Herinneringen van een hoogleraar; Wij gaan niet door met de strijd

Hans Daalder: Universitair Panopticum. Herinneringen van een gewoon hoogleraar. De Arbeiderspers, 317 blz. ƒ 49,90

Aan het begin van zijn boek verklaart Hans Daalder dat hij niet beoogt een geschiedenis te schrijven, maar de lezer alleen deelgenoot wil maken van zijn herinneringen. Aangezien de universiteit in Nederland in de behandelde periode, van het eind van de jaren veertig tot 1993, bij uitstek het voorwerp is geweest van politieke bemoeienis en de auteur van 1963 tot 1993 hoogleraar in de politicologie is geweest, is deze mededeling minder overbodig dan men op grond van de ondertitel zou vermoeden. Daalder doet inderdaad geen poging als politicoloog tot een historische reconstructie te komen, maar geeft alleen de persoonlijke herinneringen van een 'gewoon' hoogleraar.

Zijn boek behoort daarmee tot het genre van de memoires, een genre dat door Nederlandse hoogleraren niet vaak beoefend wordt en meer doet denken aan de Engelse en Amerikaanse cultuur waarmee Daalder zich verwant voelt.

Memoires onderscheiden zich meestal van een autobiografie doordat ze alleen betrekking hebben op bepaalde aspecten van het leven van de betrokkene, bijvoorbeeld op diens openbare optreden of op het beroepsleven. En Daalder volgt deze genreregel trouw. Zelfs zo trouw dat de lezer over het persoonlijk leven van de hoofdpersoon Daalder alleen in de marge van zijn beroepsleven iets te weten komt. Het is alsof de verteller Daalder de hoofdpersoon zo veel mogelijk van zijn persoonlijke trekken heeft willen ontdoen. De foto aan het slot van de emeritus met zijn twee kleindochters is veel minder representatief dan de andere foto's waarop de hoofdpersoon figureert tussen vakgenoten en in het onderschrift alleen wordt aangeduid als 'H.D.'

Een andere genreregel van memoires, volgens welke de opbouw van het verhaal chronologisch van verleden naar heden loopt, volgt Daalder in het algemeen ook, maar daarnaast hanteert hij een thematische opbouw die soms de chronologische radicaal doorbreekt. Dat geeft een zekere spanning aan het verhaal, met name als het gaat om de verhouding met zijn Amsterdamse hoogleraar Barents die volgens de chronologie helemaal aan het begin aan de orde komt. Als een van de eerste studenten aan de zevende faculteit van wat toen nog de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam was, wordt Daalder door Barents uitverkoren als assistent en kennelijk zo veelbelovend gevonden dat hij na zijn afstuderen aan een promotievoorbereiding kan beginnen.

Maar dan verslechteren de aanvankelijk zo vriendschappelijke betrekkingen met de promotor Barents. De verteller Daalder schrijft dat op het conto van de slechte gezondheid en een daarmee samenhangende karakterverandering van Barents, maar de lezer, die wel krijgt te horen dat de promotie heeft plaatsgevonden, blijft in het ongewisse omtrent de precieze afloop: die onthult de verteller pas in een van de laatste hoofdstukken, dat gewijd is aan de ars promovendi. Deze spanning is des te opvallender omdat de verteller in het algemeen nogal koel registrerend te werk gaat.

Dat leidt echter allerminst tot saaie lectuur, daarvoor zijn de vertelde gebeurtenissen te boeiend. Daar is bijvoorbeeld de prachtige carrière van Daalder. Na zijn studie in Amsterdam wordt hij nader (en, is men geneigd te denken: beter) gevormd in Engeland en Amerika, om daarna al jong hoogleraar te worden aan de Rechtenfaculteit in Leiden, waar hij tot zijn emeritaat zal blijven. Maar met talrijke onderbrekingen voor taken in het buitenland, waarvan de belangrijkste wel is die van hoogleraar aan het Europees Universitair Instituut in Florence, van 1976 tot 1979. Hij bouwt ook een internationaal netwerk op en speelt een vooraanstaande rol in internationale wetenschappelijke organisaties. Zo komt hij in contact met talrijke persoonlijkheden, die de verteller vaak met een enkele haast terloopse opmerking scherp karakteriseert. Hij begeleidt een dertigtal promovendi naar de promotie en bouwt intussen ook zelf een oeuvre op. Genoeg kortom om de aanhalingstekens die ik hierboven bij 'gewoon' hoogleraar plaatste te rechtvaardigen.

Maar de keuze voor een ondertitel waarin die aanhalingstekens niet voorkomen vindt bij Daalder ongetwijfeld zijn oorsprong in een polemische stellingname die te maken heeft met een andere reeks gebeurtenissen die in het boek uitgebreid aan de orde komt en die zeker niet minder boeiend is: de verwikkelingen rond het universitair bestuur, in Leiden, maar ook en vooral in Amsterdam, sinds het eind van de jaren zestig.

Men kan niet zeggen dat de hoofdpersoon Daalder in deze verwikkelingen verstrikt raakt, daarvoor speelt hij een te actieve rol, aanvankelijk als 'reformistisch' hoogleraar in zijn Leidse faculteit en later bij de opbouw van zijn vakgroep, maar voor de voorstelling die de verteller geeft van de gebeurtenissen in de zogenaamde zaak-Daudt aan de Universiteit van Amsterdam lijkt 'verstrikt' toch wel de juiste term. Hier is het een verhaal van een gewoon hoogleraar die opkomt voor de belangen en de zuiverheid van de beoefening van zijn vak, maar die het moet afleggen tegen opportunistische bestuurders. En de zaak-Daudt is slechts de meest extreme uiting van een ontwikkeling die Daalder in het algemeen in Nederland aanwijst en uiteraard betreurt. Het contrast zoals dat zich in de zaak voordoet wordt zo een van de pijlers van het verhaal.

Toch zou men juist voor dit aspect soms wensen dat de politicoloog Daalder wat meer geschiedenis en wat minder memoires had geschreven. Want dat het hier gaat om een ontwikkeling die het universitaire bestuur over de hele wereld raakt en die niet is af te doen met het contrast tussen goedwillende hoogleraren en opportunistische bestuurders, lijkt me evident. Er zou met evenveel recht een contrast tussen te uitsluitend op hun vak gerichte en toch machtige hoogleraren enerzijds, en breedziende bestuurders anderzijds geconstrueerd kunnen worden. En voor een historisch verhaal van de verschillende ontwikkelingen in de universiteit in Nederland en in de wereld zou dat contrast zeker niet irrelevant zijn.

Het is merkwaardig dat Daalder voor de mogelijkheden van zo'n verhaal geen oog heeft terwijl toch de gebeurtenissen die hij vertelt er wel aanleiding toe geven. Zo geeft hij een heel positief beeld van de Leidse rechtenfaculteit in de jaren zestig, dat de verwarring die aan het eind van die jaren optrad wel erg moeilijk te verklaren maakt. En zo legt hij geen enkel verband tussen de uitwassen aan de Amsterdamse sociale faculteit in de jaren zeventig en de uitwassen in dezelfde faculteit toen het nog een hooglerarenfaculteit was, waarvan hij zelf het slachtoffer was geworden. Want anders dan als een uitwas kon toch de houding van de hoogleraar Barents tegenover zijn promovendus Daalder moeilijk genoemd worden.

De ontknoping waarop de verteller zijn lezer zo lang heeft laten wachten blijkt hierin te bestaan dat de promotor verklaarde weliswaar zich niet tegen de promotie te verzetten, maar uit protest tegen het proefschrift wel te zullen wegblijven bij het promotiediner. Voor een promovendus in die jaren zeker een traumatische ervaring, al gebruikt de koele verteller zo'n term natuurlijk niet. En het was voor Daalder nota bene al de tweede ervaring van dien aard. Voor zijn afstuderen had de hoogleraar Kleerekoper zich ten aanzien van het nakijken van Daalders scriptie zo weigerachtig getoond, dat de student voor zijn afstuderen moest uitwijken naar de London School of Economics, een blessing in disguise, maar toch.

De hoofdpersoon Daalder wenst blijkens zijn reputatie als 'reformistisch' hoogleraar in de jaren zestig en zeventig duidelijk een eind te maken aan de hooglerarenfaculteit, en ook in het vervolg gaat hij bestuurlijke verantwoordelijkheden niet uit de weg, terwijl hij bij tijd en wijle zelfs een goede bestuurder tegenkomt. Maar de verteller Daalder houdt in het algemeen vast aan zijn versie van het contrast, vóór de hoogleraren en tégen de bestuurders. Waar de ontwikkelingen die Daalder beschrijft nog niet ten einde zijn, vormen deze memoires zo ook een bijdrage aan de discussie over hoe de universiteit er uit zou moeten zien. Te verwachten valt dat heel wat leden van de wetenschappelijke staf zich in deze discussie spontaan aan de zijde van de verteller Daalder zullen scharen. Maar dat bewijst diens gelijk natuurlijk nog niet. Zou men niet veeleer moeten hopen dat velen zich laten inspireren door het gedrag van de hoofdpersoon Daalder die zijn bestuurlijke verantwoordelijkheden niet uit de weg gaat?