Het Frans postmodernisme doorgerekend; Oorlog aan het filosofenfront

Het is oorlog. De Franse postmoderne filosofie ligt onder vuur van de Amerikaanse kritiek. Casus belli is het boek van de Amerikaanse wetenschapper Alan Sokal en zijn Belgische collega Jean Bricmont, waarin een aantal grote postmodernisten uit Frankijk wordt gefileerd. Sindsdien is Frankrijk in verwarring. 'Zijn onze filosofen oplichters' is daar nu de bange vraag.

Alan Sokal & Jean Bricmont: Impostures Intellectuelles. Ed. Odile Jacob, 276 blz. ƒ 60,20

Een groot aantal van de artikelen die betrekking hebben op de 'affaire Sokal' zijn te vinden op internetpagina http://www.physics.nyu.edu/faculty/sokal/#papers. De 'Postmodern Generator' is te vinden op pagina http://www.cs.monash.edu.au/cgi-bin/postmodern. Ger Groot

'Zijn onze filosofen oplichters?' vroeg het Franse weekblad Le nouvel observateur zich een paar weken geleden in grote kopletters af. Stelt het werk van coryfeeën als Lacan, Kristeva, Baudrillard en Deleuze wel iets voor? Of moeten zij het voornamelijk hebben van ondoordringbare gewichtigdoenerij die roemloos ineenzakt wanneer men er een beetje kritisch aan begint te peuteren?

Dat laatste hebben twee fysici gedaan, en het resultaat is niet bemoedigend. Alan Sokal, van New York University, en Jean Bricmont, van de Universiteit van Louvain-la-Neuve, werkten zich door een berg Franse 'postmoderne' filosofie heen en stuitten op zoveel ijdel gebruik van wetenschappelijke termen en bombastische quasi-diepzinnigheid dat ze er een boek mee hebben kunnen vullen. Dat requisitoir ligt, onder de titel Impostures intellectuelles (Intellectueel bedrog), sinds een paar weken in de Franse boekwinkels en bracht de Nouvel Obs tot zijn pijnlijke zelfonderzoek. Ook in andere media (Le Monde, Libération) woedt de discussie hevig.

Dat is niet voor het eerst. Al in het voorjaar van 1996 publiceerde Sokal (toen nog zonder Bricmont) een inmiddels berucht artikel in het Amerikaanse tijdschrift Social Text dat geheel was opgebouwd uit citaten en parafrasen van postmoderne ideologen vol betekenisloze beweringen en wetenschappelijke onzin. Tot Sokals verbazing werd het stuk, Transgressing the Boundaries: Towards a Transformative Hermeneutics of Quantum Gravity, moeiteloos door het tijdschrift geaccepteerd. Toen eenmaal duidelijk was geworden hoe de vork in de steel zat, sloeg aan beide zijden van de oceaan de vlam in de pan.

Impostures intellectuelles werpt nieuwe olie op het vuur. Op het eerste gezicht is dat nogal verwonderlijk, want aan parodieën op de postmoderne tics heeft het de afgelopen decennia niet ontbroken. Wie een internet-aansluiting heeft kan daarop zelfs een Postmodern Generator aantreffen, die bedrieglijk levensechte artikelen produceert met titels als Dialectics of Genre: Capitalist Sublimation and the cultural paradigm of Concensus. Meer serieuze kritiek is ook in Frankrijk niet uitgebleven. Al in het begin van de jaren tachtig publiceerde de Wittgenstein-specialist Jacques Bouveresse twee felle maar goed gedocumenteerde pamfletten (Le philosophe chez les autophages en Rationalité et cynisme) die buiten Frankrijk nauwelijks aandacht hebben gekregen.

Waarom dan deze ophef over een boek dat bovendien een veel beperktere opzet heeft dan de aanval van Bouveresse? Sokal en Bricmont beperken zich strikt tot het gebruik (en misbruik) van termen en theorieën uit de natuurwetenschap, waarvan hun slachtoffers bitter weinig kaas gegeten blijken te hebben. Genadeloos ontleden zij het werk van Paul Virilio (die snelheid en versnelling niet uit elkaar kan houden), Luce Irigaray (die schrijft over een vrouwvriendelijke mechanica van vloeistoffen zonder veel te begrijpen van het onderzoek daarnaar) en Deleuze, wiens capriolen met de differentiaalrekening leiden tot ondoorgrondelijk proza zonder inhoud.

Om die reden zoekt men in het boek vergeefs naar enkele van de grootste postmoderne voorgangers: Roland Barthes, Michel Foucault en Jacques Derrida, die zich nu eenmaal nooit van natuurwetenschappelijke termen of theorieën hebben bediend. Alleen de laatste kon worden betrapt op een (mondelinge) uitglijder uit 1966: onvoldoende, zo menen de beide auteurs, om hem in hun boek op aan te vallen.

Uitdrukkelijk onthouden de auteurs zich van een oordeel over de waarde van de filosofieën van de gewraakte denkers als geheel, omdat hen daarvoor, schrijven zij, de competentie ontbreekt. In feite staat of valt het denken van geen van hen met de kritiek die Sokal en Bricmont te leveren hebben - al stellen de laatsten terecht vast dat zoveel pompeus en loos woordgebruik hoe dan ook te denken geeft.

Francofobie

Ondanks hun zorgvuldige oordeel kreeg Impostures intellectuelles in Frankrijk een gemengd onthaal. Vooral Julia Kristéva toonde zich in de Nouvel Observateur met haar onbeheerste verwijt van Amerikaanse francofobie aan het adres van Sokal en Bricmont (nota bene een Franstalige Belg) weinig chic. Maar in hetzelfde nummer noemde Foucault-biograaf Didier Eribon het boek een lofwaardige poging tot 'openbare hygiëne', en La Quinzaine littéraire gaf Sokal en Bricmont op een enigszins ironische manier het grootste gelijk van de wereld. Jacques Lacan een oplichter noemen, schreef het blad, is zoiets als naar een goochelaar gaan en juist wanneer het weesmeisje zal worden doorgezaagd, hard door de zaal roepen dat het allemaal niet echt is.

Om een frontale aanval van Amerikaans op Frans denken is het Sokal en Bricmont in ieder geval nooit te doen geweest, al heeft de ophef die het boek veroorzaakte aan die tegenstelling waarschijnlijk wel veel te danken gehad. 'Voor ons hebben ideeën geen nationaliteit,' zo lichtten zij hun bedoelingen in een verhelderend artikel in de Times Literary Supplement nog eens toe. En eerder al had Sokal laten weten zich minstens evenveel te ergeren aan zijn overijverige supporters, die liefst direct het vuur zouden openen op alles wat in Amerika progressieve filosofie en wetenschap heet, als aan de denkers die hij aanviel en parodieerde.

Van een 'rechtse' aanval uit naam van gewoondoenerij en 'gezond verstand' is in Impostures intellectuelles dan ook geen sprake, zo bezweren beide auteurs. Om te beginnen niet omdat ook de fysica wel eens tegen de evidenties van het gezonde verstand ingaat. En bovenal omdat beiden zichzelf uitdrukkelijk als links beschouwen, met feministische sympathieën en een warme inzet voor de verheffing van het volk, die Sokal tijdens het Sandinistische regime in Nicaragua zelfs tot aan de universiteit van Managua bracht. ' 'Maar', zo schreef hij naar aanleiding van zijn parodie in Social Text, 'ik heb nooit kunnen inzien wat 'deconstructie' kan bijdragen aan de bevrijding van het proletariaat' ': wat er - met andere woorden - 'links' is aan de postmoderne twijfel aan waarheid en wetenschap.

In dat onbegrip staan Sokal en Bricmont niet alleen. Ook de marxistisch geïnpireerde literatuurtheoreticus Terry Eagleton laat al jaren dergelijke kritiek horen en herhaalde die nog eens in zijn onlangs verschenen bundel The Illusions of Postmodernism. Het kwam hem op een bespreking in de Times Literary Supplement te staan die hem er fijntjes aan herinnerde dat Foucault in de jaren zestig in Vincennes (en, zo kan men er aan toevoegen, Derrida in de jaren tachtig in Tsjechoslowakije) risico's bleken te willen lopen die men in Oxford (waar Eagleton doceert) niet zo snel tegenkomt. Een dergelijke ironie is ten aanzien van Sokal zeker misplaatst en men kan het met Impostures intellectuelles eens zijn dat dat - ook in positieve zin - weinig zegt over de theorieën van deze auteurs. Maar, om de woorden van Sokal en Bricmont aan te halen, it does make one think.

Amerikaans avontuur

In feite, zo blijkt uit het nawoord van het boek, hebben Sokal en Bricmont minder het Franse intellectuele klimaat van de afgelopen decennia willen bekritiseren dan de invloed die daarvan op de Verenigde Staten is uitgegaan. Als er van een ideologie als postmodernisme al sprake is, dan heeft die veeleer in Amerika dan in Parijs gestalte gekregen. Niet toevallig bestaat de literatuur die Sokal en Bricmont achterin hun boek als corpus delicti presenteren voor het overgrote deel uit Angelsaksische publicaties.

Hoe avontuurlijk het Franse denken immers ook mocht ogen, wortel heeft het in Europa nauwelijks geschoten. Voor zover het er al school heeft gemaakt (vooral in Noord-Europa), gebeurde dat grotendeels nadat het via de Verenigde Staten was ge-herimporteerd. Voor de radicale consequenties die men er daar aan verbond, is Europa over het algemeen te sceptisch gebleken. Men kan zich dan ook moeilijk voorstellen dat Sokal zijn parodie ergens anders dan in de Verenigde Staten had kunnen publiceren. In het Nederlands taalgebied lijkt er in ieder geval geen enkel tijdschrift te zijn dat in aanmerking had kunnen komen, en elders in Europa liggen ze ook niet voor het oprapen. Dat pleit de Franse meesterdenkers die aan de oorsprong van de postmoderne uitwassen staan niet vrij van verantwoordelijkheid, maar relativeert wel de Frans-Amerikaanse tegenstelling waarin de 'affaire Sokal' vaak getrokken wordt.

Hoe heeft het zover kunnen komen? vragen Sokal en Bricmont zich in hun nawoord af. Zij wijzen op een aantal oorzaken die vooral methodische tekortkomingen van de 'postmoderne' disciplines betreffen (blindheid voor de empirie, een eenzijdige literair-filosofische vorming). Minder oog hebben ze voor de verschillen in het academisch klimaat tussen Frankrijk en Amerika, die daarbij zeker zo'n grote rol spelen. Want ideeën mogen dan geen nationaliteit hebben, de sfeer waarin ze tot ontwikkeling komen bepaalt hun lot wel degelijk.

Juist de klassieke filosofische vorming die iedere student in Frankrijk bezit zorgde er voor dat de postmoderne wildheid er nooit helemaal losgesneden werd van de Verlichtings-traditie waarmee Sokal en Bricmont zichzelf het liefst identificeren. Veel van die wildheid had alleen maar betekenis tegen die achtergrond, die in Amerikaanse vorming (vooral aan de letterenfaculteiten) lang niet zo sterk aanwezig is. Misschien nog belangrijker is het relatieve isolement waarin de Amerikaanse academische wereld opereert. Afgesneden van elke reële politieke invloed (vooral sinds Ronald Reagan), en vaak geïsoleerd op campussen waar de intellectuele inteelt vrij spel had, dreef de academische elite gemakkelijk weg in een radicalisme dat geen enkele verantwoordelijkheid meer kon, maar ook niet mocht dragen.

Mandarijnen-proza

Het in zichzelf ronddraaiende mandarijnen-proza dat door die inteelt werd bevorderd ging moeiteloos samen met de tweede ondeugd die Sokal en Bricmont in hun boek hekelen: het relativisme dat meent dat er geen objectieve waarheid bestaat, maar dat elk wereldbeeld zijn eigen rechten heeft en waarheid (ja zelfs werkelijkheid) louter het product is van onze manier van spreken daarover. De grovere vormen van dit cultuur- en kennisrelativisme hebben zowel in de wetenschap als de samenleving een funeste invloed uitgeoefend, zo stellen zij vast. Dat velen het Bijbelse scheppingsverhaal als historische waarheid net zo serieus nemen als de evolutietheorie is daar maar één voorbeeld van, en waarschijnlijk niet eens het meest schadelijke.

Ook hierin betonen zij zich geen positivistische rouwdouwen zonder enige nuance, al houden zij - niet ten onrechte - vast aan hun uitgangspunt dat er een buitenwereld is en dat die het objectieve criterium is van alle kennis, ook al zal die waarschijnlijk nooit helemaal volmaakt zijn. In een lang 'Intermezzo' over het relativisme in de wetenschapsfilosofie maken zij er bovendien geen geheim van dat deze ideeën eerder op Angelsaksische dan op Franse bodem zijn opgeschoten. Ze gaan daarbij, verrassend genoeg, allereerst in discussie met Karl Popper, de enige denker wiens centrale ideeën zij onder vuur nemen. Diens weigering te erkennen dat de wetenschap ooit een positieve waarheid kan bewijzen heeft in hun ogen de sluizen opengezet voor het wetenschapsrelativisme dat na hem zou volgen.

Toch presenteert het boek zich vooral als een kritiek van Franse filosofen en in dat opzicht zijn de auteurs niet geheel onschuldig aan het feit dat het boek al snel in een controverse tussen Amerikaans en Frans denken verzeild is geraakt. Dat neemt de pertinentie van hun kritiek uiteraard niet weg. Het laat ons achter met de vraag wat hij na dit boek aan moet met de filosofie in het algemeen, en de Franse in het bijzonder.

De aanbevelingen die Sokal en Bricmont doen (geen wetenschappelijke begrippen gebruiken die men niet of maar half begrijpt; zich niet duister uitdrukken om diepzinniger te lijken dan men is) zijn behartenswaardig genoeg, maar ze zijn ook soms minder eenduidig dan ze lijken. Wanneer Lacan goochelt met imaginaire getallen, dient dat geen enkel ander doel dan indruk te maken op zijn publiek, en voor zijn eigenzinnige maar zinledige mathematische notaties geldt hetzelfde. Maar minder duidelijk is waarom ook woorden als 'quark', 'traagheid' en 'zwaartekracht' onder dat verbod zouden vallen. Ze zijn nauwelijks nog exotisch te noemen en als beeld of metafoor dus heel goed te gebruiken - zonder dat daarmee gezegd is dat Lacan ze ook op een zinvolle manier hanteerde.

Wellicht strookt dat metaforische gebruik niet helemaal met hun wetenschappelijke betekenis. Maar elke kennis die gemeengoed wordt, raakt vervormd en vereenvoudigd, net als het daarbij horende taalgebruik. Ook menig filosoof zal zich wel eens geërgerd hebben aan het ijdel gebruik van woorden als 'transcendentaal', 'deconstructie' of zelfs 'filosofie' ('de filosofie van het parkeerbeleid'), maar er valt weinig tegen te doen, en er zit ook een goede kant aan: het wijst in ieder geval op een zekere populariteit van het betreffende vakgebied. Ook de natuurwetenschappen, die zich vaak zo beklagen over het gebrek aan belangstelling, zullen die tol moeten betalen wanneer hun woorden en theorieën eenmaal werkelijk populair worden.

Troebel water

Dat betekent niet dat filosofen ontslagen zijn van de plicht zich zo helder mogelijk uit te drukken. Die plicht heeft een aantal Franse denkers nogal lichtjes opgevat, vanuit de kennelijke overtuiging - aldus Sokal en Bricmont - dat wat duister oogt ook diepzinnig is. Daarom verdienen ze kritiek, maar dat lost de vraag nog niet op wat we met hun werk aan moeten. Want even onzinnig om te denken dat duisterheid vanzelfsprekend diepzinnigheid betekent is het te denken, dat wat moeilijk toegankelijk is bij voorbaat de moeite van het proberen niet waard is. Het blijft natuurlijk altijd afwachten of er onder het troebele water nog iets van zilver schuilt, maar dat is het risico dat bij elk zoeken hoort.

Of moeten we ons, na dit ontnuchterende panorama, maar liever niet meer met filosofie inlaten? Ik vermoed dat elke filosoof zich die vraag wel eens gesteld heeft. De Pools-britse denker Leszek Kolakowski, niet bepaald een postmoderne flierefluiter, heeft van die zelfontnuchtering zelfs een criterium voor wijsgerige diepgang gemaakt. Wie als hedendaagse filosoof nog nooit het gevoel heeft gehad dat hij een charlatan is, moet wel een oppervlakkige geest zijn, wiens werk vermoedelijk niet de moeite van het lezen waard is, luidt de eerste zin van zijn prachtige boekje Horror metaphysicus.

Van filosofen wordt nu eenmaal verwacht dat ze antwoord geven - of dat althans proberen - op de grote levensvragen, die er in de loop der tijd bepaald niet minder dringend op zijn geworden. Dat zijn geen wetenschappelijke vragen, maar de wetenschappen spelen daarin wel een grote rol, eenvoudigweg omdat we in een wetenschappelijke wereld leven. Vatbaar voor een zekere redelijkheid zijn die vragen echter wel, en voor die redelijkheid moet de filosofie garant staan, willen ze niet reddeloos ten prooi vallen aan obscurantisme van de meest deprimerende soort.

Filosofie doet op een wat ruimere schaal niet zoveel anders dan wat 'generalisten' op een vakgebied doen. Ook wetenschappers overzien hun eigen discipline allang niet meer en daarom is het in ieders belang dat er af en toe een samenbindende visie wordt opgeworpen die alle deelkennis zijn plaats en daarmee zijn betekenis geeft. Wanneer er zoiets gebeurt, is er altijd lof voor degene die zo'n meestergreep heeft durven wagen, maar ook onvermijdelijk kritiek vanuit de specialismen op de talloze details die in zo'n overzicht niet deugen. Werk in teamverband helpt wel een beetje, maar in laatste instantie is zo'n visie toch van één persoon afhankelijk en zal de details onvermijdelijk enig geweld worden aangedaan.

Ook filosofen zijn, wanneer ze een wereldvisie ontvouwen, verplicht zich zo goed mogelijk te informeren - ook over de wetenschappen - maar daar is een grens aan. Op dezelfde manier hebben zij de plicht zo helder mogelijk te schrijven, maar ook daar is een grens aan. Het enige dat hen uiteindelijk onderscheidt van de charlatan is hun intellectuele strengheid, waardoor hun woorden vatbaar blijven voor kritiek en zij bereid zijn tot een redelijke discussie daarover. Dat behoedt hen niet voor misslagen, maar wel voor het afglijden in een werldbeschouwelijk delirium.

Daarom is gefundeerde en afgewogen kritiek als die van Sokal en Bricmont een zegen voor de filosofie, al zal ze bij filosofen soms hard aankomen. Ze zijn toch al beroepstwijfelaars, niet gezegend met veel wetenschappelijke status en een groot zelfvertrouwen. Dat ze zich ter compensatie soms aan de 'echte' wetenschappen proberen op te trekken door hun werkwijze, organisatie, vocabulaire en theorieën na te apen is begrijpelijk, maar niet erg verstandig. Altijd al balancerend op de rand van het belachelijke, maken ze zichzelf er alleen maar clownesker door. Tegen alle druk tot verwetenschappelijking in doen ze er - zo suggereren Sokal en Bricmont bijna tussen neus en lippen door - maar het beste aan hun eigen taal en trots te hervinden.