Het woord is trui geworden

Alvaro Pombo: Verschijning van het Ewigweibliche. Verteld door Z.M. de Koning. Uit het Spaans vertaald door Eugenie Schoolderman. Menken Kasander & Wigman Uitgevers, 201 blz. ƒ 37,50

De Spaanse Burgeroorlog is net achter de rug en de fantasiewereld van de onafscheidelijke neefjes Sufkop en de Chinees wordt bevolkt door sergeant-majoors, luitenant-kolonels, bombardementen, vijanden en bondgenoten. Sufkop is de denker en de prater, en dus de koning. De Chinees is de doener met het hart op de juiste plaats en dus - volgens Sufkop - een geboren soldaat en opperbevelhebber van drie legers.

In Verschijning van het Ewigweibliche verplaatst de Spaanse schrijver Alvaro Pombo zich op meesterlijke wijze in de belevingswereld van Sufkop, de twaalfjarige verteller. Zijn onstuitbare gedachte- en woordenstroom waaiert alle kanten op. Hij is onafgebroken aan het observeren en analyseren. Het meest nog is hij geboeid door de gedragingen van de Chinees, die zo anders is dan hij. Hij denkt dat de Chinees een beter mens is omdat hij alleen praat als er echt iets gezegd moet worden en omdat hij geleid wordt door eenduidige emoties, terwijl Sufkop zelf altijd tegenstrijdige gedachten en gevoelens heeft. Sufkop heeft zoveel fantasie dat hij al gauw in zijn eigen leugens verstrikt raakt, terwijl de Chinees niet eens weet wat liegen is. Sufkop adoreert de Chinees. Dan adopteert de familie het Duitse weesmeisje Elke. Zij snapt niks van de spelletjes van de jongens. Ze reageert niet op de naam Rommel en springt zelfs niet in de houding bij de uitroep 'Dojtslanddoitslandliberales'. Ze moet dus wel een spion zijn, concludeert Sufkop. Maar de Chinees wordt verliefd op Elke, en gaandeweg gaat ook Sufkop haar steeds interessanter vinden. De komst van deze indringster verstoort het vertrouwde patroon van de vriendschap tussen de twee jongens. Sufkop raakt hevig in verwarring van deze veranderingen en van het onbekende verschijnsel 'meisje'.

Verschijning van het Ewigweibliche is de vierde roman van Alvaro Pombo die in Nederlandse vertaling verschijnt. Ook met de eerdere romans bewees hij een groot schrijver te zijn, die zich concentreert op het kleine. Hij is gefascineerd door de binnenwereld van mensen die in afzondering leven. Hun harmonieuze routine wordt doorgaans verstoord door een ontregelende factor van buitenaf. Deze zet het leven van de hoofdpersoon op zijn kop. Kwellende levensvragen over goed en kwaad, schuld en verraad, vriendschap en liefde dringen zich op. Pombo behandelt ze met wijsgerige diepgang op onpretentieuze, lichtvoetige toon in beeldende taal.

Ook Verschijning van het Ewigweibliche staat bol van prachtige vergelijkingen, die getuigen van een grote liefde voor woorden. Als Sufkop nadenkt over het verraad aan de vriendschap met de Chinees definieert hij kameraadschap als volgt: 'Je voelt vooral hoe het woord kameraad, de betekenis van het woord kameraad, je hele hoofd in beslag neemt zoals bijvoorbeeld de wortels van een plant de hele ruimte van de pot waarin hij staat inneemt, zodat er tussen de wortels bijna geen aarde meer zit.' Toen kwam Elke die eerst haar uiterste best deed ook als kameraad geaccepteerd te worden, terwijl ze dit bij nader inzien toch niet bleek te zijn: 'zij had het woord kameraad op de grond laten vallen als een trui die haar niet goed zit. Als een jongenstrui die ze maar even had aangeschoten omdat het koud was tijdens het uitstapje'.

Sufkops filosofische overpeinzingen gaan gepaard met een kinderlijke naïviteit die vertederend is en op de lachspieren werkt. Bij het vertellen gebruikt hij grotemensenwoorden die hij ergens heeft gelezen of opgevangen, maar waarvan hij de betekenis nog niet volledig kan doorgronden. Zo vraagt hij zich na een hypnosespelletje met de Chinees bezorgd af of deze niet het slachtoffer is van een 'hersenembolie, de meest voorkomende oorzaak van sterfgevallen door hypnose.'

Het ontdekken van de taal en daarmee de betekenis van de dingen vormt de kern van deze roman. Een verhaallijn is er nauwelijks. De lezer volgt alle gedachtenspinsels en associatieve uitweidingen van Sufkop op de voet. Deze is zich bewust van zijn chaotische verteltrant, maar heeft er terecht maling aan. 'Wat ik niet doe is rechtstreeks vertellen. Wat heb je eraan dat de rechte lijn de kortste afstand is tussen twee punten? Ik zeg dan, nou, en wat zou dat? De kortste kan ook best de slechtste zijn en je kunt er uiteindelijk nog langer over doen ook. Op schoolreisjes zijn er altijd die met alle geweld rechtstreeks de berg op willen om dan later aan te komen dan jij, zonder bovendien amper iets gezien te hebben.'