Onwetendheid

Volgens een onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau gaat het goed met het Nederlandse gezin en besteden ouders meer tijd aan de opvoeding van hun kinderen. Volgens een ander onderzoek valt onder de Europese jeugd een toenemend gebruik van drugs te constateren. In Nederland is ecstasy populair en in het jeugdgebruik van cocaïne zijn wij zelfs koploper.

Betreft het hier onderzoeken met een tegengestelde uitkomst? Gaat het goed met het Nederlandse gezin omdat het drugsverbruik is toegenomen, of gaat het goed met het Nederlandse gezin ondanks het toegenomen drugsgebruik. Of hebben de onderzochte grootheden geen direct verband met elkaar? Mogelijk zijn er andere factoren in het geding. Misschien is het mens-erger-je-niet wel vervangen door de gezamenlijke torpedo-stick en zitten de ouders van nu in het kader van het poldermodel thuis gezellig met hun kinderen te blowen. Ik weet het niet, het blijft een sociaal raadsel, dat ik graag opgelost zou zien.

Het was trouwens wel even schrikken, toen ik gisteren in de Volkskrant de citatie-index van de sociale wetenschappen aantrof. De Volkskrant beperkte zich tot de Europeanen op deze lijst van meest geciteerde sociale wetenschappers. Ruim bovenaan staat Sigmund Freud, die nu alweer 58 jaar dood is. Nabokov, die Freud een kwakzalver vond, en Han Israels, die Freud een oplichter vindt, hebben voor niets geleefd. In de Volkskrant wordt Freud omschreven als 'een Oostenrijkse psycholoog', maar in de psychologie heeft Freud nooit een rol van betekenis gespeeld. Het enige psychologische experiment dat Freud ooit heeft uitgevoerd, is door wetenschappelijke onkunde jammerlijk mislukt. Om het citatiesucces van Freud te verklaren, zou je dus eerst moeten weten in welk kader en door wie Freud is geciteerd.

Op de lijst van de eerste twintig staan vijf sociale onderzoekers die nog leven: de socioloog Bordieu (5de), de socioloog Giddens (7de), de filosoof Habermas (8de), de antropologe Douglas (13de) en de enige Nederlander, de sociaal-psycholoog Geert Hofstede, die tussen Sir Karl Popper (16de) en Immanuel Kant (18de) op een verdienstelijke 17de plaats staat. Het schaamrood van onwetendheid stijgt mij nu naar de kaken. Van Bordieu had ik nog nooit gehoord. Van Giddens en Mary Douglas heb ik nog nooit wat gelezen. Van Habermas heb ik wel iets gelezen, maar dat vond ik te theoretisch om werkelijk te kunnen boeien. Hofstede heb ik een keer ontmoet, maar zijn werk ken ik niet. In de Volkskrant zei Hofstede dat hij de Nederlandse cultuur als 'extreem feminien' beschouwt. In Nederland prevaleren vrouwelijke eigenschappen als dienstbaarheid en zorgzaamheid boven de typisch mannelijke, zoals prestatiedrang en carrièreplanning. Daar heb je het alweer met die sociale wetenschappen: veel grote verbanden en een vaag gevoel van zo kan ik het ook.

Op het lijstje neemt Marx (12de) voor mij een aparte plaats in. Ik heb zijn standaardwerk Das Kapital al zo'n dertig jaar in de kast staan, zonder dat ik er één letter in heb gelezen. Een blik op het zetwerk was voor mij al voldoende om ervan overtuigd te zijn dat hier iets werd meegedeeld op een ongelooflijk saaie wijze. Het vreemde is echter dat ik wel heel veel over Marx gelezen heb. Ik verbeeld mij ook dat ik tamelijk nauwkeurig Marx' theorieën over de ineenstorting van het kapitalisme weer kan geven, maar misschien is dat inderdaad niet meer dan verbeelding.

Wel heb ik het boek Karl Marx plays chess gelezen. Marx was als schaker een echte houwdegen. Hij kon aardig combineren en zijn musio-gambiet tegen Meyer is daar een goed voorbeeld van. Als Marx net zo schreef als hij schaakte, moet ik misschien alsnog Das Kapital gaan lezen. Nu de Berlijnse muur gevallen is, kan zijn boek toch geen kwaad meer doen.

Op de 11de plaats staat Vigotsjki, een naam die u misschien weinig zegt. Hij was een Russisch psycholoog die veel onderzoek heeft gedaan naar de taal. Een boer zei eens tegen hem: “Ik begrijp wel dat je instrumenten nodig hebt om de afstand naar de sterren te meten, maar hoe kom je er in godsnaam achter hoe die sterren heten?”