Vrouwen aan het kruis; De kunst van het 19de-eeuwse naakt in Parijs

Op foto's van 'kunstzinnige' naakten lijkt schaamhaar taboe. Maar op foto's van naakten voor kunstenaars uit de vorige eeuw, die nu in Parijs te zien zijn, hoefde in de schaamstreek niets weggeschilderd te worden. “Sommige hebben de klassieke champagneglasvorm, dan weer zijn ze ruitvormig; weer andere zijn rond als een panspons.”

l'Art du nu au XIXe siècle, Bibliothèque nationale de France-François-Mitter- rand, 14 October 1997 tot 18 Januari 1998.

Een van de zwartste bladzijden uit mijn leven is dat ik eens een kunsttijdschrift ontoelaatbaar lang heb laten wachten op een bijdrage die ik beloofd had. Wat was erger: mij onmogelijk maken bij de redactie of mij blameren met een tekst die uit wartaal bestond? Ik koos het eerste.

De bedoeling was dat ik zou schrijven over het naakt in de beeldende kunst. Ik had daarover een bepaald idee in mijn hoofd, namelijk dat in de klassieke schilderkunst altijd heeft gegolden dat een naakt, om als kunstwerk te kunnen gelden, sexueel onaantrekkelijk moest zijn. En daarom was er met de ontelbare naakten die de Westerse schilderkunst heeft voortgebracht bijna altijd wat mis, iets dat maakte dat je er niet met plezier naar keek.Vervolgens probeerde ik duidelijk te maken wat dat was en dat lukte niet. Bij iedere poging om criteria te vinden leek het of ik er alleen maar in slaagde irrelevante, buitenissige of perverse opvattingen te formuleren over vrouwelijk schoon. En toch was het verschijnsel naar mijn overtuiging reeël; naakte vrouwen in de Westerse beeldende kunst (met uitzondering van de Middeleeuwen en de moderne tijd) zijn opvallend onaantrekkelijk.

Een van de argumenten die ik erbij had gehaald was de naaktfotografie: voor de duidelijke scheiding die daarin bestond tussen 'kunstzinnige' naakten en naakten gefotografeerd met de bedoeling de demon der begeerte op te wekken waren hier concrete attributen aan te wijzen. Zo was er een aanwijsbaar verschil in gezichtsuitdrukking: kunstzinnige naakten keken anders; een vrolijk gezicht was blijkbaar onkunstzinnig; lachen was kennelijk verboden, dat was iets afkomstig uit de zondige wereld der lusten; was het van Christus ook niet ondenkbaar dat hij ooit zou hebben gelachen? En echt concreet, in de betekenis van pogingen iets aan de zichtbare werkelijkheid te veranderen met het doel een foto de status van kunstzinnigheid te geven, was het wegretoucheren van schaamhaar. Klassieke naakten op schilderijen hadden die verfoeilijke begroeiing immers ook niet. (Uit het feit dat een beroemde kunsthistoricus en estheet als John Ruskin (1819-1900) door afgrijzen werd aangegrepen toen hij op zijn huwelijksnacht ontdekte dat zijn vrouw niet was zoals op de schilderijen, mag worden afgeleid hoe machtig en hoe moeilijk invoelbaar opvattingen uit voorbije periodes kunnen zijn).

Aan de andere kant kon dit retoucheren van naaktfoto's ook worden uitgelegd als middel om jeugd te suggereren; soms was dat, zij het alweer met libidineuze bijgedachten, ook duidelijk de bedoeling. Was dat dan de essentie van de geschilderde kunstzinnige naakten: dat ze ter plaatse haarloos waren zonder dat het jeugd suggereerde? Een soort voortijdige ouderdomskaalheid, of een teken dat zij daar ook anatomisch glad waren, dichtgegroeid, impenetrabel in de letterlijke betekenis van het woord? Soms leek het of alles evengoed zijn tegendeel kon betekenen; er doemden steeds nieuwe complicaties op en het tijdschrift verscheen tenslotte zonder mijn bijdrage.

Voorstudies

Dat is nu allemaal jaren geleden, maar vorige week bezocht ik in Parijs l'Art du nu au XIXe siècle - de kunst van het naakt in de 19de eeuw - en het bracht mij mijn pogingen om door te dringen in dit onderwerp levendig in de herinnering. Nu is er hier met die foto's wel iets speciaals aan de hand: het gaat vooral om naaktfoto's die door schilders als voorstudie voor hun schilderijen werden gebruikt (zoals bijvoorbeeld Breitner en Witsen dat in Nederland hebben gedaan), en deze onderscheiden zich juist weer van 'kunst'-foto's doordat ze die plaatselijke retouchering niet hebben. De redenering was hier ongetwijfeld dat dit voor kunstschilders niet nodig was: de foto's vervingen immers een levend model; zo kan het gebeuren dat deze afbeeldingen vaak opvallende voorbeelden bieden van Kritisch Bosbeheer - dat zoals men weet juist een beleid voorstaat waar geen snoeischaar aan te pas komt, zodat er grote ondoordringbare wouden kunnen ontstaan waar het daglicht zelden in doordringt.

Niet zonder morbide nieuwsgierigheid bekijkt de onervaren bezoeker (de niet-gynaecoloog) de individuele verschillen in vegetatie van deze anders aan het oog onttrokken regionen. Sommige hebben bijna iets kuis, de romp is dan bijna tot aan de navel aan het oog onttrokken als door een soort wollen broekje; andere zijn niet meer dan een smalle strook vruchtbare aarde bij een verborgen bron. Sommige hebben de klassieke champagneglasvorm, dan weer zijn ze ruitvormig (met één punt naar boven, herinnerend aan het hoofddeksel van Erasmus); weer andere zijn rond als een panspons.

Nog zonderlinger is de overeenkomstige aanblik van de mannelijke modellen: waar het vaak op lijkt is drie (niet twee maar drie) ramboetans op een rijtje. Merkwaardig is ook hoe deze mannen (er wordt op die foto's veel gesport en geworsteld) doen denken aan oude portretten van Transvaalse boeren; Piet Retief en Pieter Maritz in Adamscostuum, pezig en baardig. Maar ik dwaal af.

Bij de fotografen die voor schilders gewerkt hebben zijn een paar bekende, zoals Nadar, maar meest onbekende. Enkele namen zijn: Julien Vallou de Villeneuve, Louis Camille d'Olivier, Guglielmo Marconi, Louis Bonnard, Louis Igout, Eugène Durieu, Henry Voland. De tentoonstelling geeft een paar frappante voorbeelden, vooral uit het werk van Courbet en Delacroix, van schilderijen die ongetwijfeld naar een bepaalde foto werden geschilderd. Veel foto's zijn van vóór 1855.

Ongewassen

Het is duidelijk dat de komst van de fotografie niet door alle kunstschilders met evenveel enthousiasme werd begroet. In 1862 tekenden Ingres en tientallen andere kunstenaars een protest 'tegen iedere gelijkstelling van de fotografie aan kunst'. Een schilder die niet wilde tekenen was Delacroix. Van 1847 tot 1856 experimenteerde hij zelf met fotografie, en in 1854 bestelde hij bij de fotograaf Eugène Durieu een serie poses in een cahier dat nog bestaat en dat zichtbaar gediend heeft voor diverse tekeningen en tenminste één schilderij. Op dat tijdstip spraken de gebroeders Goncourt nog van la bêtise du daguerréotype en Henri Delaborde fulmineerde in de Revue des deux mondes tegen de fotografie, die 'niet meer is dan een treurige afbeelding van het menselijk wezen, zonder enige stijl, met een overdreven weergave van de onvolkomenheden der natuur.'

Vreemd genoeg is daar iets van waar; als je de tentoongestelde foto's bekijkt is het geen absurde uitspraak. Wat veel van die naakten ontbreekt is een soort gratie, het zijn vaak blote mevrouwen met iets stopverfachtigs, iets ongewassens; wat mij nog sterker opviel is dat de gezichten, in elk geval die van de mannen, meestal niet mooi zijn, of zelfs iets onaangenaams hebben, zoals in pornografische films. Misschien relevant daarbij is dat op sommige naaktfoto's de gezichten gemaskerd zijn, of op andere wijze onzichtbaar gemaakt. Het wegretoucheren heeft zich van de pubis naar het gezicht verplaatst. Nog iets vreemds is dat de foto's een enkele maal anatomische onjuistheden lijken te bevatten, een heup die verkeerd zit, een dij die te kort is; als het een tekening was zou je het voor onhandigheid aanzien (zie bijvoorbeeld het rechtbeen van een van de worstelende meisjes op foto 69, blz 73).

Aandoenlijk zijn de ruitjes, hier en daar over de foto's, die het natekenen moesten vergemakkelijken; maar wat mij vooral verraste was de populariteit van het thema vrouwen aan het kruis. Hier blijkt wel dat de gedachte dat vrouwen in de erotiek altijd de rol van slachtoffer vervullen van alle tijden is. En hoe kijken ze erbij? Een beetje verveeld, en zelfs vrolijk.

    • Rudy Kousbroek