Romandebuut van Manon Uphoff; Lust vermengd met onbehagen

Manon Uphoff: Gemis. Podium, 173 blz. ƒ 29,90

Blauwbaard geeft zijn zesde vrouw de sleutel van een kamer die zij desondanks, zoals u weet, niet mag betreden. Doet zij dat toch, dan wacht haar iets verschrikkelijks. Waarna zij het natuurlijk juist niet laten kan, het roestig deurtje openmorrelt en aan flinke vleeshaken haar voorgangers ziet hangen, die het ook niet laten konden. De nieuwsgierigheid blijkt onbedwingbaar. Vrouwen, nietwaar. Het blijven vrouwen.

Maar wie is hier nu eigenlijk nieuwsgierig?

'Toen Blauwbaard zijn vrouw de sleutel gaf', zegt Mara Astheim in Gemis van Manon Uphoff, 'hoopte, nee, wilde hij dat ze het deurtje zou openen. Waarom zou hij anders moeite doen zijn vrouwen aan haken op te hangen? Hij wil dat zijn schat zichtbaar wordt en dat ze weet dat zij de volgende kan zijn. Wat zou hij teleurgesteld zijn als ze de kamer niet had geopend. (-) Dus is Blauwbaard degene die nieuwsgierig is.'

Dat is mooi en scherp gezien en meteen de kern van de roman waar deze Mara middenin staat. Ze is amper vijftien, eigenwillig en vroegrijp, en gooit zich in het leven. Als een man haar in een discotheek een mes voorhoudt en aankondigt dat hij haar af zal maken, kipje, ziet ze dat met een 'geamuseerde interesse' aan. Het is een sleutel tot verboden kamers van de wereld, zo'n ervaring, en 'waarom zou iemand die een sleutel krijgt die niet gebruiken?' Maar vervolgens merkt ze dat er zich in haar iemand bevindt die verder wil, die niet alleen gevaar wil meemaken maar ook gevaar wil zijn - voor anderen. Er wordt een Blauwbaard in haar wakker, kort gezegd, en ze beziet dat zelf met een verwondering alsof ze naar een ander kijkt. Wat is dat voor nieuwsgierigheid die haar bevangt?

Een vorm van lust in elk geval, want alles in dit boek begint en eindigt bij een vorm van lust. Het eerste hoofdstuk is nog nauwelijks op gang of Mara staat al in een zuurstofarm café te lonken naar een vreemdeling, een glaasje Pisang Ambon met een rietje aan de lippen en die lippen lekker in de verf. Ze koopt een rode lampion, gaat bij de rosse gloed daarvan in een kimono voor het raam staan, opent haar benen en kijkt toe hoe het verkeer zijn vaart verliest. Niet eens om binnen het kwartier een man in bed te krijgen, dat blijkt eigenlijk maar bijzaak, maar om iets dubbelzinnigers en grilligers. Iets waar ze zelf geen taal voor heeft.

Begeerte, noemt Uphoff dat. Het is meteen de titel van de onrustbarende verhalenbundel, ook al vol met dit soort meisjes, waar ze twee jaar terug mee debuteerde. Het is lust, maar dan vermengd met onbehagen, lust die opgejuind wordt door een vaag besef van overtreding en bedreiging. Het is een sensatie die misschien wel minder met geslachtsverkeer te maken heeft dan met het soort ervaring dat de Romantiek benoemde als subliem: je staat voor een vulkaan, of op een klip, en treedt daarmee een oerkracht tegemoet die je gedachteloos zou kunnen overweldigen. Je huivert. Je geniet.

Daar begint het mee, bij Mara - dat is het motief van de dames Blauwbaard. Maar het sublieme blijkt zich in haar daagse leven niet zo vaak te laten zien. Ze krijgt een vriendje, Helmi, die een doodgoeie en dodelijk verlegen jongen blijkt te zijn ('die krijgt op een dag nog eens een attaque van zijn eigen spiegelbeeld') bij wie elke hartstocht ontbreekt. Geen schot in te krijgen, merkt ze, en wanneer de jongen op een avond allertreurigst ziek op de wc zit moet ze plotseling denken aan Alexander de Grote, die op Helmi's leeftijd al de wereld had veroverd. 'Ja, meisje, mompelde ik, dit is je koning Lijsterbaard. Hij leegt net zijn maag en longen in de pot.'

Haar begeerte treft geen doel, om kort te gaan. Het domineert haar leven, maar het krijgt er tegelijk geen plaats in, en dat zet vervolgens fase twee in werking. Helmi kan zich beter bergen. 'We waren het koningskoppel', zegt Mara, 'en ik wist dat ik hem pijn ging doen.' Ze grijpt de macht over zijn leven. Ze onderwerpt hem, met zijn woordeloze toestemming, en gaat daarna tot daden over. Duizelig van opwinding en toch onaangedaan slaat ze een bierfles stuk en gutst met een scherf een 'teken' in zijn rug. 'Een teken waarmee voorgoed duidelijk was dat Helmi van mij was.'

Als daar geen Blauwbaard aan het werk is. Zonder zich dat goed bewust te zijn draait ze de rollen om. Als de wereld haar niet meer doet huiveren, kan zij toch zelf doen huiveren? Ze kan de schuwe Helmi kraken als een noot en openbreken als een oester, alles wat ze wil, en vindt daarmee een nieuw object voor haar begeerte. Dat wil zeggen, als de jongen het blijft toestaan. Dat is de beperking, en misschien is dat ook wel de bron van haar nieuwsgierigheid. Hoeveel gevaar laat iemand over zichzelf afroepen? Hoe ver kan ze gaan?

Die vraag, die nooit in volle helderheid tot haar wil doordringen, vormt het scharnierpunt van Gemis. Want als het antwoord komt (Helmi maakt het uit, net zo hartstochtloos als hij het eerder aan maakte) blijkt hoe veel voor haar van die begeerte afhangt. Is die weg, dan is ook zij zo'n beetje weg. Ze blijkt niet meer in staat contact te maken, niet met anderen maar ook niet met zichzelf. Ze voelt niets meer, ze imiteert alleen gevoelens. Ze raakt opgesloten in haar hoofd, gevangen in een 'spiegelbol' waarin ze zich met al haar opgekropte lust oneindig ziet weerkaatst, vervormd en uitvergroot. Er is geen buitenwereld meer, alleen nog het gemis daaraan.

Vandaar de titel van het boek. Begeerte en Gemis, het zijn bevriende woorden, want wie iets begeert, die mist het. Maar Gemis gaat een stap verder: van willen hebben naar niet kunnen krijgen. Isolement, dat is het eind van alles in dit boek, en niet alleen voor Mara. Haar belevenissen liggen ingebed in een familiegeschiedenis van louter eenlingen. Haar ouders hebben allebei al huwelijken achter de rug en leven ieder in een eigen wereld, onbereikbaar voor de ander. Haar debiele broer wordt verliefd op een halfbroer, die meteen het huis verlaat. Haar andere broer is dol op vader maar verliest diens vriendschap na een ruzie en vervalt tot brandjes, kraakjes en verdachte vriendschappen. Niemand let in huis op iemand ('mijn vader en moeder reageerden nauwelijks nog op ons gedrag') en iedereen gaat dus zijn eigen losgeslagen gang.

Dat stuurloze gedwaal van de familie is niet de sterkste kant van de roman, want die begint zo hier en daar vervaarlijk mee te dwalen. Het wemelt van de toespelingen op familieleden die je nooit te zien krijgt en ook via anderen nooit scherp voor ogen krijgt. In een paar cursief gezette verhalen blijft mij bovendien een raadsel wie hier nou een zoon is van de eerste echtgenoot van wie, en sterker, of dat er wel iets toe doet. Want wie die mensen ook mogen zijn, ze hoeven hier niet meer te zijn dan achtergrond voor de heldin. De rest is ballast.

Ook de wereld die hier tegenover komt te staan, de alledaagse buitenwereld waaraan de familie vreemd blijft, krijgt een nadruk die de stroom van het verhaal geen goed doet. Uphoff laat geen kans voorbij gaan om te laten zien dat het leven buiten de betovering van de begeerte zielloos is en doods en vlak en wat niet al. Onvoltooide nieuwbouwwijken, goedkope huurkamers, afgetrapte jeugdhonken en poenige hotels - het is één en al banaliteit van het bestaan, en het voortdurende gehamer op dat thema brengt Gemis in een gevarenzone waarin ook de boeken van de generatie Nix zich nogal eens bevinden. Ze worden zelf banaal.

Dat Uphoff toch aan die afgrond weet te ontsnappen, is te danken aan haar grootste troef: haar magistrale gevoel voor taal, voor beeldspraken vooral. Als Helmi bangelijk en zweterig in bed ligt met zijn dominante Mara, streelt hij haar 'zoals een inbreker een waakzame hond streelt'. Als hij met haar vrijt, komen 'de riffen van zijn wervels' onder zijn huid omhoog, en als hij naar haar kijkt, ziet ze dat zijn acne 'bloeide met de kracht van klaprozen'. Vleselijke, ademende beelden zijn het, met een zweem gevaar en wreedheid. Zelfs een straat heet hier 'een ader die dichtslibde'. Het zijn beelden die in taal doen waar de personages in het leven niet in slagen. Ze leggen het leven open, wrikkend, krakend, brekend, zoals Blauwbaard dat tenslotte met zijn vrouwen deed. Ze betoveren het leven met begeerte, in een Blauwbaardse burcht van taal.

'Hé, Helmi. Word eens wakker', zei ik.

Ik gaf hem een duw, maar hij bleef op zijn plek liggen. 'Je slaapt niet.' Ik gaf hem opnieuw een zetje. Toen begon ik met mijn vuisten op zijn zij te roffelen. (-)

'Als ik zeg dat je me hoort, dan hoor je me!'

Mijn knokkels veroorzaakten inmiddels een dof geluid. 'Ben je nou godverdomme nog niet wakker', riep ik. 'Nog niet?' Opnieuw een regen van tikken.

Plotseling schoot hij overeind. Zijn mondhoeken trilden. Hij klemde zijn hand om mijn pols en duwde mijn arm naar beneden. Nu gaat het beginnen, dacht ik tevreden. Nu komt hij in opstand en zal hij zich verdedigen tegen mij, de gruwelijke Gorgone waar niet mee te redeneren valt.

Maar hij liet me los en ging opnieuw op de matras liggen.

Uit: Manon Uphoff, Gemis