Franse prijswinnaars; Odes aan kunst en erotiek

Twee boeken van het Franse uitgevershuis Gallimard zijn deze week bekroond met literaire prijzen. Dominique Noguez won de Prix Fémina met 'Amour Noir', Philippe Le Guillou kreeg de Prix Médicis voor 'Les sept noms du peintre'. Twee boeken vol passie.

Dominique Noguez: Amour noir. (Prix Fémina) Gallimard, 181 blz. ƒ 36,55 Philippe Le Guillou: Les sept noms du peintre. (Prix Médicis) Gallimard, 385 blz. ƒ 58,05

Geen passie zonder kunst, geen kunst zonder passie. Het is bij uitstek deze stelling die geïllustreerd wordt door de twee Franse romans die enkele dagen geleden in Parijs werden bekroond met de eerste belangrijke literaire prijzen van dit najaar.

Dominique Noguez, die met Amour noir de prix Fémina won, schreef een meeslepende roman over een tot mislukking gedoemde liefdesrelatie met fatale afloop. Ook Philippe Le Guillou, winnaar van de Prix Médicis voor zijn imaginaire biografie Les sept noms du peintre, varieerde op een klassiek thema. Zijn indrukwekkende fresco verhaalt van een zoektocht naar de bron van alle creativiteit. Beide geletterde en geleerde laureaten, uitgegeven door Gallimard, brengen in hun bekroonde romans een ode aan kunst en erotiek.

In 1991 publiceerde Dominique Noguez (55) Les derniers jour du monde, een vuistdikke, ambitieuze, apocalyptische roman, waarin, op een willekeurige dag in het jaar 2010, het einde van de wereld zich aankondigt. De rampen stapelen zich op, de aardbol schudt op haar grondvesten, maar, zo constateert Noguez niet zonder humor, men gaat gewoon door met de futiele zaken des levens, alsof er niets aan de hand is. Het boek werd door Hella Haasse, tijdens een recente lezing bij de Amsterdamse boekhandel Allert de Lange, gekenschetst als een 'amusante, cynische, spitsvondige, maatschappijkritische, fantastische roman'.

Noguez' vierde roman Amour noir, zo biecht de schrijver op in een noot achterin het boek, is 'de ontbotting, de bloei' van een liefdesgeschiedenis die zich al bevond in Les derniers jours du monde, maar die onopvallend verborgen bleef in de overdaad aan opborrelende verhalen. In Amour noir geen wereldschokkende gebeurtenissen, geen overvloed aan door elkaar heen lopende intriges en, vooral, geen humor. Tragisch en bloedserieus is het relaas van de tot mislukking gedoemde hartstocht van een scenarioschrijver voor een jonge, ongrijpbare, Antilliaanse striptease-danseres. De egoïstische wreedheid van het meisje wordt weerspiegeld in haar 'onmenselijke ogen met een hardheid van marmer of van meteoriet, ogen die noch mij noch iemand anders ooit zouden liefhebben'. De van hartstocht bezeten hoofdpersoon zwelgt in zelfmedelijden en enig masochisme is hem niet vreemd. Ook het aan Dostojevski ontleende motto 'dat liefde niets anders kan zijn dan een vrijwillig aan de geliefde verleend recht om ons te tiranniseren' draagt bij tot het wat versleten beeld van de onbeminde die zich niet zonder genoegen schikt in de rol van slachtoffer.

Toch weet Noguez, als filosoof, gepromoveerd op de Amerikaanse underground film en als professor in de esthetica aan de Universiteit van Parijs, aan zijn universele liefdesdrama een ongewone, intellectuele lading mee te geven. De verscheurdheid van zijn hoofdpersoon wordt afgezet tegen een literaire, muzikale, cinematografische en filosofische achtergrond die nergens pretentieus wordt. Liefdesbrieven hoeft de hoofdpersoon niet te schrijven omdat zijn geliefde ze toch nooit leest, maar desondanks verdiept hij zich enthousiast in die van Flaubert aan 'een jong persoon in Croisset', in die van Apollinaire aan Lou en die van Abélard aan Héloïse. Overpeinzingen over het zinnelijke genot leiden tot een erotische interpretatie van Courbets schilderij L'origine du monde of tot beschouwingen over de menselijke schoonheid 'die zich niet in eenvoudige zachtheid toont, maar in angst, vrees en beproeving'. Het afdrukken van een lang vergeten fotorolletje zet, zoals de Madeleine van Proust, zijn affectieve geheugen in werking en het bijwonen van Rossini's De barbier van Sevilla doet hem besluiten zijn geliefde zijn hele fortuin ter beschikking te stellen, als hij haar daarmee kan behouden.

Dominique Noguez is ontegenzeggelijk een erudiet schrijver. Maar wel één die, wederom, het middeleeuwse beeld schetst van Eva, van Pandora, van de verraderlijke vrouw die als grillige, ongrijpbare, ontrouwe minnares en als verpersoonlijking van het kwaad, de man genadeloos in het ongeluk stort. Het geeft te denken dat juist de prix Fémina, die in 1904 door vrouwelijke 'femmes de lettres' werd ingesteld en wier jury uit louter vrouwen bestaat, naar een dergelijke roman gaat.

De met de prix Médicis bekroonde roman van de Bretonse auteur Philippe Le Guillou (38), Les sept noms d'un peintre, won met één stem van concurrent Jean-Philippe Toussaint, die met zijn roman La télévision tot de favorieten behoorde. Net als dat van Noguez is het boek van Le Guillou erudiet, hier en daar expliciet erotisch en kent het geen vrouwelijke personages van enig kaliber. Aan het begin van zijn achtste roman schrijft de auteur, die jarenlang literatuur doceerde in Rennes en tegenwoordig als inspecteur verbonden is aan de Académie de Versailles, dat Les sept noms d'un peintre het tweede deel vormt van wat een drieluik zal worden. Het is in 1995 voorafgegaan door Livres des guerriers d'or, 'een keltisch epos', en zal in 1999 worden afgesloten door Douze années dans l'enfance du monde, een verhaal over de jeugd van Christus. Het middelste, nu bekroonde deel bevat het verzonnen levensverhaal van de schilder Erich Sebastian Berg, die veel trekken vertoont van Francis Bacon. Van deze kunstenaar is de uitspraak voor in het boek: 'Je schildert je leven, altijd. Even heb ik overwogen mijn autobiografie te schilderen, vanaf mijn jeugd. Maar uiteindelijk geloof ik niet dat ik dat zal doen.'

Philippe Le Guillou heeft daartoe wel besloten. Hij laat zijn hoofdpersoon geboren worden in 1940, in München, met een Duitse vader en een Franse moeder. Het leven van Erich Sebastian begint pas echt als zijn ouders hem, op zijn tiende jaar, naar een klooster in Beieren sturen. Daar wordt hij overdag met spartaanse discipline ingewijd in de roomse religieuze symboliek en 's nachts in macabere rituelen rond verdronken matrozen. Hij neemt deel aan nachtelijke verbroederingsceremonies en flirt met de duivel en de dood. Als Musils Zögling Törless begint hij, gevoelig en eenzaam, aan zijn spirituele en artistieke zoektocht, die niet zozeer in de twintigste eeuw lijkt thuis te horen, maar eerder in de Duitse romantiek van Goethe, Kleist of Novalis.

De opvoeding van Erich Sebastian Berg wordt voortgezet in het Antwerpse schildersatelier van meester Van Johansen, die in zijn leerling al gauw het talent van een groot schilder herkent. Als een keltisch magiër initieert de meester zijn pupil niet alleen in de geheimen van de schilderkunst en in zijn fascinatie voor het noorderlicht, maar ook in die van de mystiek, de necrologie, de drank en de lichamelijke passie. Bij zijn vertrek uit het atelier is Bergs inwijding voltooid. Hij is niet alleen in staat te schilderen wat hij vóór zich ziet, maar vooral wat hij ìn zich ziet: crucifixen, apocalypsen en voorstellingen van de dag des oordeels.

De imaginaire biografie van Erich Sebastian Berg wordt verteld door een ik-persoon en becommentarieerd in dagboeknotities en tweegesprekken. Het levensverhaal van de schilder is verwarrend, heftig, macaber, mysterieus en vol duistere verwijzingen. Soms zo duister dat je als lezer definitief het spoor bijster raakt in de extase en de waanzin van de kunstenaar. Wat blijft hangen is het imponerende beeld van een gevoelige adolescent vervuld van een magistrale scheppingsdrang.