Sinjavski en de erfenis der dissidenten; Over lafaards en andere intellectuelen

Andrei Sinyavsky: The Russian Intelligentsia. Columbia University Press, 98 blz. ƒ 51,95 Masha Gessen: Dead Again. The Russian intelligentsia after communism. Verso, 200 blz. ƒ 54,95

Twee begrippen zijn al eeuwen heilig in Rusland: de ziel en de intelligentsia. De Russische ziel vormt de schaamlap voor alles wat ooit is misgelopen in de geschiedenis. Als woorden tekortschieten en de logica je in de steek laat, dan is daar altijd nog de Russische ziel, waarmee je zowel barre wreedheid als overstelpende goedheid kunt verklaren en dus alle kanten opkunt, net zo onmetelijk als de Russische vlakte.

Met de intelligentsia ligt het een stuk ingewikkelder. In het onderontwikkelde Rusland van de negentiende eeuw werd haar een speciale rol toebedeeld, de rol van hoedster van de cultuur, controleur van de macht en vertegenwoordiger van het onmondige volk. Omdat van die twee laatste taken nooit veel is terechtgekomen, ontwikkelde zij een voortdurend schuldgevoel ten opzichte van de massa's. Dat schuldgevoel leidde soms tot enorme daadkracht met desastreuze gevolgen, zoals in 1917. En soms tot lethargische afzijdigheid. Maar ook dan bleef het schuldgevoel knagen.

Kort na elkaar zijn er nu twee boeken verschenen over de Russische intelligentsia van het communistische tijdperk. Dit voorjaar hield de geëmigreerde schrijver Andrej Sinjavski in New York de Harriman-lecture, getiteld The Russian Intelligentsia. Sinjavski overleed deze zomer in Parijs. Hij werd 72 jaar. Zijn lezing is nu gepubliceerd.

Vervolgens verscheen Dead Again. The Russian Intelligentsia After Communism van de dertigjarige Russische journalist Masha Gessen, die van 1981 tot 1994 in Amerika woonde en nu in Moskou werkt voor het met Newsweek verbonden weekblad Itogi (Balans).

Spotvogel

Andrej Sinjavski is zijn hele leven een spotvogel geweest. Onder het pseudoniem Abram Terts schreef hij in de jaren vijftig/zestig een aantal satirische verhalen over de Sovjet-Unie, die alleen in het buitenland gepubliceerd konden worden. Toen dat werd ontdekt, werd hij in 1965 gearresteerd en samen met zijn collega Joeli Daniël in een krankzinnig proces tegen de literatuur tot zeven jaar strafkamp veroordeeld. Daniël kreeg vijf jaar. Het witboek dat in samizdat over dat proces werd uitgegeven, vormt nog steeds hilarische literatuur.

Sinjavski emigreerde in 1971 naar Parijs, waar hij met zijn vrouw de tweemansuitgeverij Sintaksis opzette. Hij publiceerde zijn kampherinneringen, verhalen en een aantal in Russische emigrantenkringen zeer omstreden, want blasfemische, literatuur-historische boeken over Poesjkin en Gogol. In zijn literaire blad Sintaksis polemiseerde Sinjavski in de jaren tachtig fel met Aleksandr Solzjenitsyn, die hij een griezelige nationalist vond. Sinjavski bleef altijd een eenling onder de Russische intellectuelen, een vreemde eend in de bijt. De doorgaans bloedserieuze emigranten, die hun zwaarwichtige romans over onderdrukking in de Sovjet-Unie de wereld in bleven sturen, wisten niet wat ze aanmoesten met Sinjavski's subtiele venijn.

Sinjavski, die zelfs over zijn kampperiode mild oordeelde - hij had nog nooit zoveel interessante mensen ontmoet als in die zeven jaar strafkamp, zei hij later - heeft nu een vlammend tractaat geschreven. Hij nagelt de Russische intelligentsia aan de schandpaal wegens collaboratie met een corrupt regime met bloed aan zijn handen: het bewind van Boris Jeltsin.

Sinjavski doelt daarbij nadrukkelijk niet op de tienduizenden hardwerkende, beschaafde leraren, musici, conservatoren en andere leden van de gestudeerde middenklasse, die zich net zo schamen voor de zakkenvullerij van de overheid als hij. Hij geselt de Moskouse intelligentsia, die Jeltsin in 1991 op het schild heeft geheven en vervolgens zijn ogen sloot voor machtsmisbruik en puur geweld. Voor Sinjavski, die nooit heeft begrepen waarom de intelligentsia Gorbatsjov voor Jeltsin in de steek heeft gelaten, is het breekpunt zonneklaar. Toen Jeltsin op 4 oktober 1993, onder applaus van de intelligentsia, op het Witte Huis liet schieten, viel voor hem het doek. 'De Opperste Sovjet waarop geschoten werd was het eerste parlement in 75 jaar dat durfde te spreken met zijn eigen stem. Noch bij tsaar Boris noch bij de Russische intelligentsia viel die stem van het volk in de smaak.'

In Sinjavski's ogen loopt er een directe lijn van die bestorming van het parlement naar de gruwelijke oorlog in Tsjetsjenië. Iedereen die die bestorming heeft gesteund, acht hij aan die oorlog medeplichtig. En laten de intellectuelen niet aankomen met de smoes dat er voor Jeltsin geen alternatief is, dat de communisten en de fascisten aan de poort stonden, dat er gekozen is voor het minste kwaad. 'Ik wijs deze logica categorisch van de hand. Als je slechts tussen twee kwaden kunt kiezen, is goed geen optie meer. Dan delven het menselijk denken en de vrijheid het onderspit.'

Geen goed woord heeft Sinjavski over voor de economische hervormingen van Jegor Gaidar die het volk tot de bedelstaf hebben gebracht. Hij citeert daarbij zeer indringende wanhoopskreten uit de Russische pers over honger, armoe en criminaliteit. Hij vergelijkt het gedrag van de intellectuele elite met de collaboratie uit de jaren dertig, toen schrijvers van naam en faam er niet voor terugschrokken politieke tegenstanders voor vijanden van het volk uit te maken, met alle fatale gevolgen vandien.

Op grond van gesprekken met Moskouse vrienden komt hij tot de conclusie dat de intellectuelen uit puur eigenbelang met de machthebbers samenwerken. Zo verwijt hij Boelat Okoedzjava, de zachtmoedige bard van de Brezjnev-tijd, cynisme. De bejaarde zanger, die ook deze zomer overleed, vertrouwde hem toe dat hij Jeltsin alleen steunde omdat hij niet meer gecensureerd werd en eindelijk naar het buitenland mocht reizen. 'Het is ondenkbaar voor een intellectueel om zoiets te beweren. Ondenkbaar!' schrijft Sinjavski. Het is wat wreed om de man wiens melancholieke liederen het leven in de 'Tijd van de Stagnatie' (zoals de Brezjnev-tijd te boek staat) draaglijk hielden, te verwijten dat hij aan het eind van zijn leven ook naar een beetje comfort verlangt. Zeker als je zelf al twintig jaar in Parijs woont.

Ook Sergej Kovaljov (tien jaar kamp wegens bemoeienis met de samizdat-uitgave Kroniek van de lopende gebeurtenissen) moet het ontgelden. Kovaljov, in zekere zin Sacharovs opvolger als het geweten van de natie, was Jeltsins mensenrechtenfunctionaris, totdat hij om de oorlog in Tsjetsjenië brak met het regime. Gelukkig maar, zegt Sinjavski, 'anders zou onze Sergej Adamovitsj (Kovaljov - LS) als mensenrechtenadviseur in dienst staan van een Mr. Cannibal.'

'Vóór de perestrojka', schrijft Sinjavski licht ironisch, 'had ik een heerlijk leven. Het sovjet-regime leek onwankelbaar. Je kon ermee in aanvaring komen en in de gevangenis belanden, zoals mij overkwam. Je kon er achter zijn rug om een lange neus tegen trekken, zoals veel intellectuelen deden. Je kon je eraan aanpassen - en je kon het zelfs beminnen.' Nu rest hem niets dan desillusie, wanhoop om zijn land en volk en woede om het verraad der intellectelen.

Smoeta

Hoe raak en pijnlijk sommige van Sinjavski's observaties ook zijn, hoe ontluisterend sommige citaten van vertegenwoordigers van de intellectuele klasse, zijn overtuiging dat een echte intellectueel altijd alleen maar in oppositie kan staan tot een regime is te absoluut voor de 'Tijd der Troebelen' die Rusland nu doormaakt. Ik heb ze zelf mogen aanschouwen, die pogingen van de Moskouse culturele elite om een rol te spelen in de politiek, een rol die ze totaal niet lag en waar ze meestal ook niet geschikt voor waren. Hoewel er zeker mensen tussen zaten die er alleen maar beter van hoopten te worden, waren er ook die besloten dat het immoreel was om aan de kant te blijven staan op een moment dat het vaderland echt roept. Er zijn er heel wat geweest die hebben geworsteld om integer te blijven. Of het veel heeft uitgemaakt, wie zal het zeggen. Grozny is platgebombardeerd en in Moskou is een nieuwe crimineel-politieke elite opgestaan. De corruptie is groter dan ooit, de verschillen tussen arm en rijk ook.

Toch heeft Masha Gessen in haar boek de dilemma's van de intellectuelen en de dissidenten beter geanalyseerd en in ieder geval menselijker verwoord. Er zijn frappante raakvlakken tussen de twee boeken. Waar Sinjavski de 'grootmoeder van de dissidente beweging' Larisa Bogoraz, echtgenoot van de in de gevangenis omgekomen Anatoli Martsjenko, een veeg uit de pan geeft, beschrijft Gessen de wanhoop waarmee Bogoraz tijdens de oorlog in Tsjetsjenië tegen haar zegt: 'Het is allemaal onze schuld. Wij hebben dit regime gesteund - wij, de mensenrechtenactivisten. Het is allemaal onze schuld.'

Bogoraz geeft hier dus eigenlijk Sinjavski gelijk, maar Gessen veroordeelt haar niet, ze beschrijft haar gewetensnood. De dissidenten, zo citeert ze Kovaljov, waren niet een oppositionele groep in de politieke zin des woords. Dissident worden was vaak puur toeval, een kwestie van impulsiviteit, de maat was vol. Sinjavski heeft het volgens Gessen zelf eens zo geformuleerd dat zijn verschil van mening met het regime van zuiver 'esthetische aard' was. 'Wie zij ook waren', aldus Gessen, 'de dissidenten werkten in een tandem met het regime. Dat onderdrukte hun woorden, waardoor het hun belang vergrootte; zij protesteerden tegen de repressie en de arrestaties; het regime antwoordde met meer van hetzelfde.' Niemand vroeg zich af wat er gebeuren zou als aan het duizendjarig rijk een einde kwam.

Gessen neemt Sacharov als voorbeeld van de worsteling met de nieuwe, politieke rol die de dissidenten en de intellectuelen op zich namen. In een wereld van politiek cynisme probeerde hij zich overeind te houden met zijn eigen morele maatstaven, en dat was keer op keer weer een pijnlijk schouwspel. Na zijn dood nam Kovaljov de rol van hem over. Maar ook Kovaljovs enige wapen was het woord en met de nieuw verworven vrijheid leek het woord zijn vroegere kracht verloren te hebben. 'Alles wat ooit geweest was, bestond niet langer meer. Het Woord was goedkoop, de Waarheid net zo onkenbaar als het Volk.'

Generaliseren over dissidenten en intellectuelen is overigens een gevaarlijke bezigheid. Niet iedere intellectueel was een dissident en andersom. En de ene dissident was de andere niet. Naast Sacharov die, hoewel als politicus totaal ongeschikt, als dissident hors concours was, had je de Georgische mensenrechtenstrijder Zviad Gamsachoerdia, die zich ontpopte als dictator en na een paar jaar burgeroorlog onder mysterieuze omstandigheden omkwam in de bergen. Oppositie tegen een onderdrukkend regime kan een heldendaad zijn, maar dat maakt een mens nog niet per definitie fatsoenlijk.

Worstelden de dissidenten met het woord en de moraal, en met het maken van vuile handen, Gessen beschrijft nog een hele andere categorie outsiders. Ze traceerde de Russische variant van Douglas Couplands Generation X. Het zijn de twintigers en dertigers die de overstap naar de Nieuwe Wereld niet hebben kunnen of willen maken. Gessen noemt ze 'de echte kinderen van het Tijdperk van de Stagnatie'. Ze zijn groot geworden zonder belangrijke historische gebeurtenissen meegemaakt te hebben. 'Ze groeiden op met een rotsvast vertrouwen in de toekomst, een toekomst die eerder grijs was dan groots, omdat haar beeld niet afweek van het heden.' Deze Russische drop-outs, zonder baan, zonder geld, zonder verblijfsvergunning in Moskou, leven van het ene toeval in het andere. Ze hebben vaak een aantal tot mislukken gedoemde projecten opgezet, waarna ze zich losmaken van de maatschappij en zich nergens meer voor verantwoordelijk voelen. 'Ik betaal zelfs geen belasting', zegt een van Gessens gesprekspartners, 'ik draag geen verantwoordelijkheid voor wat die klootzakken doen.'

Het is jammer dat Gessen geen poging doet om hun aantallen te kwantificeren, maar het moeten er vele tienduizenden zijn. Gessen noemt ze, in navolging van Coupland, 'vluchtelingen van een cultuur die in een hogere versnelling is geraakt.'

Een apart hoofdstuk wijdt Gessen aan de Bad Generation (het denken in generaties verraadt haar lange verblijf in Amerika). Dit zijn de amorele cultfiguren als de twintigjarige homoseksuele journalist Jaroslav Mogoetin die na het schrijven van een scandaleus racistisch pamflet over de oorlog in Tsjetsjenië en een voor Moskou misschien nog wel scandaleuzere poging om officieel in het huwelijk te treden met zijn Amerikaanse vriend het hazenpad heeft gekozen naar het buitenland. Of de even jonge dichteres Alina Vitoechnovskaja, die in 1994 door de veiligheidsdienst werd gearresteerd op verdenking van drugsbezit en een jaar in de beruchte Boetyrki-gevangenis doorbracht. Terwijl de depressieve Vitoechnovskaja haar arrestatie en maandenlange ondervraging later omschreef als een bizar stripverhaal, bombardeerde de Russische PEN-club haar tot politieke gevangene. Maar de intelligentsia, die gewend is in termen van goed en kwaad te denken, weet zich, aldus Gessen, eigenlijk geen raad met haar zwartgallige, buiten de platgetreden morele paden tredende verzen. Zo beschrijft ze de mens in een van haar gedichten:

Een strontvervelend wezen. Vlees noch vis. Noch vlo (zoals iemand suggereerde) Dat macht heeft om haar kwijt te raken Dat kruipt omdat het niks beters heeft te doen (zolang niemand het opvreet) Of laat ze de onsmakelijke vlo Maar eten Geen groot verlies, jezelf.

Is de intelligentsia dood, zoals de titel van haar boek suggereert? Nee, oppert Gessen. Dit is misschien wel de nieuwe loot. Wat blijft ze anders over om hun angst in te dammen dan de helden te zijn van hun eigen stripverhaal? Wat blijft ze anders over dan zich weer uit de politiek terug te trekken? Ik sluit niet uit dat Sinjavski Vitoechnovskaja in zijn literaire blad Sintaksis zou hebben afgedrukt. Haar bizarre, morbide kijk op de wereld komt uiteindelijk sterk overeen met Sinjavski's eigen 'esthetische' levensopvatting. In zijn lezing zegt hij ergens dat hij in het kamp tot de conclusie was gekomen dat je fictie net zo goed als de werkelijkheid kunt beschouwen. Tegen Gessen vertelde Vitoechnovskaja over de inval van tien veiligheidsofficieren in haar flat, 's avonds laat: 'Ik begon er onmiddellijk een spel van te maken, zonder te begrijpen wat het allemaal betekende. Ik zette de muziek aan en deed het licht uit zodra ze binnenkwamen. En ik dacht: Als dit absurd moet zijn, dan schreeuwt het om wat esthetische franje!'

Misschien heeft Sinjavski het bijltje er toch iets te snel bij neergegooid.

    • Laura Starink