Fundamentals

Koninklijke Olie, de trots van het Damrak, maakt een forse dip door op de beurs nadat het gisterochtend cijfers over het derde kwartaal bekendmaakte. Vlak voor sluiting van de beurs had het fonds 2,70 gulden ingeleverd, op 102,30 gulden. Beleggers kwelden zichzelf, door slechts te reageren op de winstdaling met 5 procent, berekend in Britse ponden.

Is de stelling dat de beurs altijd gelijk heeft bij de cijfers van Shell nog wel te handhaven? Bij een concern dat met zoveel verschillende valuta rekening moet houden omdat het grote omzetten in alle werelddelen realiseert, lijkt het beter om naar de fundamentals te kijken. Het sterling-resultaat is immers sterk beïnvloed door de waardestijging van het pond (25 procent ten opzichte van de belangrijkste Europese valuta en 5 procent ten opzichte van de dollar). Ondanks lagere prijzen voor ruwe olie en aardgas in de Verenigde Staten en een rijtje andere conjuncturele tegenvallers steeg het rendement op geïnvesteerd vermogen met een half procent tot 11,5 procent.

De echte test voor Shell komt pas “als de omstandigheden minder gunstig zijn”, schreef president-directeur Cor Herkströter in het jaarverslag over 1996. Die test is er nu en het concern haalt bijna Herkströters ideaal van 12 procent rendement op jaarbasis tot 30 september.

Als voorraadverschillen en bijzondere posten niet worden meegerekend, levert het derde kwartaal ook in sterling een winststijging van 5 procent op. Op basis van die berekening boekte de groep over de eerste negen maanden een recordwinst: iets hoger in sterling en in dollars een stijging van 7 procent. Nederlandse beleggers hebben trouwens weinig reden tot klagen, want het aandeel van de 'Koninklijke' in de groepswinst steeg met ruim eenvijfde in het derde kwartaal, tot 1,23 gulden per aandeel.

    • Theo Westerwoudt