Poëzie-debuut van Menno Wigman; De schijn van jonge hond

Menno Wigman: 's Zomers stinken alle steden. Bert Bakker. 60 blz. ƒ 19,90

Midden in 's Zomers stinken alle steden, het debuut van Menno Wigman, geboren 1966, staat 'Hard tegen hard'. Het is een gedicht waarin de jeugd het, in de eerste persoon meervoud, onverschrokken opneemt tegen de dood. 'Wij waren niet begaan met wat er stierf' zo luidt de eerste regel, en de volgende tien regels bevestigen dat. Sterfgevallen, begrafenissen, - deze 'wij' hadden wel wat anders om zich druk over te maken: 'Een trage stoet, een laatste groet: / het deed ons niets' want 'we waren jong / en leefden onze tijd aan stukken', onder het motto: 'De lusten, niet de lasten, en de wereld / een matras.' En toen ze dan, in regel 12, voor het eerst uit hun verdoving ontwaakten en wakker schrokken 'in een witte zaal', en bezoek kregen van 'een ondervoede man' in wie een leedaanzegger, misschien wel de dood zelf valt te herkennen, - ook toen lieten ze zich niet uit het veld slaan: 'We hebben amper opgekeken, / bleven kalm en deden hem verbleken.'

Het is wat je noemt een stevig gedicht, dit 'Hard tegen hard', om vele redenen: de zelfverzekerde praattoon, het soepele ritme, de nergens opgelegde rijmen en halfrijmen, en natuurlijk het stalen smoel waarmee de dood aan het slot weer naar huis gestuurd wordt. Het zou een generatiegedicht kunnen zijn, een lijflied voor wie leeft in het 'nu en hier', met geen andere wijsheid dan 'de wijsheid van het dier'. Het is vast niet toevallig dat Wigman het liet opnemen in de begin dit jaar verschenen rap & poëziebloemlezing Double Talk, al viel het daarin wel meteen op als de meest traditionele bijdrage, zowel vanwege de vorm als vanwege de dubbelzinnige inhoud. Want 'Hard tegen hard' mag dan een lofzang lijken op het leven in het hier en nu, hij is wel geschreven door een afvallige die inmiddels beter weet. Blijkt dat al niet uit de zelfspot in formuleringen als 'de wijsheid van het dier', dan blijkt het wel uit de verleden tijd waarin het gedicht van begin tot eind gesteld is. Wigmans portret van zijn matrasgeneratie is ook meteen het afscheid ervan.

Op wel meer plaatsen in dit debuut blijkt Wigman, ondanks de schijn van jonge hond, een dichter van de terugblik en van het telaat te zijn: een secundaire natuur, iemand die begint te schrijven als de ervaring voorbij is. In 'Jeunesse dorée' geeft hij een portret van 'de grootste geesten van mijn generatie', maar opnieuw in de verleden tijd, en met veel aandacht voor hun mislukkingen: 'Ze waren laat. Aan geen belofte werd voldaan.' Typisch traditioneel dichterlijk is ook de instelling waarmee hij, in een afdeling liefdesgedichten, de verloren geliefde bezingt: 'Gelukkig, ze is weg. Nu zal ze / helemaal en meer nog dan ze denkt / de mijne zijn', alsof hij zich bij voorbaat al verheugt op de mogelijkheid om in poëzie een tekort in de werkelijkheid goed te maken. Een ander gedicht zet veelbelovend in met een frisse aanval op de Nederlandse dichtkunst: 'Ik gooide vaak mijn netten uit / in de Zuiderzee van onze dichters / en hoopte op een fraaie vangst, // maar steeds trok ik een weke / Jezuskop omhoog, of anders / wel een stukbezongen herfst, // niet minder aangevreten dan / die onbezonnen odes, koele muzen, / kerken, vaandels en ballades // die op de bodem van de roem verkazen.' Maar daarna trekt hij zich toch weer schielijk terug als hij, op zoek naar formuleringen voor zijn liefdesverdriet, in diezelfde Zuiderzee stuit op enkele treffende regels, die bovendien ook nog eens eeuwenoud zijn, uit een middelnederlands gedicht.

Aanzetten tot jeugdig elan, maar meteen ook weer getemperd: het is misschien niet zo vreemd voor een dichter die bij het naderen van zijn dertigste verjaardag het gevoel had dat zijn jeugd voorbij was, die op zijn dertigste dan ook maar meteen doorschoot naar een besef van 'Media vita' en niettemin besloot op zijn 31ste te debuteren. Wigman zou je, met een beeld ontleend aan zijn eigen seizoenenbeeldspraak, een nazomerdichter kunnen noemen. Hij is 'geboren in een onverwoestbaar dorp / in de oneindigheid van mei', hij heeft de lange hete juli- en augustusmaanden in verveelde dadenloosheid doorgebracht en is nu pas, in de nazomer, in paniek geraakt, waarna hij zich alsnog heeft losgerukt uit zijn 'leven in de schaduw'.

Aan alles valt af te lezen dat Wigman een talent is, in ieder geval een muzikaal talent, met veel gevoel voor dictie. Al zijn gedichten zijn perfect van ritme, klank en mooi verdoezeld rijm. Hij dicht even soepel en muzikaal als bijvoorbeeld Leonard Nolens. Zie de natuurlijke versnellingen en vertragingen, de herhalingen van zo en ver-, het rijm in moe en vloek, vuil en ruit, gevroren en verloren en ik en blik in deze regels: 'Ik ben zo moe, zo vastgevroren in een vloek, / en in de vuile ruit die zich verspreekt / zie ik nog één keer mijn verloren blik'.

Een vergelijkbaar vanzelfsprekend gemak valt aan te wijzen in zijn zinnen en woorden, voorzover die zich althans van de muziek en de betekenis laten scheiden. Nergens geworstel, nergens taalgedoe, nergens stijlbreuken. Het mag vreemd klinken, maar het is nu juist dat gemak dat mij bij het lezen hier en daar ook aan het twijfelen bracht: alsof ik een dichter las die niet helemaal zijn eigen woorden gebruikt. Het gaat dan niet om clichés, maar om een geleende stem en een geleende toon, meer in het bijzonder de in mijn oren wat ouderwetse toon van de romantische lyriek: grote woorden, vage beelden, typisch 'dichterlijke' wijze van zeggen. Enige invloed van zijn vertalersactiviteiten (Baudelaire, Rilke, De Nerval onder anderen) laat zich hier wel vermoeden, zeker in de meer zompige gedichten over seks, zelfkant en liefdesbedrog. Wigman ziet in een hete julimaand op straat en strand 'het zwermen van de lust' en nog wel meer: 'En ik zag / hoe alle parken overbloeiden, / hoe de hitte uit de hemel sloeg, / hoe de horde zon op ander bloed / en zich vergrijpen wilde aan / een blonde levensgloed.' Het loopt allemaal mooi, en de bedoeling is duidelijk, maar toch werd ik, behalve droogstoppelig (een horde die zich vergrijpt aan een gloed?), tegelijk ook wat argwanend van zoveel hoogdravende taal: spreekt hier Wigman zelf of wil hij de hoog sprekende dichter uithangen?

Die argwaan is des te nijpender omdat Wigman geen diepe denker wil zijn ('en koester wat je niet begrijpt'), geen mannetje met meningen (al richt hij zich namens alle uitkeringsgerechtigden wel één keer tot Wim Kok, in een sociaal-realistische bewerking van Rilkes 'Herbsttag'), geen woordvoerder van een nieuwe generatie en ook niet een sterke persoonlijkheid, maar in de eerste plaats een lyricus, dichtend over zijn eigen stemmingen. En dan komt het er vooral op aan niet te lenen, ook niet een beetje, ook niet van grote voorbeelden, en ook niet als je het talent hebt ze soepel in je eigen dictie op te nemen. 'Ik weet heel goed', dicht Wigman, 'dat mijn verdriet - om jou, om ons, / om alles wat een mens nog overkomt - / bestaat zoals het eeuwen al bestond.' De kunst is niet om daar een citaat van een ander op te laten volgen, zoals Wigman doet, maar eigen woorden voor het eigen verdriet.

    • Guus Middag