Sem Dresden over schrijversbiografieën, 'lekker lezen' en de zin van het leven; Tja, ego

Van de Leidse letterkundige Sem Dresden verschenen er twee dikke studies en nu is er een bundel opstellen, waarin hij blijk geeft van zijn liefde voor lezen. “Niemand kan goed opschrijven wat hij bedoelt en degene die leest, vat het weer anders op. Dan kun je maar hopen dat die twee misverstanden elkaar opheffen. Maar dat is niet zo.”

S. Dresden: Het vreemde vermaak dat lezen heet. Meulenhoff Amsterdam 1997, 248 blz. Prijs: ƒ 39,90. S. Dresden: Vervolging, vernietiging, literatuur. (Derde druk, in de Codex-serie) Meulenhoff Amsterdam, 1997. 280 blz. Prijs ƒ 39,90.

“Ik kan nooit de zin in mijn eigen leven ontdekken. Ik begrijp er niets van.”

“Er staan dingen in, waarvan ik zelf niet meer wist dat ik ze geschreven had, dus dat is wel leuk”, zegt professor Sem Dresden (geb. 1914) over Het vreemde vermaak dat lezen heet - de eerste bundel verspreide artikelen van zijn hand sinds 1959. Hij heeft in de samenstelling zelf niet de hand gehad. Dat heeft de uitgeverij gedaan, die daartoe een keus heeft gemaakt uit een kloeke kartonnen doos vol verspreide publicaties. “Ik heb nog nooit drukproeven durven bekijken. Maar nu het verschenen is, zal ik het boek zeker lezen.”

De samenstellers maken in hun verantwoording gewag van Dresdens omvangrijke productie, die grotendeels verscholen is gebleven in kleinere, veelal wetenschappelijke periodieken. Aan een ruimer publiek is ontgaan, menen de samenstellers, dat Dresden een begenadigd essayist is, naast een vakgeleerde - hij was van 1947 tot 1975 hoogleraar Franse letterkunde en vervolgens nog zes jaar hoogleraar Algemene Literatuurwetenschap. “Heel vriendelijk”, meent Dresden. “Ik wist zelf eigenlijk nooit het verschil tussen essays en wetenschap.”

U bent van een generatie hoogleraren, die nog niet regelmatig de publiciteit zocht en in kranten schreef.

“Ik kwam uit de oorlog met anderhalf artikel af. Toen zei mijn leermeester H.J. Pos, de Amsterdamse hoogleraar wijsbegeerte: 'gelukkig dat je dat tweede nog niet af hebt, want twee stukken in één jaar, dat zou wat te veel van het goede worden'. Toen ik hier in Leiden in 1947 hoogleraar werd, drukte men mij ook op het hart vooral niet al te veel te publiceren. Leidse hoogleraren meden de omgang met kranten - dat vonden ze vernederend.

“Al die jonge mensen hebben groot gelijk dat ze in kranten willen publiceren. Ik heb het er wel eens over met Henk Wesseling (oud-hoogleraar geschiedenis in Leiden, red.), die zo'n beetje de halve NRC volschrijft. Maar ja, ik schrijf lang niet zo gemakkelijk als hij: wel regelmatig, maar ik vernietig nog veel meer. Het is maar heel zelden de moeite waard.”

Wie hieruit mocht concluderen dat van Dresden sinds zijn emeritaat in 1981 weinig meer is vernomen, komt bedrogen uit. Er verschenen twee kloeke studies van zijn hand (Wat is creativiteit in 1987 en Vervolging, vernietiging, literatuur uit 1991), en ook een flink deel van de opstellen in de nieuwe bundel is van na 1981. Ten tijde van zijn hoogleraarschap bleven, door de werkdruk, veel van zijn interesses 'strovuurtjes', vertelt hij in het studievertrek van zijn Leidse woning, waar hij met regelmaat een verse Camel opsteekt.

In de essays valt op dat Dresden niet iemand is die vanaf de kansel luid opvattingen en theorieën ontvouwt. Eerder vertoont zijn benadering overeenkomsten met de werkwijze van de 16de-eeuwse Franse essayist Michel de Montaigne, aan wie in de laatste bundel een bewonderend opstel gewijd is: er is steeds een lezer aan het woord die, soms schijnbaar terloops, commentaar levert op het gelezene.

“Als ik me ten doel had gesteld een systeem te bouwen, dan was er niks van terecht gekomen”, zegt Dresden. “Ik heb nog een beetje meegedaan aan de structurele benadering om er college over te kunnen geven, daarna is het volstrekt verloren gegaan. Wie mij zegt dat hij Derrida of Kristeva begrijpt en aan tweedejaars kan uitleggen, die begrijp ik niet. Ik vind dat zodra je je met kunsttheorie in het algemeen, en met literaire theorie in het bijzonder bezig houdt, je je tot de werken zelf moet richten. Dat moet eenvoudig uitgangspunt en eindpunt zijn.”

U bent meer lezer dan een systeembouwer.

“Ik maak aantekeningen bij wat ik lees en probeer daar dan voor mijzelf orde in aan te brengen. Montaigne heb ik al heel jong gelezen, in het begin van mijn studententijd. De manier waarop hij aantekeningen maakt en associeert, vond ik mooi. Ik vond het ook het prachtigste wat er is, dat bij sommige teksten de hand van de interpreet, de middeleeuwse glossator - een lezer dus - in de tekst terecht is gekomen. Neem het boek Prediker, waarvan ik net het laatste hoofdstuk heb gelezen. Prediker wordt nu aangehaald alsof dat van één auteur is. Maar er zijn daar wel drie handen aan het werk en hun opmerkingen zijn tot de tekst gaan behoren. Dat maakt ook de plasticiteit van een tekst uit.”

Presser

Is er een leermeester geweest aan de basis van deze liefde voor de tekst? Dresden noemt Jacques Presser, de in 1970 overleden historicus bij wie hij eind jaren twintig in de klas heeft gezeten, op het Vossius Gymnasium in Amsterdam. “Voor Presser had ik grote eerbied. Hij heeft er voor gezorgd dat ik met een diploma van school afgekomen ben. Ik deed niet veel op school. Presser heeft me uitgedaagd door me te zeggen dat ik naar zijn mening wel veel deed, maar dat ik het niet kón. Ik was daar zo des duivels over dat ik aan het eind van de vijfde klas met een staatsexamen van school ben gegaan.”

U hebt met Presser enkele prominente, steeds terugkerende thema's gemeen: de jodenvervolging, en verhandelingen over de waarde of verraderlijkheid van wat Presser 'ego-documenten' noemde, mémoires e.d.

“Af en toe heb ik zelfs het idee dat ik Presser dat woord aan de hand heb gedaan. Hij heeft het woord ego-document veel beter gebruikt dan ik en het heel populair gemaakt. Ik heb trouwens later nog wel eens problemen met hem gekregen, toen ik hem vroeg om nu eens uit te leggen wat nu een ego is, en wat een document is. Hij hield niet van zulke debatten geloof ik. Ik daarentegen ben daar dol op.

“Tja, ego. Dat gehannes tegenwoordig over identiteit. Het lijkt soms wel alsof dat ego een gefixeerde identiteit vertegenwoordigt. Dat kun je je toch stevig afvragen. Meestal is het toch zo dat iemand die een klein beetje nadenkt over zichzelf, helemaal niet begrijpt waarom hij gisteren deed wat hij gedaan heeft. Noch of wat hij gisteren heeft gedaan in overeenstemming is met wat hij vandaag denkt of doet?

“Over wat een document is, waren Presser en ik het meer eens. De gedachte dat niemand goed kan opschrijven wat hij bedoelt, komt van Presser. En degene die leest, vat het weer anders op. En dan kun je maar hopen dat die twee misverstanden elkaar opheffen. Maar dat is niet zo. Ze quadrateren elkaar, zei Presser altijd.”

Voor een historicus is dat wellicht moeilijker te verteren dan voor een letterkundige.

“Het is maar wat je van een document verwacht. Totale zekerheden worden in de geesteswetenschappen over het algemeen niet gegeven, dat blijft vaak enigszins zweverig. Ik vind een dagboek nauwelijks een document, je moet het altijd interpreteren. Ik lees overigens dolgraag dagboeken.”

Maar het feit dat iets 'lekker leest' impliceert bij Dresden geenszins literaire waardering. Een vermakelijk opstel in de jongste bundel is 'Lekker lezen in Ferdinand Huyck', waarin Van Lenneps bestseller uit 1840 eerst smakelijk wordt naverteld om vervolgens door de geleerde naar het vagevuur der 'paraliteratuur' te worden verwezen. Dresdens achterdocht jegens dagboeken wordt geëvenaard door die jegens schrijvers-biografieën.

“Je hoeft een schrijver niet te kennen om het werk te doorgronden. Het was natuurlijk een vondst toen bleek dat Boutens homofiel was. Maar dat had iedereen natuurlijk al kunnen weten als hij de gedichten las. Alleen geeft de ontdekking van een document waaruit zoiets blijkt aan de studie van de literatuur schijnbaar een grotere zekerheid. Zo van: nou weet ik het zeker, hij zegt het zelf. Dat is dan mooi, maar vervolgens moet je daar weer van alles aan verbinden: waarom zegt hij het zelf, onder welke omstandigheden...”

Uw opstel 'De biografie als valstrik' is een waar requisitoir.

“Een van de valstrikken is dat het vaak net lijkt of het leven van de gebiografeerde een bepaald doel heeft beoogd, alsof het een bepaalde zin heeft gehad. Als lezer van een biografie word je vaak in de waan gebracht dat er door zo'n leven een lijn loopt.”

En, schrijft u, de lezer wordt in de waan gebracht dat het leven in het algemeen zin heeft.

“Ja, dat is een heel mooie valstrik. Je weet dat het niet waar is, en toch vlieg je erin. Ach, misschien zeg ik dit allemaal ook wel uit jaloezie. Ik kan nooit de zin in mijn eigen leven ontdekken. Ik begrijp er niets van.”

Kwelt u dat?

“Nee, er kwelt mij heel weinig. Ik ben misschien te oppervlakkig voor dat soort dingen, of te onverschillig, of relativerend. Ik lees trouwens hartstochtelijk biografieën: allemaal even schitterend, even goed, over Couperus, over Henriëtte Roland Holst. Dat brengt ons trouwens op een ander leuk probleem: veertig jaar geleden werd algemeen aangenomen dat Nederlanders geen biografieën konden schrijven. Tegenwoordig kun je je echter afvragen, of ze vroeger niet meer hebben gedaan alsof ze het niet konden. Een kwaadaardige opmerking zou zijn, dat ze het plotseling kunnen als je maar voldoende geld ter beschikking stelt.”

Biograaf

Een biografie, meent Dresden, “gaat nooit over de gebiografeerde alleen, maar ook over de biograaf”. Tenslotte is hij het die het materiaal op betrekkelijk vrije wijze ordent, want “zoals bij alle wetenschap, je weet niet wat kan, de wetenschap is niet bij wet geordend. De biograaf is dus subject en object tegelijk en dat is eigenlijk de gebiografeerde ook”. Een scherp onderscheid tussen verdichting en waarheid is, wat Dresden betreft, bij beoefening van de geesteswetenschappen en in de literatuur niet aan de orde.

“Dichtung, Wahrheit, fictie, werkelijkheid - als ik daarover een beetje pieker komt het er bij mij op neer dat ik niet precies weet wat ik onder werkelijkheid moet verstaan. Nou ja, in het normale leven wel. Maar zo gauw je theoretisch gaat worden met deze dingen dan kom ik in grote problemen. En ik heb een zekere hekel aan mensen die uit het literaire werk, een roman bijvoorbeeld, beslissen over de werkelijkheid van de biografie. Misschien vind ik het wel vooral zo vreselijk omdat het eigenlijk altijd lekker lezen is. Superieure roddel is het.”

Niet dat Dresden ontkent dat literatuur een ontspannende functie kan hebben.

“Paraliteratuur appelleert aan de gemakzucht van de lezer, die daar ook wel recht op heeft. Negentig procent van de lezers beschouwt lezen immers als ontspanning, zoiets als zeilen of bridgen, niet als inspanning. En ik vind ook dat literatuur iets van vermaak moet houden - vroeger heb ik wel eens gemeend dat dat niet nodig is, maar daar ben ik van teruggekomen. Van oudsher wilden alle schrijvers immers gelezen worden, de mensen interesseren en liefst een beetje bezig houden. Dat kun je niet zomaar weglaten.”

U schrijft met duidelijke waardering over de nouveau roman - de Franse stroming in de jaren vijftig en zestig die op militante wijze de conventies van de traditionele roman wilde doorbreken. Waarom is de nouveau roman eigenlijk van het toneel verdwenen?

“Het zuivere vertellen, dat de auteurs van de nouveau roman een beetje beneden hun waardigheid vonden, is inderdaad weer wat teruggekomen. Maar helemaal verdwenen is de nouveau roman niet, Claude Simon heeft tenslotte de Nobelprijs gekregen. En er is een andere vorm van romankunst ontstaan, denk eens aan Sarraute en Duras.

“Alle modes gaan voorbij omdat je er op een gegeven moment genoeg van krijgt. Neem Mozarts Eine kleine Nachtmusik en Van Goghs Zonnebloemen. Je krijgt er genoeg van die steeds maar mooi te vinden. Er is ook sprake van verdediging tegen een al te grote popularisering. Je wordt te veel als alleman als je die Zonnebloemen maar mooi blijft vinden. Dus je wendt je tot abstracte kunst, of tot pop art. Dan ben je gelukkig weer enigszins exclusief. Dat is schandalig, dat zou niet zo mogen zijn. Maar zo is het wel een beetje.”

Waaruit bestond de existentiële benadering die u voorstond?

“Die was beïnvloed door Heidegger en Sartre en ging uit van de mogelijkheid om de globaliteit van de persoon individueel te doordringen. Eén van de ingangen destijds vond ik de analyse van de angst bij de schrijver. Ik dacht dat je praktisch elke schrijver via de angstproblematiek kon benaderen. Maar om dat te doen, moet je natuurlijk per schrijver differentiëren. En dat heb ik eenvoudig verzuimd, ook wel omdat ik vreselijk veel ander werk kreeg, in die malle jaren kort na de oorlog. In 1947 moest ik opeens als een bezetene gaan werken voor dat hoogleraarschap hier in Leiden. Ik wist au fond bitter weinig van Franse letterkunde en was eigenlijk nog maar net afgestudeerd.”

Afstuderen deed Dresden in 1938. Hij werd leraar, aanvankelijk in Den Haag, later aan het Amsterdams Lyceum. In de oorlog was hij in Amsterdam ook leraar aan de Eerste Joodse Handelsschool en later aan het Joods Lyceum. Voordat hij in Westerbork belandde, was hij er nog in geslaagd te promoveren.

“Toen ik uiteindelijk in Leiden kwam, was dat met een buitengewoon geringe intellectuele bagage”, zegt Dresden. “In kwantiteit was het in ieder geval niks. In kwaliteit had ik het grote bezwaar dat ik voornamelijk aan poëzie deed, en dan nog voornamelijk symbolisme, en dan nog voornamelijk Mallarmé. Het was allemaal snobisme, in zekere zin. Sterk snobisme.

“Met ook de voordelen van snobisme: je doet dan toch dingen die heel weinig mensen doen. En het gekke is dat ik nu, na 50 of 60 jaar, toch terugkeer naar dat symbolisme, terwijl ik vele, vele jaren nauwelijks meer aan poëzie heb gedaan. Ach, het is allemaal een beetje pathetic: je neemt je als oude man allerlei dingen voor en je weet niet of je nog in leven zult zijn. En al een heel oud verlangen is dat ik zo graag nog eens iets aan Gorter zou willen doen. Er zijn zoveel dingen die onder de werkdruk begraven zijn geraakt. Ik heb een heel katholieke smaak: alles is mij best.”

U bent jong hoogleraar geworden.

“Er was na de oorlog een crisis aan de universiteit: weinig docenten en veel studenten. Toen heeft men jeugdigheid niet zo laten gelden. In Leiden is voor mij een volstrekt ander bestaan begonnen. We kwamen nog maar net uit de oorlog, en we hadden twee kleine kinderen die we een aantal jaren niet hadden gezien. Dat was al vreemd. En dan kom je hier in Leiden en heb je voor het eerst een zeer beschermd bestaan, waarin je alleen maar gevraagd wordt om te doen wat je toch al leuk vindt: bezig zijn met literatuur.

“In die jaren bestond nog het ouderwetse Leidse systeem: niemand bekommerde zich erom wat je nou precies deed. Leiden tolereerde een hoge graad van individualisme. Het was een liberale atmosfeer. Zo was roken verboden in de receptieruimte en toch rookte iedereen daar. Dan hingen ze bordjes op met 'verboden te roken' én plaatsten asbakken. Ik heb de manier waarop we hier in Leiden zijn opgevangen altijd heel bijzonder gevonden.

“Ik had er voor '47 nog nooit een stap gezet. Dat ik uit Amsterdam kwam, was trouwens een onderwerp van spot. Ik herinner me een officieel diner voor een bezoekende Roemeense hoogleraar. Ik moest vertalen en die Roemeen zei in zijn tafelrede dat hij een groot bewonderaar van Johan Huizinga was, en dat hij goed kon begrijpen hoe Leiden Huizinga als student had beïnvloed. Nu weet iedereen dat Huizinga in Groningen studeerde, dus dat zei ik. Waarop de decaan van de Letterenfaculteit mij de mond snoerde: het was helaas waar van Huizinga maar op de heer Dresden rustte ook een smet, want die kwam uit Amsterdam.”

Sommige onderwerpen zijn door het hoogleraarschap lang begraven geweest, vertelt Dresden, “maar toch nooit helemaal uit je gedachten, of uit je denkwereld”. Dat geldt voor de literatuur over de jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog, waaraan Dresdens voor het grote publiek vermoedelijk meest bekende studie, Vervolging, vernietiging, literatuur, is gewijd. Ook in de nieuwe bundel duikt dit thema op, bijvoorbeeld in Dresdens Abel Herzberg-lezing uit 1995, 'Joodse waardigheid'. De essayist Dresden is tot zeer ongemakkelijke vragen in staat, wanneer hij literaire procédés en leesvermaak in verband brengt met de onvatbare gruwzaamheid van de jodenvervolging.

Is voor u de literatuur van de jodenvervolging een thema als andere?

“Dat is toch van aparte aard: veel serieuzer, ingrijpender, intenser, noem maar op. Dat is niet altijd even goed, literair gezien. Ik ben meer voor een vrije, zwevende belangstelling. Maar die vervolging loopt daar niet zo mee in de pas, om het zo te zeggen, die doet dat anders. Er zijn mensen die dat daarom juist beter vinden dan mijn andere werk.

“Ik ben daar zelf niet zo van overtuigd. Het boek over de vervolging eindigt bijvoorbeeld met enkele bladzijden over humor. Ik wilde ze eruit gooien, daar had ik geen zin in. Maar mijn schoonzoon (de letterkundige Herman Verhaar, red.) vond dat, cynisch uitgedrukt, zo ongeveer het enige goeie in het boek. Dus staan ze erin. Ik weet nog altijd niet of dat juist is geweest: om ze te schrijven punt één, om ze d'r in te laten punt twee. Ik begrijp helemaal niet dat ik moed gehad heb om na al die vreselijke dingen te beginnen over humor.”

    • Raymond van den Boogaard