Twee tentoonstellingen van schilder Henri Jacobs; Schilderijen zijn de maskers van de dood

Als je door een schilderij heen stapt kom je tussen de spielatten en de muur. Henri Jacobs laat de blik van de kijker daar vaak terecht komen. “Het oog schakelt voortdurend om: van de wereld van het schilderij naar het hier en nu.”

Henri Jacobs: een keuze uit twaalf jaar schilderen en tekenen. In Museum Jan Cunen, Molenstraat 65, Oss. Tot 7 december. di - zo 12.30 - 16.30 uur. Recent werk van Jacobs zal ook te zien zijn in het stedelijk museum van Schiedam, Hoogstraat 112, 29 november tot 11 januari. di - za 11-17 uur, zo 12.30 - 17 uur. Catalogus, ontworpen door de kunstenaar, 72 blz., ƒ 27,50.

De glazen deuren waardoor ik naar buiten kijk zijn opgedeeld in ruiten. De witgeverfde spijlen steken donker beschaduwd af tegen de egaal lichtgrijze hemel erachter. Door dit vensterraster zie ik een treurwilg, het regelmatig patroon van smalle grijsgroene bladeren als verfstreekjes afhangend van stam en takken. Tussen venster en boom ligt het terras, en achter de boom, zichtbaar door de bladeren heen, is diepte tot aan de horizon. In de vallende schemering werpt het lamplicht op het glas een spiegelend parallellogram dat de blik terugkaatst, de kamer in. Het is als een web van transparante lagen, van glas en raster, boom, weerspiegeling. Een web waar de blik in verstrikt kan raken. Het vertrouwde uitzicht komt mij plotseling voor als nieuw en mysterieus. Het komt door de schilderijen van Henri Jacobs (1957), die ik een paar dagen geleden heb bekeken, dat ik dit nu zo zie. Zijn boek ligt voor me op tafel. Het uitzicht op mijn tuin is op dit moment van Jacobs; ik heb even zijn ogen geleend.

Voor Jacobs, die in 1990 afstudeerde aan de Rijksakademie, daarna een jaar verbleef in het Van Doesburghuis in Meudon bij Parijs, en die nu in Brussel woont, is het vertrekpunt van zijn werk het aloude gegeven van het schilderij als venster op de wereld. Het idee dat de lijst een raamkozijn is dat een illusionistisch beeld van de werkelijkheid omsluit, heeft vanaf de Renaissance tot in de 20ste eeuw de schilderkunst bepaald. Voor Jacobs is het schilderij nog steeds een venster. Alleen, hij wil geen geïdealiseerde afbeelding laten zien, maar de 'echte' wereld het schilderij binnenhalen. Jacobs opent het schilderij, naar de kamer waarin het hangt, naar een wereld van vlees en bloed. Tegelijkertijd blijft het schilderij ook beeld, het is verf op een plat vlak. Je ziet iets wat niet 'echt' is, een huis of een landschap, en je weet heel goed dat je kijkt naar verf en doek. Die wonderlijke gelijktijdigheid van beeld en materie jaagt Jacobs verbeten na.

'Oracle' heet een schilderij uit 1993 van de façade van een huis. Er gebeuren vreemde dingen in. Een blauw vlak onderaan oogt als een landschappelijke verte achter de façade, terwijl het iets donkerder blauwe vlak bovenaan zich voordoet als een hemel vóór de façade. De vensters in de gevel openen tegelijkertijd naar twee kanten. Achter de façade, in het landschap, is het dag, met een lichte lucht; en ervoor is het nacht, en hier is de lichte lucht veranderd in lamplicht dat 's avonds door de ramen schijnt. Het hele schilderij is geperforeerd met gaten waar muur en spielatten doorheen zijn te zien. Het oog schakelt voortdurend om: van nacht naar dag, en van landschappelijke verte naar nabijheid, van de wereld van het schilderij naar het hier en nu, van het doek naar de wand.

Oneindig

Wat gebeurt er wanneer je door een schilderij stapt? Dan kom je gewoon terecht tussen de spielatten en de muur. Lucio Fontana suggereerde met zijn ingekerfde doeken, die hij Concetti Spaziali noemde, dat daar achter het doek een 'oneindige, goddelijke ruimte' was - een gedachte die heel mooi was, maar nog steeds op illusie gebaseerd. Jacobs gelooft daar niet in, en hij laat de beschouwer belanden in het schemergebied tussen linnen en wand. Hij opent het schilderij door rasters van gaten, want 'het raster filtert de blik' zoals hij zegt, en vervolgens 'valt de kijker met struikelende blik dóór het schilderij'. Om het schilderij verder zo onillusionistisch mogelijk te doen zijn, dompelt hij bijvoorbeeld het doek onder in een verfbad zodat, zoals hij zegt, 'de verf zichzelf vormgeeft'. Graag zou Jacobs eens een gobelin maken, want dan is het materiaal zélf meteen het beeld, zonder dat het nog beschilderd hoeft te worden.

De achterkant van het schilderij speelt bij Jacobs dan ook een belangrijke rol; sommige van zijn doeken zijn zelfs tweezijdig en kunnen naar believen worden omgedraaid. Zoals hij in 1990 schreef: “De kunstenaar bouwt aan een façade, bedekt de voorzijde met lagen cosmetica en verbloemt de achterzijde, onttrekt de doodzijde van het schilderij aan het oog. Schilderijen zijn de maskers van de dood”. Jacobs wil zijn schilderijen niet dood, maar levend, en daartoe moet de façade worden ontmaskerd. Vorig jaar bouwde hij in museum de Pont in Tilburg een schilderij waar je letterlijk doorheen moest om het te kunnen zien. De bezoeker stapte er binnen door de achterkant, via spieraam-deuren. Aan de andere kant ontvouwde zich voor zijn blik een 'vlasvlakte' van gevlochten repen linnen die schuin toeliepen zodat diepte werd gesuggereerd, terwijl tegelijkertijd de gaten tussen de banen, die uitzicht boden op de spielatten en de ruimte erachter, die suggestie weer teniet deden. Dit werk zal deel uitmaken van de tentoonstelling van recent werk van Jacobs, die over twee weken in Schiedam opengaat.

In Museum Jan Cunen is te zien hoe Jacobs al twaalf jaar lang bezig is het schilderij te ontmaskeren. Prachtig is bijvoorbeeld 'Tristesse' (1993-95).

Het linnen is geperforeerd door vierkante gaten in verschillende, elkaar overlappende rasters. Gele verf bedekt én accentueert het spieraam dat het doek in vieren verdeelt, een grijszwart in de vlakken ertussen roept diepte op. Eén van de vier vlakken is bedekt met morsige verf in een mengeling van geel en zwart. Hier is het beeld 'afgedekt', alleen maar verf, geen ruimte. Dan is er nog een laag, een wit parallelogram in zes ruiten, dat precies lijkt op het spiegelende vlak in mijn glazen deur en ook op dezelfde wijze functioneert, het weerkaatst de blik. Het wemelt in het werk van Jacobs van, echte en geschilderde, spiegels, wanden, kozijnen, raampartijen. 'Tristesse' is een mooie, veelzeggende titel. Het drukt uit dat wat Jacobs najaagt in feite onbereikbaar is, dat zijn verlangen vruchteloos is. Want wat hij wil is het schilderij laten versmelten met de werkelijkheid; en daarmee het kijken, de blik, laten versmelten met dat wat er is, zoals het kijken van een kind dat nog één is met de wereld. Versmelting en eenwording zijn begrippen die steeds weer opduiken in door Jacobs geschreven teksten. Het op willen gaan in het andere, er deel van uit maken, verlost te zijn van zichzelf, zoals dat bijvoorbeeld gebeurt in de geslachtsdaad, is zijn belangrijkste drijfveer. Maar ook in de geslachtsdaad is 'tristesse', want man en vrouw zijn heel kort één, om daarna weer gescheiden en onvolmaakt te zijn. De volmaakte mens is volgens Jacobs de androgyne mens, de mens zoals hij ooit was in het Paradijs, in zichzelf volledig.

Verschillende 'portretten' op de tentoonstelling stellen deze androgyne mens voor, zoals bijvoorbeeld 'P'ees portret' (1992). Weer is hier raster en spiegelende ruit, maar nu is het doek verwond, opengereten, door slordige gaten. Het zijn twee ogen, twee neusgaten, twee oren, een vagina, een penis en een aarsgat. Overal in zijn werk zijn er deze verwijzingen naar het lichaam en naar seksualiteit. 'Lieu d'incubation' laat een gesloten dubbele deur zien, in diep oranje, waarachter een kamer in hemelsblauw en wit. Maar ondanks hun strenge barricadering, ondanks het raster van de rationaliteit, ondanks het materiële van het platte vlak, doordringen de deuren elkaar: bij de ene zijn er twee kleine uitstulpsels van tong en penis en het woordje 'sortie', en er is een rond gat en het woordje 'entrée'. Dit schilderij met zijn sobere veelzeggendheid en fraaie, geschuurde, geduldig bewerkte verfoppervlak is een van de hoogtepunten op de tentoonstelling. Het werk van Jacobs is vol van hunkering, en die hunkering is het die zijn schilderijen tot leven wekt.