intreerede 'Hommage aan de Kwakzalver' heet, versterkt nog eens extra het Pietje-Bellgevoel dat deze jonge professor oproept.

Hij verdedigt z'n standpunten met respectabele wapens - De Mol is ook nog jurist, met als specialisatie productaansprakelijkheid. De ontwikkelingen in zijn vak demonstreren dat de techniek de mens eigenlijk al voorbij is en dat de gezondheidszorg juist door die geavanceerdheid wel wat veiligheidskunde kan gebruiken. Computertjes in pacemakers en dergelijke zijn tegenwoordig zo sophisticated dat bijna niemand er meer mee om kan gaan, de patiënt al helemaal niet.

“Er is bijna geen cardioloog die de pacemakers van tegenwoordig custom tailored kan programmeren. Degene die het apparaat het beste kent, is de fabrikant. Maar hoe meer technisch vernuft deze erin stopt, hoe groter zijn verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid - wat er in Amerika al toe leidt dat de ontwikkelingen stil komen te liggen”, vertelt de hoogleraar/chirurg die het bij voorkeur vanuit de gebruikers bekijkt. Hij hoopt er desalniettemin op dat deze smart devices binnen vijf jaar lichte hartritmestoornissen kunnen bijsturen. “Als ze het hart ook kunnen defibrileren is dat een belangrijke preventieve eigenschap. Wanneer een hartritmestoornis de patiënt overvalt, raakt deze eerst een beetje bewusteloos en krijgt daarna een schok. Levensgevaarlijk natuurlijk, als dit gebeurt terwijl hij in een auto zit.”

Als chirurg trekt hij mensen verder broekjes en pijpjes aan, wat betekent dat hij ze van kunststof bloedvaten voorziet. Daarnaast rust hij ze wat protheses betreft ook nog uit met nieuwe hartkleppen en halve kunstharten. Zo'n half hart ondersteunt het menselijk hart in z'n functies of vervangt enkele ervan, evenals de heart mate. Dit halve hart zit met draadjes aan de mens verbonden, en wordt door de patiënt in een karretje voor zich uitgeduwd in afwachting van een echte harttransplantatie. Een compleet kunsthart is in Nederland nog voor niemand weggelegd. Het is te duur, er wordt te weinig onderzoek gedaan naar de deugdelijkheid ervan en de doelgroep is naar verhouding klein.

Bovendien zal een kunsthart, in tegenstelling tot het menselijke of dierlijke origineel, nooit hormonen kunnen produceren en onbekend is wat dat voor gevolgen heeft. Doordat lichaamsvreemde kunststoffen ook nog eens een grotere kans op infectie of stolselvorming geven, prefereren de chirurgen bij ernstige problemen transplantaties van mensenharten. Tot nu toe, althans, want momenteel wordt ook geëxperimenteerd met het transgene hart: “Dat zijn harten van speciaal gefokte varkens wier genen zodanig zijn gemanipuleerd dat de organen niet door mensen worden afgestoten. Maar hoe de interactie tussen een transgeen varkenshart en een mens zal verlopen, weten we ook nog niet.”

Omdat de prothese voor het hart voortdurend meer hightech wordt, zal het AMC binnenkort ook ingenieurs in dienst hebben. En van de vragen die zij dan samen met de artsen willen beantwoorden, luidt: wat doe je als het fout gaat? De Mol: “We zijn in ons vak te snel geneigd te denken dat we iets maken dat niet stuk kan. Maar dat is nog lang niet zo. Het is wel ons streven. Maar de nieuwe dingen moeten eigenlijk vooral bruikbaar blijven voor de patiënt. Want het menselijk hart mag dan uiteindelijk gewoon een pomp zijn, je hebt het blijkbaar niet één-twee-drie nagemaakt.”

    • Dido Michielsen