Herta Müllers gruwelsprookjes; Een dode vinger met een rouwrand

Herta Müller: Heute wär ich mir lieber nicht begegnet. Rowohlt, 240 blz. ƒ 55,70 (geb.)

Al jarenlang schrijft Herta Müller over hetzelfde en nog steeds komt een nieuw boek van haar heel hard aan. Want niemand brengt het leven in een dictatuur zo dichtbij als zij. Onmogelijk om nìet mee te lijden met haar hoofdpersonen. Hun gekwelde bestaan werpt zich als een net over de lezer heen en soms vreest hij erin te stikken: net als Müllers 'ikken' is hij beland in de nachtmerrie die Roemenië heet.

Het is het Roemenië van Nicolae Ceausescu, maar die naam noemt Herta Müller nergens. Namen en jaartallen hebben het veld geruimd voor beelden die meer zeggen dan de historische feiten. Haast alle details in haar jongste roman Heute wär ich mir lieber nicht begegnet zijn bezield door angst en walging. Alleen al het flatgebouw waarin de ik-figuur woont belooft weinig goeds: de betonkolos staat zo scheef dat de totale ineenstorting nabij lijkt. Aardbevingsbestendige bunkers moeten de arbeiders van Roemenië voor hun Leider bouwen, maar behoorlijke huisvesting krijgen zij er niet voor terug.

Müllers aanklacht tegen de dictatuur is in de eerste plaats een aanklacht tegen de mensenverachting die de staat als middel hanteert om zijn onderdanen van hun laatste restjes zelfrespect te beroven. Met succes, want alcoholisme, gekte en zelfmoord verspreiden zich als olievlekken, en niet zelden uit het onbehagen zich in pure boosaardigheid. Buren verklikken elkaar en collega's in de fabriek stelen bij het douchen elkaars kleren zodat het slachtoffer naakt naar huis moet lopen. De vertelster, een jonge vrouw, maakt het allemaal mee.

Terwijl de openingszinnetjes zo onschuldig klinken: 'Ik ben besteld. Ik word steeds vaker besteld.' Bij de geheime dienst, merken we even later. Alles over haar liefdesleven wil haar verhoorder weten: met zijn ogen en meer nog met zijn insinuaties kleedt hij haar helemaal uit - alweer die naaktheidssymboliek - en het enige verweer dat haar ter beschikking staat is een stille aftocht naar die herinneringen die nog niet door de machthebbers besmeurd zijn.

Maar steeds keren haar gedachten terug naar de verhoren, naar de spionnen in de flat, naar de arrestatie die haar als een zwaard van Damocles boven het hoofd hangt. De nare dingen uit het verleden dringen zich schaamteloos op. Zoals de wraak van haar chef. Aan de directie van de textielfabriek meldde die dat zij in de zakken van tien herenpantalons, bestemd voor de export naar Italië, briefjes had gestopt met de tekst Ti aspetto en daaronder haar naam en adres. Die fantasierijke poging om door een buitenlandse bruidegom uit de gevangenis Roemenië te worden bevrijd, legt men uit als landverraad; de Ik krijgt ontslag en bizarre bedreigingen volgen.

Zo vindt ze op een dag in haar handtas een pakje. Ze maakt het open en kijk, daar ligt een vinger, een mannenvinger met een dikke rouwrand onder de nagel. Meteen weet ze dat het cadeau een geintje is van haar ondervrager. Ook haar man wordt in het nauw gedreven en door dat vertwijfelde liefdesverhaal heen weeft Müller een paar parallelle geschiedenissen. De indrukwekkendste daarvan is wel die van het meisje Lilly dat bij de grens werd doodgeschoten toen ze samen met een officier probeerde te vluchten. Herta Müllers gruwelsprookjes zijn mooi door hun verschrikkelijkheid.

Het geel van de maïsvelden, het zwart van de gieren, het klaprozenrood van Lilly's aan flarden geschoten lijf: de kleuren springen je tegemoet. Ook past de schrijfster vaak een filmische verteltechniek toe waarbij haar camera onverhoeds zwenkt, van de scheve flat bijvoorbeeld naar de glazen ogen in een door de zon beschenen vitrine. Zulke zwalkbewegingen en zulke hallucinante close-ups bezorgen de lezer misselijk makende duizelingen die precies passen bij de gesteldheid van Herta Müllers heldin.

'Ik deed mijn ogen open, ze liepen uit mijn voorhoofd langzaam naar mijn gezicht terug. De hemel hing roodblauw en niet meer vanboven stevig aan elkaar gegroeid, en de rivier draaide bruine waterkolken. Ik wilde nooit meer blijven staan, de schrik hupte over mijn gehemelte, ik had de hik.'

Het Duits van Herta Müller is niet supercorrect. Met haar afwijkende zinsbouw biedt ze weerstand aan de perfectie van de grammatica der overheidsbeulen en bovendien blijft ze op die manier trouw aan haar afkomst. Müller, geboren in 1953, groeide op in een Roemeense provincie met een Duitstalige minderheid. Ook haar ouders spraken Duits, een boers en houterig Duits vermengd met dichterlijke gezegden uit de taal van het gastland. Later, in de grote stad Timisoara, werkte de tweetalige dochter als vertaalster en kantoorhulp in een fabriek. Toen ze het zich eindelijk kon permitteren om van haar pen te leven legde de staat haar een schrijfverbod op. Ze verliet Roemenië en woont sinds 1987 in het westelijke deel van Berlijn.

In Duitsland heeft haar oeuvre prijzenregens geoogst, maar hier belanden haar (toch niet slecht vertaalde) romans veel te snel in de ramsj. Barfüssiger Februar en Der Fuchs war damals schon der Jäger, Herztier en ook de essaybundel Hunger und Seide: het zijn stuk voor stuk hoogtepunten uit de hedendaagse Duitse literatuur. En Heute wär ich mir lieber nicht begegnet is dus alweer zo'n prachtwerk, dat beslist Nederlandse lezers verdient.