Peter Cook (1937-1994); Een van de grote verveelden van de eeuw

Harry Thompson: Peter Cook. A Biography. Hodder & Stoughton, 516 blz. ƒ 66,10

Bij de voorstellingen van het studentencabaret Beyond the Fringe in 1961 werd baanbrekend gelachen zoals zelden of nooit in het Londense theater. Enkele tegenstemmen vonden dat de gezindheid partijdiger had moeten zijn, meer rechts of liever links, om satirisch te mogen heten; maar het was voorbeeldig in zijn gebrek aan respect voor heilige huisjes en gewichtige woorden. De BBC ging iets soortgelijks doen in een satirisch televisieprogramma, en even later ook de VARA ('Zo is 't toevallig ook nog eens een keer'). Het leek echt op vernieuwing.

Vijf jaar later werd er niet meer zo geschreven. De inspiratie was op, of de grap was eraf, sommige ideeën waren gemeengoed geworden. De vier studenten van Beyond the Fringe bleven bij het theater. Alan Bennett werd toneelschrijver, Jonathan Miller regisseur, Dudley Moore filmacteur. De meest bezeten humorist van het gezelschap, Peter Cook, ging door als komediant bij film en televisie, met geluk en voorspoed, behalve wanneer hij door zijn alcoholisme overmeesterd werd. Daarnaast was hij van 1964 tot zijn dood eigenaar van het satirische blad Private Eye, waar hij vaak ideeën aan bijdroeg en nooit iets aan verdiende.

Cook is in 1994 gestorven, op zijn zevenenvijftigste, in een ziekenhuis in Hampstead, Noord-Londen, toen zijn lever de dienst weigerde. Harry Thompson, journalist en tekstschrijver, heeft over de drieëndertig jaar die volgden op de première van Beyond the Fringe een krioelende massa gegevens bijeengebracht. Een deel ervan geeft hij weer zoals hij het gehoord heeft, in de woorden van collega's en vrienden. Tientallen mensen hebben anekdotes en opinies bijgedragen. Het gaat lang door, en de lezer vraagt zich wel eens af: wil ik dit allemaal weten, heb ik er iets aan?

Voor de geschiedenis van theater en televisie zal een beperkt aantal lezers genoeg belangstelling voelen. Daarvan zijn voornamelijk de tekstfragmenten die Thompson citeert de moeite waard: stukjes uit cabaretschetsen, uit tweemansprogramma's met Dudley Moore en uit solonummers. Die vormden een deel van Cooks repertoire. Hij was niet alleen humorist, komiek en satiricus van zijn vak, hij was het ook van nature. Als hij op een feest kwam of in een café luisterden na een paar minuten de meeste aanwezigen liever naar hem dan naar hun eigen moeizame gesprekjes. Van dat soort optreden is natuurlijk weinig overgebleven, het is nergens vastgelegd. Wij moeten het ons naar beste vermogen voorstellen aan de hand van enkele herinneringen uit Thompons bronnen. I am writing a book zei een slordige man op een partijtje, wat Cook beantwoordde met Are yout! Netther am I. Dat is een prachtige snelle van hem, die nog beter doorklinkt in het Nederlands: 'Ik ben een boek aan het schrijven.' 'O Ja? Ik ook niet.'

Cook was niet het soort veelprater dat omstanders overstemt. Hij charmeerde hen, zij hadden meer plezier in de wereld als zij door zijn ogen keken. Dat gold zowel voor de talloze vrouwen die een nacht of een deel van hun leven met hem doorbrachten, als voor de vrienden en vreemden tegen wie hij aanpraatte. Hoe krijgt iemand het voor elkaar?

Het is deze vraag, meer dan de historische informatie, die de lezer van zijn levensverhaal bezig houdt. Een van de gaven die Cook ter beschikking had, was de kunst om de spreektoon van allerlei type mensen na te doen: een wondermiddel om een gehoor mee te winnen. Een grotere kunst nog was dat hij altijd iets bijzonders wist te zeggen. Wat hij daarvoor benutte, waren niet bijzondere gedachten. Het waren alledaagse opmerkingen waarvan hij de banaliteit liet oplichten of de betekenis zo varieerde dat ze een onvoorzienbare inhoud kregen. 'Mijn moeder was een heilige', begon hij bijvoorbeeld (dit was in een programma, niet in een gesprek, maar even typerend voor zijn soort improvisatie) en vervolgde: 'Wanneer ik aan mijn lieve moeder denk zie ik steeds weer het beeld van een kleine, vriendelijke, mollige, grijze oudere vrouw die ploetert aan de gootsteen. “Donder op van die gootsteen!” (get away from that bloody stink), schreeuwde mijn moeder tegen haar, “en mijn keuken uit, jij vriendelijk mollig klein kreng!” - en we zijn er nooit achtergekomen wie zij was.'

Met zulke gedachtensprongen kon Cook aan zalen vol sobere toeschouwers de illusie geven dat er in hun eigen verbeelding onvermoede speelruimte braak lag. Misschien droomden zij ook dat zij uiterlijk op hem gingen lijken. In zijn jonge jaren oogde hij hartveroverend: knap, elegant, tintelend. Na vele duizenden flessen whisky en wodka werd hij bleker en plomper, maar nog steeds wist hij de mensen voor zich in te nemen.

Een probleem dat zijn begenadigde natuur meebracht, was dat hij het niet zonder voortdurende successen kon stellen. Verscheidene goede vrienden constateerden bij hem een onverzadigbare behoefte aan algemene goedkeuring. Zijn ouders, keurige middle-class mensen (zijn vader was koloniaal ambtenaar) hadden hem bijgebracht dat hij nooit iemand hoorde te vervelen maar altijd bereid moest zijn om zelf verveling te verduren. Het eerste deel van die leefregel wist hij uit te voeren, met het tweede lukte dat niet. Hij verveelde zich onverdraaglijk zodra hij niet in actie was en met zijn eigen gezelschap genoegen moest nemen. Het waren niet anderen die dat vaststelden, hij zei het zelf, bij vele gelegenheden in volle overtuiging. Hij verdient onder meer in de herinnering te blijven als een van de grote verveelden van de twintigste eeuw, samen met Graham Greene en enkele anderen.

Tegen de uitdrogende verveling was de drank de remedie, niet doeltreffend op den duur. Cook kon er een hoop van innemen en wanneer hij er eventjes vanaf was hervond hij zijn gewone vorm. Maar zijn gestel hield het niet vol. Zijn komische talent bleef intact, terwijl zijn emotie, zijn relaties en zijn gezondheid werden ontwricht. Zijn intellectuele belangstelling, in de vroege jaren voornamelijk gevoed door conversatie en kranten, zakte naar het peil van nachtelijke televisieprogramma's en telefoongesprekken met halve onbekenden.

Het is geen prettig gezicht, en soms ergerlijk, zo iemand die dagelijks met zijn tasje uit de drankhoek van de supermarkt voorbijsloft. De lezer kan het hem maar half vergeven en zou hem willen vermanen, wat bij levenden al zelden helpt en bij doden nog minder. Het heeft meer zin zich in zijn verbeeldingswereld te verplaatsen, open voor alle indrukken van buiten en invallen van binnen, nooit anders gewend dan verrukking alom zodra hij deze aan elkaar redeneerde. Wat een feest en een zinsbegoocheling; wat een contrast met de vlakke werkelijkheid van alledag.

Iedereen kent de ervaring van dit contrast, maar voor de meesten van ons wordt het zelden pijnlijk, omdat wij geen tovenaars zijn in het bespelen van ons gezelschap. Misschien was Peter Cook in gangbare geneeskundige termen enigzins manisch-depressief. Al was dat zo, het was niet het enige. Hij had te kampen met zijn zeldzame talent, dat hem zowel meester van de situatie maakte als slachtoffer.

Wij leven gewoonlijk op een lager pitje. Alleen in het diepst van onze gedachten zijn wij Peter Cook. Die diepe gedachten komen naar boven bij het lezen van zijn biografie. Het boek had korter mogen zijn, maar het wekt niet alleen de oude lachlust opnieuw op, het grijpt bovendien aan.

    • J.J. Peereboom