Sweder van Wijnbergen, de nieuwe secretaris-generaal van Economische Zaken; Werkloosheid is het enige echte probleem in Nederland

Nu Sweder van Wijnbergen sinds kort secretaris-generaal van Economische Zaken is heeft hij een wat minder scherpe tong dan toen hij nog hoogleraar was. Maar zijn denkbeelden zijn niet veranderd: een PvdA'er die de vrije markt naar Angelsaksisch model voorstaat. Inclusief de grote invloed van aandeelhouders op het management, waar zijn minister nog wat huiverig voor is.

Hoe lang hij was weggeweest uit Nederland merkte Sweder van Wijnbergen (46) weer eens toen hij in december 1996 - hij was op dat moment nog hoogleraar staathuishoudkunde - werd gebeld door iemand van Egon Zehnder.

“Egon Zehnder”, vroeg Van Wijnbergen.

“U kent ons wel.”

“Ik ken u helemaal niet.”

Egon Zehnder is een van de deftigste executive searchers van Nederland. Wie door hen wordt gebeld, weet dat het om een mooie baan gaat. Een topbaan.

“Ik kan niet veel zeggen”, zei de man aan de andere kant van de lijn, “maar het is iets bij de overheid.”

“Dan hoeven we niet te praten”, zei Van Wijnbergen, “ik werk al voor de overheid.”

Hij kon niets leukers bedenken dan wat hij deed. Van Wijnbergen, PvdA'er, werkte in december nog bij de Universiteit van Amsterdam. En hij was adviseur van de regering van de Oekraïne, en daarvoor ook van de regeringen van Albanië, Polen, Bosnië en Mexico. Hij komt van de Wereldbank in Washington, daar werkte hij dertien jaar.

Secretaris-generaal van het ministerie van Economische Zaken - dat was het voorstel toen de headhunter uiteindelijk toch in het volgepropte kamertje aan de Roetersstraat zat. Den Haag dus. Van Wijnbergen had zo zijn gedachten over hoe het daar was. Gereglementeerd. Formeel. Weinig discussie. Lange tenen.

Wat hij van het beleid vond had hij in de vier jaar dat hij uit Amerika terug was al vaak verteld in vraaggesprekken en op opiniepagina's - zo kritisch dat hij onder economen niet alleen bekend staat als de meest in internationale vaktijdschriften geciteerde onderzoeker, maar ook als tegendraads en eigenzinnig. Banenplannen van Melkert? Nep. De werkloosheid, zegt Van Wijnbergen, wordt er alleen maar erger van. Studiefinanciering, informatietechnologie, pensioenen, uitkeringen, de liberalisering van telecommunicatie - over ongeveer alle grote thema's heeft hij zijn mening wel eens gegeven, en meestal niet subtiel. “Polen staat dichter bij de vrije markt dan Nederland”, zei hij een paar jaar geleden tegen deze krant toen hem naar zijn oordeel over noodzakelijke vernieuwingen in de economie werd gevraagd. Maar toen zat Koos Andriessen nog op Economische Zaken.

Over minister van EZ Hans Wijers had hij, na één jaar kabinet-Kok, ook wel eens wat lelijks gezegd - “ik hoor alleen wat over de nieuwe winkelsluitingswet en dat duurt eindeloos” - maar hij kreeg, zegt hij nu, toch al snel waardering voor wat Wijers in gang zette.

Inmiddels zit Van Wijnbergen bijna twee maanden aan de Bezuidenhoutseweg, en heeft hij door hoe moeilijk het is om dingen in Den Haag voor elkaar te krijgen. “Maar de mededingingswet”, zegt hij, “is betrekkelijk ongeschonden door het politieke proces heengekomen. En voor de economische ordening is die wet het belangrijkste dat er sinds de Tweede Wereldoorlog is gebeurd.”

De mededingingswet, ook wel de kartelwet genoemd, moet zorgen voor meer concurrentie tussen bedrijven. Hij wordt op 1 januari 1998 van kracht.

Dat de minister en hij elkaar goed lagen, merkte hij toen ze voor het eerst met elkaar spraken, begin dit jaar. “Het was meteen heel inhoudelijk”, zegt Van Wijnbergen. “Wijers vindt dat EZ een ideeënministerie moet zijn. EZ heeft geen grote budgetten. De tijd van de massale industriesteun is voorbij.”

Maakt dat het werk niet saai?

“Natuurlijk niet. Kijken wat de overheid kan doen om de economie beter te laten lopen is veel interessanter dan industriebudgetten verdelen. Sterker, die steun aan specifieke bedrijven is waarschijnlijk heel schadelijk geweest. Je geeft geld aan bedrijven die het alleen nooit gered zouden hebben. Dat zijn meestal de verkeerde bedrijven.”

Wijers vindt dat ook?

“Ja. En dat is nogal wat, want op EZ was een cultuur waarin die steun wel heel belangrijk werd gevonden.”

En Wijers wil dat met uw hulp doorbreken?

“Voor hem, en ik denk dat EZ die omslag ook wel heeft gemaakt, is EZ er voor de Nederlandse consument. Een monopoliepositie is voor een bedrijf prettig. Maar het is slecht voor de consument. Dus moet je het niet doen. De mededingingswet is daar het duidelijkste voorbeeld van. Maar die wet is uiteindelijk ook goed voor bedrijven. Competitie dwingt ze tot innovatie.”

Zelfs over Melkert is Van Wijnbergen milder geworden. Die banenplannen, zegt hij, zijn niet de “hoofdmoot” van het werkgelegenheidsbeleid. “Hij legt de nadruk op het scheppen van meer laaggeschoold werk door verminderde belastingafdracht in de laagste loonschalen. Daar sta ik volledig achter.”

Van Wijnbergen zat voor de laatste verkiezingen in een adviesgroepje dat voor de PvdA de begroting voorbereidde. Daar stonden die plannen in. Nu is daar zowel op Economische Zaken als op Sociale Zaken nog een idee bijgekomen: de earned income tax credit. Mensen met de laagste lonen, is het voorstel, betálen geen belasting, maar krijgen geld terug. Het verschil tussen minimumloon en uitkering wordt daardoor groter en dat maakt het aantrekkelijker om te gaan werken. “Mensen in de bijstand”, zegt Van Wijnbergen, “moeten nu vaak geld inleveren als ze een baan krijgen. Dat is onredelijk.”

Het voorstel komt van Van Wijnbergen en het is in september gepresenteerd door McKinsey, in Een stimulans voor de Nederlandse economie, een onderzoek naar de prestaties van de Nederlandse economie. Die prestaties kunnen veel beter, is de boodschap van dat rapport. Door minder regelgeving meer groei: in tien jaar wel vijftien procent. Van Wijnbergen zat in McKinsey's Academic Advisory Committee.

Is het idee van earned income tax credit het eerste bewijs van uw invloed?

“Ik hecht weinig waarde aan persoonlijke credit. Het doet er niet toe wie iets bedenkt. Wijers is er een voorstander van en Melkert vindt het geloof ik ook interessant. Het idee wordt bestudeerd. Er zitten nadelen aan.”

Eind 1994 zei Wijers ook al dat hij wel wat zag in wat hij negatieve inkomstenbelasting noemde. Dat werd vertaald als basisinkomen en weg was het plan.

“Basisinkomen is onzinnig. Waarom zou je Cor Boonstra geld geven? Je moet het instrument richten op de groep die het nodig heeft.”

Het nadeel van earned income tax credit is, zegt Van Wijnbergen, dat mensen relatief meer belasting gaan betalen zodra ze meer verdienen. Ze hebben weinig aan een loonsverhoging en dat maakt het minder aantrekkelijk om zich bij te scholen en te proberen hogerop te komen. Hoe de tax credit kan worden uitgefaseerd moet nog worden uitgezocht. “Maar wat is het grootste sociale kwaad? Minder doorstroming? Of hoge werkloosheid?”

Onverwachts fel zegt hij: “Laten we eerlijk zijn. Werkloosheid is het enige echte probleem dat we hebben in Nederland. En juist waar de werkloosheid het grootst is hebben we de incentives zo gestructureerd dat het duur is voor mensen om te werken. Dat is gewoon stupide. Er is ook een debat gaande om er iets aan te doen door de aftrek van arbeidskosten te vergroten, maar dan geef je ook weer geld aan Cor Boonstra.”

Earned income tax credit kan snel worden ingevoerd, zegt Van Wijnbergen. In Amerika bestaat het al, er is daar veel onderzoek naar verricht. In Amerika worden mensen net zo snel werkloos als in Nederland, maar het grote verschil is dat ze daar veel sneller weer aan een baan komen. De uitstroom is beter, zegt Van Wijnbergen, omdat mensen door financiële voordelen meer worden gestimuleerd. Nederland hoeft er van hem niet mee te wachten op de herziening van het belastingstelsel waar minister Zalm en staatssecretaris Vermeend van Financiën nu net de eerste voorstellen voor hebben gedaan. Ziet hij het ook gebeuren?

“Mijn persoonlijke visie is heel duidelijk”, zegt hij. “Maar we leven niet in een dictatorship.”

Nee, hij is niet milder geworden nu hij in Den Haag zit. Hij zit alleen niet meer in de positie om “met bakstenen te gooien”. Hij is, zegt hij, ook helemaal niet de berenbijter die mensen dènken dat hij is. “Ze kennen me van de scherpe krantenstukjes. Ze kennen me niet echt. Ik druk me vaak geprononceerd uit om aandacht te trekken voor wat ik vind. Maar ik kan goed samenwerken hoor. Anders had ik het nooit dertien jaar bij de Wereldbank volgehouden.”

Wijers vroeg hem in het eerste gesprek al of hij tegen de politiek kan. Zeker, had hij geantwoord. Dat had hij wel geleerd als adviseur in Bosnië en andere landen waar ze elkaar doodschieten als ze het niet met elkaar eens zijn. Dan moet je goed weten hoe je met gevoeligheden omgaat. Hij heeft ook een theoretisch argument. “Hervormingen”, zegt hij, “slagen alleen bij een breed draagvlak. En een breed draagvlak krijg je alleen in een democratie.” Zijn conclusie is: democratie stimuleert de economie.

Moet Nederland voor de werkgelegenheid de loonmatiging volhouden?

Hij lacht en zegt niet meteen ja - wat Wijers en Melkert wel zouden doen. “De hoogte van de lonen is in Nederland niet het grootste pobleem. Het grotere probleem is het gebrek aan differentiatie. Of de lonen nu met één of twee procent...” Hij valt zichzelf in de rede. “Niemand met gezond verstand”, zegt hij dan, “wil een loongolf met een reële stijging van vijf procent. Maar loonmatiging als werkgelegenheidsinstrument is veel te lomp. We hebben een tekort aan werk onderaan en een tekort aan geschoolde mensen bovenaan. Er zit dus iets fout met de relatieve loonstructuur. Het systeem is te inflexibel.

Collectieve arbeidsovereenkomsten die de laagste loonschalen leeghouden niet meer algemeen verbindend verklaren, regels schrappen. In Mexico raadde Van Wijnbergen de regering een paar jaar geleden aan om iemand aan te stellen bij wie iedere onnodig geachte regel kon worden gemeld. Konden ambtenaren niet binnen drie weken aantonen waarom de regel bestond, dan gold hij niet meer. Heeft Van Wijnbergen zoiets ook al aan Wijers voorgesteld?

“Ja. Twee weken geleden.”

Er werd bij EZ positief op gereageerd, zegt hij. De ontvankelijkheid van het ministerie voor nieuwe ideeën is hem sowieso erg meegevallen. “Zoals dat in Mexico is gebeurd, dat kan hier niet. Regels zijn vaak wettelijk vastgelegd, dat verander je niet zomaar. Maar ik vind dat er iemand moet komen aan wie mensen kenbaar kunnen maken wat niet goed is. De Akzo's en de Unilevers weten de weg naar Zalm en Wijers wel te vinden, veel kleine bedrijven niet. Ik wil weten wat hen belemmert, waar ze last van hebben. Natuurlijk krijg je dan een hoop klachten over de belastingen die te hoog zijn. Maar ik wil zien of er een patroon te ontdekken valt.”

En dan?

“Iemand moet hoog genoeg zitten om effectief te zijn. Er moet draagvlak voor zijn in het kabinet.”

Maar heeft u genoeg invloed om zoiets voor elkaar te krijgen?

Relativerend: “Niet alles wat ik wil zal lukken. Maar als een paar grote dingen wèl lukken, ben ik tevreden.”

Welke?

“Earned income tax credit. Dingen om meer werkgelegenheid te creëren. Daarvoor moet je ook de marktwerking verbeteren en dat doen we. Verder hoeven ze in Den Haag echt niet ieder wild idee dat ik naar voren breng meteen over te nemen.”

Over corporate governance, de manier waarop in Nederland de verhouding tussen aandeelhouders en het management van ondernemingen is geregeld, is het McKinsey-rapport heel uitgesproken: het gebrek aan zeggenschap van aandeelhouders staat economische groei in de weg. Dat staat ook in de kort geleden verschenen concurrentietoets, een vergelijking van de Nederlandse economie met andere Westerse economieën. (Nederland kwam er lang niet zo goed van af als je zou denken door alle jubelverhalen over het poldermodel.) Maar hoe het moet veranderen heeft minister Wijers tot nu toe niet gezegd. Hij wil wachten op het kabinetsstandpunt. In een vraaggesprek met deze krant, drie weken geleden, zei hij al wel dat het systeem voor hem niet principieel hoeft te veranderen. Het 'structuurregime' - commissarissen houden toezicht op een onderneming en ze kiezen elkaar - kon blijven bestaan.

Van Wijnbergen is heel duidelijk. “Ik heb nogal gepusht”, zegt hij, “dat McKinsey zich zo hard over corporate governance heeft uitgelaten. Je voelt op je klompen aan dat het niet goed is dat kapitaalverschaffers zo weinig invloed hebben op de leiding van een bedrijf.”

Maar hij ziet ook de problemen om het te veranderen. “Toon maar eens aan dat het zo is. Het gebrek aan invloed door de kapitaalverstrekker leidt tot aarzeling bij de kapitaalverstrekker, dus heb je te duur kapitaal en dat werkt belemmerend. Empirisch is het moeilijk te bewijzen. Maar ik ben ervan overtuigd dat het zo werkt. En recent onderzoek van de Universiteit van Amsterdam bevestigt dit. In Nederland is de vennootschapsstructuur één grote bescherming van het management tegen de kapitaalverstrekker. Maatregelen die evident in het voordeel van aandeelhouders zijn worden hier niet genomen.”

Hij weet ook wel een voorbeeld: de toepassing van informatietechnologie door bedrijven. “Waarom gaat dat hier zo ongelooflijk langzaam? Waarom heeft ABN Amro geen electronic mail systeem dat voor mensen van buiten toegankelijk is? Daar hoef je in Amerika als bedrijf niet meer mee aan te komen. Wat in het McKinsey-onderzoek naar voren komt is dat in Nederland veel te veel naar specialistische oplossingen wordt gezocht. In Amerika is het andersom. Daar passen ze zich aan bij de mogelijkheden die IT biedt. Ik kan niets bedenken dat het verschil verklaart, behalve dat managers in Amerika meer het vuur aan de schenen wordt gelegd dan hier.”

Een bewijs uit het ongerijmde.

“Ja. Dat was ook de kritiek op het rapport.”

De kritiek kwam vooral van het PvdA-Kamerlid Rick van der Ploeg, Henk Don van het Centraal Planbureau en van Frank van Kalshoven van de Volkskrant. Vijftien procent groei in tien jaar? Alleen maar door belemmeringen weg te halen? Dat kon, zeiden zij, McKinsey nooit bewijzen. Flauw, vindt Van Wijnbergen. “McKinsey heeft het gepresenteerd als een mogelijkheid. Niet als: doe nu dit, dan straks dat. Het was een manier om de cijfers te laten leven.”

En om aandacht te trekken.

“Ja. En daar is niets op tegen. Een beetje lawaai is leuk.”

Hij heeft zich eraan geërgerd dat de critici niets zeiden over de inhoud van het rapport. Wat McKinsey op grond van sectoranalyses - woningbouw, voedingsmiddelenindustrie, financiële dienstverlening, detailhandel, openbaar vervoer en software - heeft vastgesteld over het verband tussen overmatige regulering, gebrekkige ontwikkeling van service en werkgelegenheid is, zegt hij, nieuw. “Op het ministerie wordt daar wèl over geproken.”

De commissie Peters heeft dit voorjaar een groot aantal voorstellen gedaan om de corporate governance te verbeteren. Wat zou u willen aanvullen?

“Veel. Die voorstellen van de commissie Peters vind ik eh...”

Slap.

“Ja, letterlijk. De diagnose van het probleem is goed gesteld. Maar die voorstellen hebben geen tanden.”

De commissie-Peters wil het aantal beschermingsconstructies dat bedrijven mogen hebben verminderen. De commissie wil ook meer afstand tussen het management van een onderneming en de raad van commissarissen. Maar het is allemaal op basis van vrijwilligheid. “Waar managers zich het meest misdragen”, zegt Van Wijnbergen, “zal het dus juist niet gebeuren.”

Wat gaat u eraan veranderen?

“Nou zeg, we leven niet in een dictatuur.”

Maar u zit nu op een positie waarin u er iets aan kunt doen.

“Ik zou de invloed van het management op de raad van commissarissen willen uitschakelen. En de invloed van de aandeelhouders erop willen vergroten. Cor Boonstra denkt uit zichzelf wel aan shareholders value. Hij komt uit Amerika en daar is dat een obsessie. Hier is het iets nieuws. Maar het moet. En het moet ook wettelijk worden vastgelegd. Ook veel van de beschermingsconstructies die bedrijven kunnen opwerpen tegen overnames - weghalen.”

Ziet u het principe dat bedrijven worden gecontroleerd door commissarissen die elkaar kiezen verdwijnen?

“Dat weet ik niet. Zoals het nu gaat is het schadelijk. Ik vind dat het moet verdwijnen. Maar de wereld is het er nog niet over eens hoe het dan wel moet.”