Met Rik Roland Holst naar Gilbert en George in Parijs; Ze hebben wel veel mooie jongens op hun panelen

Bij een bezoek aan de tentoonstelling in Parijs van Gilbert & George liet Hugo Brandt Corstius zich vergezellen door de al zestig jaar dode kunstenaar Rik Roland Holst. “Ik zag heus wel dat het penes waren. Maar in de schilderkunst hoef je toch geen grove woorden te gebruiken.”

Gilbert and George, Musée d'Art Moderne de la ville de Paris, tot 4 januari 1998, maandag dicht.

Je moet nooit alleen naar een tentoonstelling gaan. Het beste kun je met iemand gaan die al een tijd dood is. Een levende heeft nu eenmaal zijn eigen looptempo plus die vervelende moderne opinies. Ik neem altijd een schilder mee die vast heel erg verbaasd zal staan over wat hij te zien krijgt. Zo ben ik met Artemisia naar Mutsaers gegaan en met Rubens naar Giacometti.

De grote overzichtstentoonstelling van de twee Britse kunstenaars die alleen bij hun voornamen George en Gilbert bekend staan, leek mij echt iets voor Richard Roland Holst (1868-1938), een kunstenaar over wiens werk je weinig meer hoort. Hij is op dit moment van de twintigste eeuw eigenlijk vooral bekend als oom van (namelijk van de dichter Adriaan Roland Holst), man van (namelijk van de dichter Henriëtte Roland Holst-Van der Schalk) en vriend van (namelijk van de historicus J. Huizinga). Toevallig heb ik net de Briefwisseling van Huizinga (drie delen, door Van der Lem uitgegeven) en de biografie van Jet Holst (een dik deel, door Elsbeth Etty) gelezen en uit die boeken komt Richard naar voren als een tamelijk slappe zak. Zijn briefjes aan zijn geleerde Leidse vriend vormen een opluchting van gewoonheid tussen al het geleerdenproza, maar zijn pijnlijk onnozel. Zijn huwelijk met Henriëtte van der Schalk was een grote vergissing. Koeltjes deelt de biografe ons mee dat er van lichamelijke liefde tussen de Holsten nooit sprake was en dat Rik algemeen werd beschouwd als homoseksueel. Komisch is hoe hij al zijn vrienden alarmeert over de op handen zijnde dood van zijn beroemde echtgenote, maar dat hij dan ineens zelf sterft en zij nog veertien jaar verder leeft.

Wat zijn werk betreft: ik moet de ramen die hij voor het Amsterdamsch Lyceum maakte, tientallen malen langdurig op mijn netvlies gehad hebben, maar er staat me niets van bij, terwijl ik één keer in het Stedelijk Museum een glas-in-lood-achtig schilderij van Gilbert en George heb gezien, dat me zo was bijgebleven dat ik nu wel eens de Parijse expositie die hun dertigjarige samenwerking samenvat, wilde zien.

Bij de toegang houdt Rik me staande. Hij wijst op een officiële kleine waarschuwing bij de deur, zoals je die op de Engelse televisie ook wel eens kunt lezen: Delen van deze tentoonstelling kunnen voor de beschouwer schokkend zijn. “Zullen we toch doorlopen?”, vraagt Rik me. Ik herinner me hoe hij en zijn vriend Huizinga de poëzie van Hendrik Marsman zo schokkend smerig vonden dat De Gids, waar ze beiden redacteur van waren, er absoluut niet door vervuild mocht worden. “Ach, een beetje schokkend is kunst altijd, dat moet jij als directeur van de Rijksakademie toch weten”, zeg ik en duw mijn dode vriend naar binnen.

“Kijk dat is aardig, een wijnglas met een krom pootje. En kijk daar: een platgedronken fles. Is dat geen surrealisme?” “Ja, Rik en zo blijkt maar weer dat elke kunstenaar in zijn jeugd fouten maakt. Dat surrealisme was toen Gilbert en George dertig jaar geleden begonnen al dertig jaar oud en begraven. Gelukkig hebben ze zulke dingen nooit meer gemaakt. Ze zijn begonnen zichzelf als levende beelden te presenteren, maar zagen toen in dat een voordeel van de geschilderde kunst is dat een schilderij er altijd is, dag en nacht, terwijl je als levend kunstwerk maar een paar etmaal per levensloop kan functioneren. Nu hebben ze gezorgd dat ze met zijn tweetjes op elk kunstwerk dat ze maken, aanwezig zijn. De eerste jaren in een keurig, zij het iets te klein, kostuum, later werden ze bloter.”

Knap gedaan

“Kijk, hier zie je een tekening van Gilbert door George, nogal academisch. En daar is een tekening van George door Gilbert, dat is wel knap gedaan, vind je niet, Hugo?”

“Nee, ook die twee oude tekeningen waren een vergissing. Wat zij doen is foto's nemen, die zwart-wit afdrukken en er dan met de acrylverf, of wat voor goedkope verf het ook is, overheen gaan. Op de achtergrond en de open plekken wat bomen of bloemen of een stadsgezicht en klaar zijn Kees en Wim.”

“Zou een schilder dat niet in zijn eentje kunnen doen? Waarom doen ze alles met zijn tweeën?”

“Omdat dat veel geestrijker is. Waarom nam Flaubert niet één enkele kopiist om de stompzinnigheid van de Hoe doe je het-boekjes uit de vorige eeuw belachelijk te maken? Omdat twee vrienden veel grappiger is. In de literatuur en het cabaret is de grappigheid van het dubbele stel al uitgemolken, in de beeldende kunst kan het nu beginnen. Het is eigenlijk een wonder dat zij het eerste mannenduo in de beeldende kunst zijn, zowel als makers als als objecten. Je hebt in de schilderkunst het thema van de man en de vrouw (Adam en Eva), van de Moeder en het kind (Maria en baby), maar als er twee mannen zijn dan vechten ze meestal (Kain en Abel). Gilbert en George begrepen dat een mannenduo dat in elk schilderij terugkeert een herkenningspunt levert dat beter in de herinnering blijft dan welke handtekening of welk stijlkenmerk ook. Bij de honderdtwintig schilderijen op deze tentoonstelling zijn er maar een paar waar zij niet op staan. Hier zie je twee vergrote spinnen vechten, en daaronder twee kerels in silhouet met veel benen en armen en zwaarden - dat moeten dus wel George en Gilbert zijn, al zijn hun gezichten onzichtbaar. Vind je het mooi, Rik?”

“Ik moet er even aan wennen. Ze hebben wel veel mooie jongens op hun panelen. Is dat echt glas-in-lood of lijkt het maar zo?”

“Het lijkt maar zo. Die zwarte lijnen, die elk schilderij in rechthoeken delen, maken het eenvoudiger om de enorme werken door de wereld te verhuizen. Vind je het niet gek dat er nooit een meisje of een vrouw te zien is?”

“Dat was me eigenlijk nog niet opgevallen.”

“Dat komt omdat jij zo'n verstopte homo bent, een die er niet voor uit durft te komen. Gilbert en George komen ook niet uit de kast, verspreiden zelfs het verhaal dat een van hen getrouwd en vader is. Maar uit al hun werk spreekt een totale angst voor de vrouw en een totale verering van het manlijk lichaam.”

“Dat vind ik juist zo mooi. Kijk eens naar die kruisen. Zie je dat bij hen in het kruis niet vier takken uit het midden komen, maar dat vier stronken naar het midden toe wijzen? Dat is gedurfd.”

“Dat zijn geen stronken, dat zijn penissen.”

“Hè, Hugo, zoiets zeg je toch niet. Ik zag heus wel dat het penes waren. Maar in de schilderkunst hoef je toch geen grove woorden te gebruiken.”

“Dat doen zij nu juist wel. De titels van hun werken zijn vaak nog sterker dan die werken zelf. Spit on shit, dat klinkt beter dan spuug op stront, vind je niet? Dead seed, dan denk je toch: sad deed? Zie je die bruine puimsteen waar ze daarginds op staan? Als het niet erbij stond, zou je toch nooit op het idee komen dat ze op een berg poep stonden?”

“O, dat is dus waar dat Franse bordje voor waarschuwde. Alsof de Fransen het woord merde niet voor in de mond ligt. Ik weet wel dat jullie in Holland nu voortdurend shit zeggen, maar dat is toch altijd nog een vreemde taal. Wat vind jij van de kleuren?”

“Dat poepbruin is niet mooi, maar de andere kleuren zijn, in hun totale rimpelloosheid, niet slecht. Al vraag je je af waarom soms de oortjes van de jongens, of de zakjes van hun herenpakken, in een andere kleur moeten.”

“Er is eigenlijk in al deze zalen maar één portret dat echt een individu weergeeft: die man met die stapelgekke kop. Dat is een ander schilderij waarop de schilders niet zelf te zien zijn.”

“Ja, dat is een mooie foto. De andere figuren zijn totaal inwisselbaar. Gilbert en George zijn zelf niet met elkaar inwisselbaar. George met de bril is langer en lelijker dan Gilbert.”

Filmpje

“Het zijn dan misschien geen echte glas-in-lood-ramen, maar ze doen wel wat ik ook altijd wilde doen: volslagen naturalistische voorstellingen in een volslagen onnaturalistische setting, waardoor ze symbolisch worden.”

“Ik dacht wel dat jij het mooi zou vinden.”

“Waarom wordt dat filmpje op de voorkant van zo'n klein kastje vertoond?”

“Dat heet televisie. Hier zie je ze iets doen wat ze zich juist hadden voorgenomen om nooit te zullen doen: uitleggen wat ze doen. Herinner je je nog hoe we daarnet lazen dat ze zich bij hun eerste optreden als levende beeldhouwwerken regels hadden gesteld en dat de eerste regel was: “Nooit over ons eigen werk praten?” Maar breng ze naar Peking of Amsterdam, en ze kletsen toch. Doofstomme schilders, dat is het ideaal.”

“Of dode. Ik moet je eerlijk zeggen, dat ik minder geschokt ben dan ik gevreesd had. Ik heb mijn hele schilderende leven angst gehad voor de gedachte aan abstracte kunst, waar je toen veel over hoorde. Maar hier is niets abstracts te zien. Het zijn allemaal beelden van echte dingen, meestal zelfs van levende dingen, meestal zelfs van mensen...”

“Altijd van mannen.”

“Nou ja, en waarom niet? Ik heb ook altijd graag mannen geschilderd. Dat waren dan zogenaamd beroemdheden of allegorische figuren, maar ik voelde me met mannen altijd veiliger. Vielen jou die jongens niet op die hierbuiten zo sierlijk op plankjes met wieltjes over de bordessen raceden?”

“Mij vielen die meisjes op, die hierbuiten zo sierlijk op torenhoge hakjes...”

“Je houdt mij voor de gek. Is er, op Jeanne d'Arc na, die trouwens altijd in mannenkleren liep, enige vrouw waar in Parijs een standbeeld voor is?”

“Hier vlakbij, bij de Alma-brug is een spontaan standbeeld aan het ontstaan voor een Engelse prinses.”

“En wat heeft zij dan wel gepresteerd?”

“Zij is bij de Alma-brug door haar dronken chauffeur tegen een paal doodgereden.”

“Ik geloof dat ik deze wereld van 1997 niet meer begrijp. Maar dat had ik zestig jaar geleden met de wereld van 1937 ook al. Maar dit werk van de heren Gilbert en George begrijp ik volkomen. Het is monumentale kunst waar ik mijn hoed voor afneem.”

“En je hebt niet het gevoel dat ze je voor de gek houden?”

“Ach, daar moet je bij een kunstenaar nooit bang voor zijn Heb je gezien hoe vaak ze hun tong uit hun mond steken? Prachtig is dat, die rode vlaggen uit hun monden. Daar zit niets tongue-in-cheek-s bij. Zij zijn zoals zij zijn. Fotografie is toch altijd eerlijk. Maar ze zetten wel stevige contourlijnen om hun lichamen. Alles is hier prettig groot en duidelijk. Wat een mooie hoge zalen trouwens. Voor zulk werk heb je grote zalen nodig.”

“Jouw vriend Huizinga was hier zestig jaar geleden voor een congres, toen het net klaar was en noemde het in een brief aan zijn verloofde: een bijzonder geslaagd nieuw gebouw, modern en niet te modern, helemaal wit, met mooie trappen en terrassen.”

“Dat valt me van Han mee. O ja, hij was toen verliefd. Ik dacht dat er voor hem na de vijftiende eeuw nooit meer iets moois was gekomen. Als ik door zijn ogen kijk, dan zijn die Gilbert en George barbaren zonder enig ontzag voor het kruis, voor de heiligheid van het menselijk lichaam, voor de innigheid tussen mens en mens.”

“Maar jij bent het daar niet mee eens?”

“Ik heb altijd gehouden van het menselijke, vooruit dan: het mannelijke lichaam, zoals dat nu eenmaal is. Dat schilderij met al die door de lucht wapperende onderbroekjes, dat is toch vrolijk! Vind je niet dat ik een beetje op Gilbert lijk? En dat George een beetje op professor Huizinga lijkt? Wat denk jij, zouden deze Gilbert en George over zestig jaar net zo totaal vergeten zijn als ik? Je antwoordt niet. Ach, hebben we nog even tijd om langs Rodin te gaan?”

“Ja, Rik.”