Ongezonde geluiden

Als je maag leeg is knort hij. En na het eten rommelt het vaak in je darmen. Soms voel je dan dat er iets in je buik van de ene plaats naar de andere stroomt. Bij iemand die naast je zit hoor je ook wel eens iets van binnen pruttelen. Maar je kunt nog veel meer horen als je je oor op de blote buik van je broer, zus, vader, moeder, vriend of vriendinnetje legt.

In buiken rommelt dan opeens van alles. En hogerop, in de borstkas, waar de ribben beginnen, kun je de hartslag horen. Boeboem, boeboem, boeboem klinkt het als je je oor op een borstkas legt. Je moet een beetje rechts op de borstkas zijn, van jou uit gezien, want de meeste harten zitten links. Wil je ook de ademhaling horen? Leg dan je oor tegen iemands rug vraag of hij diep in en uit wil ademen. Hoor je niks? Zoek dan eens iemand op die verkouden is en zijn snot vooral in keel en longen heeft. Dan hoor je het rochelen.

Wat je doet is hetzelfde wat dokters ook vaak doen. Ze luisteren hoe het binnen klinkt en soms kunnen ze dan zeggen wat er met een hart mis is, of hoe ernstig de verkoudheid of de astma is.

Honderden jaren luisterden dokters door hun oor tegen de patiënt te houden. Er was alleen een probleem. De dokters waren vroeger altijd mannen. En aan vrouwen en helemaal aan deftige dames durfden ze niet te vragen of ze even met hun oor op de buik of de borst van die mevrouw mochten luisteren. Dat was niet netjes.

In 1819 vond de Franse dokter Laënnec daar wat op. Hij liep een keer naar het huis van een deftige rijke mevrouw en onderweg zag hij twee kinderen. Het ene kind klopte tegen het uiteinde van een houten balk. Het tweede kind hield zijn oor tegen het andere uiteinde van de balk. Laënnec zag dat het luisterende kind het kloppen heel goed kon horen.

De mevrouw had last van haar hart en Laënnec wilde graag luisteren hoe haar hartklop klonk. Maar hij durfde weer eens niet te vragen of hij zijn oor tegen haar borst mocht houden. Hij greep een schriftje en rolde het tot een toetertje op. Toen mocht hij wel luisteren. Hij zette het kokertje op haar borst en luisterde aan het uiteinde. Of Laënnec de mevrouw kon genezen nadat hij had geluisterd is onbekend, maar dokter Laënnec had wel de stethoscoop uitgevonden. Dat gebeurde meer dan 180 jaar geleden, in 1816.

De stethoscoop is nu het instrument dat artsen het meest gebruiken. En als ze het niet gebruiken hangt hij om hun nek, of bungelt hij uit de zak van hun witte jas. De stethoscoop is al lang geen papieren kokertje meer. Eerst maakten dokters er een houten buis van. Ze maakten ook een luisterdopje waardoor het geluid beter werd opgevangen. En in plaats van een houten buis gingen ze een soepele rubber slang gebruiken. Daarna werd de slang halverwege gesplitst in twee slangetjes met aan het luister-eind oordopjes die de arts in zijn oren steekt, zodat hij met twee oren kan luisteren.

Door zo'n moderne stethoscoop hoor je veel, maar zolang je niet weet welk geluid bij welke ziekte hoort, heb je er niet veel aan. Toen Laënnec de stethoscoop had uitgevonden is hij in zijn ziekenhuis heel veel gaan luisteren bij zijn patiënten, vooral als ze een longontsteking hadden of een hartziekte. Hij schreef nauwkeurig op wat hij hoorde. Als een patiënt overleed sneed Laënnec het lijk open en zocht van binnen waar het ongezonde geluid vandaan was gekomen. Als hij daarna bij een andere patiënt een bekend geluid hoorde, wist hij soms al hoe het er van binnen uit moest zien en of de patiënt in levensgevaar verkeerde.

Door het luister- en lijkenonderzoek dat artsen vroeger deden, kunnen de dokters nu al vaak zeggen wat er aan de hand is als ze door hun stethoscoop luisteren. Als hij naar je longen luistert hoort hij bijvoorbeeld of een stuk van je longen helemaal verstopt zit. Hij luistert ook naar je slijmrochels. Die klinken door stethoscoop als scherpe ratels, of als doffe roffels, of als ander slagwerk. De dokter hoort eraan hoe diep het slijm zit en of het stijf vast zit, of nog een beetje stroomt.

Voor je eigen stethoscoop kun een lege keukenrol gebruiken als hoorapparaat. Maar als de dokter je weer eens met zijn stethoscoop onderzoekt en de koude dopjes op je blote rug zet, kun je altijd vragen of je zelf ook even mag luisteren.

    • Wim Köhler