Karaktermoord

De mannen waaruit ik besta keken droevig naar het boek op het lage tafeltje: Een stuk van mijn hart van Germaine Groenier. Een van hen verbrak met een snik in de stem het zwijgen: “Zoiets noem je tegenwoordig toch karaktermoord? Ik heb haar op de televisie gezien, in gesprek met Sonja Barend en Hanneke Groenteman, en interviews met haar gelezen in Het Parool, Trouw, Opzij, NRC Handelsblad en De Gelderlander.

Wat gaat ze te keer over haar stiefvader Victor E. van Vriesland. Het leven in dat grote vervallen huis aan de Weesperzijde in Amsterdams moet een hel zijn geweest. In haar laatste tv-gesprek ontmaskerde ze hem ook nog als iemand die alleen maar pretendeerde dat hij een connaisseur van spiritualia was. Een ober van het Amstelhotel had haar geschreven dat ze hem flambeercognac schonken wanneer hij een glas bestelde uit de voor hem gereserveerde fles van de edelste Napoléon.''

“Ik heb iets dergelijks met hem meegemaakt”, zei een ander. “Bij een wijnproeverij in Rotterdam, in de jaren vijftig. Hij was er bij iedere glas naast. Hij wist niet, zei hij later, dat er ook Elzassische wijnen meededen. Ongelijk bekennen viel hem zwaar. Dat heeft hij zelf in Herinneringen gezegd.”

“In een interview”, zei een derde, “noemde Germaine hem een sadistische ijdeltuit. In haar boek schrijft ze: “Zo op het eerste gezicht zou je werkelijk denken dat Vic een vriendelijke erudiete man was in plaats van een rancuneuze egoïst. Egocentrisch en dictatoriaal was hij volgens haar. Hij was overgevoelig voor lawaai, werkte 's nachts, wilde dat het overdag tot vier uur stil was in huis. Indien niet dan 'loeide' onmiddellijk de huistelefoon en hoorde men hem razen en tieren. De avondmaaltijden waren een bezoeking. Ze duurden vele uren, en al die tijd, kostelijke wijn drinkend, praatte Vic, in het Frans, meestal dronken genoeg om zich de grootste geest van de eeuw en de meester der vertelkunst te noemen. Zo'n man was dat. Hij heeft zijn stiefdochtertje er wel toe gebracht serieuze boeken te lezen. Dat geeft ze hem na.”

“Haar moeder, Adrienne, is door hem verpest”, zei een vierde. “Een koele, afstandelijke vrouw noemt de dochter haar. Ze beschikte over politiek inzicht, humor en een tomeloze energie maar veranderde thuis in een afhankelijke, kritiekloze echtgenote, die alles opzij zette en zich volledig en met zichtbaar plezier schikte naar haar man. Het staat er.”

“Wat kan het ons eigenlijk schelen?”, zei een ander. “Waarom zouden wij droevig naar dat boek kijken?” “Omdat we van die mensen hielden”, zei de eerste. “Vic is 23 jaar geleden gestorven en er gaat geen week voorbij waarin ik niet aan hem denk, met genoegen. Hij was 82. Adrienne is vijf jaar geleden gestorven, en er gaat geen week voorbij waarin ik niet aan haar denk, met ontroering. Ze stierven allebei op 29 oktober. Vic is somber en rustig verdwenen. Adrienne's laatste maanden waren een tragedie. Haar zoon Binne had zelfmoord gepleegd door zich op te hangen. Zij woonde, dement wordend, in een aanleunwoning, ze haatte de wereld en zichzelf.”

“Waarom krijgt het boek zo'n aandacht?”, zei de tweede. “Het is makkelijk leesbaar, handig gedaan in een trant die ik eigenlijk niet mag. Een vrouw van vijftig herinnert zich niet woordelijk wat ze op haar zevende (!) aan tragische gesprekken heeft gevoerd, pagina's lang. Het is een genre als docudrama. Germaine Groenier werkt voor radio en tv. Ze zorgt royaal voor effect. Maar veronderstel nu eens dat de grote boosdoener in het boek een meneer X was?”

“Dat is het gekke”, zei een ander. “In alle stukken die ik erover gelezen heb gaat het vooral om de huistiran Van Vriesland. Ik dacht dat die man allang was vergeten. Voor de oorlog had hij enige faam verworven als dichter van moeilijke poëzie en als literair recensent. Na de oorlog ook nog bekend als bestuurder van verenigingen. En korte tijd beroemd door een radio- en tv-spelletje, 'Hou je aan je woord'. Ik veronderstel dat er vijf mensen in Nederland zijn die van zijn gedichten houden.”

“Het kind Germaine heeft niet echt goed geluisterd”, zei een van ons. “Het was heel erg vindt ze. Je bent jong en je wordt gedwongen om urenlang op je stoel aan de eettafel zitten en iedere avond dezelfde dronkemansverhalen aan te horen. Maar die limerick op bladzij 94 is vast niet van Pom Nijhoff. Die is van Jany Roland Holst. En Vic kan onmogelijk verteld hebben (blz. 95) dat zijn broer, de zionist, vlak na de oorlog op een boot vol emigranten het Beloofde land Palestina bereikte en zich vlak voor de kust een kogel door het hoofd schoot. “Die ene gek”, noemde Vic hem volgens zijn stiefdochter. Dat is lasterlijk. Vics broer Sigfried was als zionist naar Palestina gegaan, deed er belangrijk werk, pleegde in 1939 zelfmoord. Vic beschouwde die zelfmoord als het begin van de oorlog.”

“Een vreemd gezelschap”, zei een ander. “Van Vriesland woonde met zijn vrouw, de twee jonge kinderen van zijn vrouw, de huis-genote/huishoudster van zijn vrouw, de vader van zijn vrouw. Die twee mannen mochten elkaar niet. Dochtertje Germaine vond het prachtig dat haar opa oom Vic op de kinderachtigste manier pestte en uit de slaap hield.”

“Vic was gelukkig een bizarre man,” zei een van ons. “Ik denk dat hij op zijn zestigste niet de ideale stiefvader was van een rebels kind van tien. Maar hij kan toch niet verantwoordelijk zijn voor de psychoses van zijn stiefdochter en de zelfmoord van zijn stiefzoon?”

“Arme Adrienne”, zei de eerste van ons, “dat stemt mij misschien het droevigst, dat Adrienne niet vriendelijker wordt gekenschetst. Ik heb haar gekend als een trouwe, openhartige, hulpvaardige vrouw. Ze had veel fantasie, ze overdreef in haar verhalen, ach, dat moeilijke en gretige leven van haar eindigde in verwarring, afschuw, wantrouwen en verschrikkelijk schuldgevoel. Trots was ze op haar dochter Germaine. Ik werd er soms wee van, van die lofprijzingen van de sterke, hard werkende, begaafde, onverbiddelijk rechtlijnige, onvermoeibare Germaine.”

“Kom jongens”, zei een van ons. “Laten we naar Vics kamer gaan en de speciaal voor hem gestookte jenever drinken, en verhalen vertellen, Adrienne en hij en wij en gedichten citeren en ons een paar uur gelukkig voelen met wat de stiefdochter 'opgeklopt intellectualisme' noemt.”

    • Alfred Kossmann