Essays van S. Dresden; Literatuur is werk in uitvoering

S. Dresden: Het vreemde vermaak dat lezen heet. Een keuze uit de essays. Samenstelling Maarten Asscher en Herman Verhaar. Meulenhoff, 248 blz. ƒ 39,90

Het is misschien merkwaardig S. Dresden, emeritus hoogleraar Frans en Vergelijkende Literatuurwetenschap te Leiden, 'postmodern' te noemen. Wat betekent postmodern? Tegenwoordig worden de meest uiteenlopende zaken onder deze noemer samengebracht. Doorgaans bedoelt men dan zeer recente zaken, terwijl het voorvoegsel 'post' toch suggereert dat de betekenis van het begrip in belangrijke mate wordt bepaald door het moderne dat voorbij heet te zijn. Met evenveel recht zou men daarom kunnen stellen dat het postmoderne dus nog altijd als iets moderns moet worden gezien.

Op deze manier had Dresden zelf een bespreking kunnen beginnen van zijn door Maarten Asscher en Herman Verhaar samengestelde essaybundel Het vreemde vermaak dat lezen heet. Iets wordt geponeerd, in dit geval dat de auteur postmodern zou zijn, en in het vervolg van het betoog wordt het geponeerde langzaam maar zeker onderuit gehaald. In zijn essays gaat Dresden voortdurend zo te werk. Als iets zijn manier van denken en schrijven kenmerkt, dan is het wel een hartgrondig wantrouwen tegen de begrippen en termen die in de literaire kritiek en geschiedschrijving gemeengoed zijn geworden.

Algemeenheden

Door hun algemene en conventionele karakter doen ze de kunstwerken die zo hun plaats worden gewezen geen recht: de bijzonderheid van die kunstwerken wordt er onwillekeurig door ontkend. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat in een essay over de 'Nouveau Roman' deze groepsaanduiding weinig genade in zijn ogen vindt. Hetzelfde geldt, zo blijkt en passant, voor de Pléiade, het classicisme en de romantiek. 'Feitelijk heeft men altijd met individuen en individuele werken te maken', schrijft Dresden.

Dat verhindert hem overigens niet in de rest van het essay 'enkele grote lijnen' te schetsen, die bewijzen dat algemeenheden desondanks hun zin kunnen hebben. Aan algemene begrippen valt moeilijk te ontkomen, wanneer je je (zoals Dresden) niet uitsluitend tot individuen en individuele werken beperkt. Maar het algemene, steeds voorzien van reserve en voorbehoud, is bij hem vooral een hulpmiddel of een omweg om bij het bijzondere te arriveren, dat zich bij nader inzien aan elke generalisatie onttrekt. Uiteindelijk staat niets vast, en dat maakt het noodzakelijk te blijven lezen en herlezen, kauwen en herkauwen, zoals Dresden het in zijn titelessay noemt.

Literatuur is werk in uitvoering. Zo niet voor de schrijver, dan toch in elk geval voor de lezer, die onvermoeibaar op zoek gaat naar de zin van de tekst. Een bezigheid die volgens Dresden bij echte literatuur altijd onbeslist moet blijven; elke geslaagde tekst is open voor verdere interpretatie. Daarin schuilt ook de waarde van het literaire lezen, dat geen vrijblijvende bezigheid is, maar eerder beantwoordt aan het streven van Mallarmé de wereld te vangen in één alomvattend boek. Dresden neemt dit streven volkomen serieus en ziet het 'als een ideale en ideële limiet, als een groots doel waarnaar literatuur reikt en dat niet bereikt kan worden'.

De onvermijdelijk reserve is ditmaal dat het absolute karakter van ieder boek niet meer dan een tijdelijke geldigheid bezit. Dresden weet maar al te goed dat Het Boek een onmogelijkheid is. 'Het lezer zijn houdt per definitie in dat men tijdelijk heeft en tijdelijk is, dat elke geboden zekerheid teniet kan en zal worden gedaan door een volgende'. Behalve aandacht en inzet is daarom ook 'een zekere ironische luchthartigheid' bij de lectuur aan te bevelen.

Ironie

Deze ironie en luchthartigheid zou je met enig recht postmodern kunnen noemen. Maar bij Dresden is meteen duidelijk dat hieraan nauwelijks een historisch bruikbare betekenis kan worden gehecht. Want, zoals hij laat zien in 'Over essai en essay', deze manier van lezen (en schrijven) is al begonnen met Montaigne. Diens scepsis heeft Dresden zich volledig eigen gemaakt, zodat wat hij in zijn essay zegt over het 'keuvelen en babbelen' en over de 'nonchalance' van Montaigne evengoed op hemzelf kan slaan.

Keuvelen en babbelen is misschien wat al te oneerbiedig uitgedrukt, maar Dresdens essays hebben wel iets van causerieën. De daarbij passende nonchalance blijkt hieruit, dat hij steeds de indruk wekt alles achteloos uit zijn mouw te schudden. Ondertussen zal het niemand ontgaan, dat hij zich deze houding alleen kan veroorloven dankzij een grondige kennis van zaken. Zijn eruditie dringt zich echter niet hinderlijk naar de voorgrond; zij wordt eerder terloops gesuggereerd, in terzijdes en korte uitweidingen die intrigerende vergezichten openen zonder dat de auteur er al te diep op ingaat. Ook realiseert hij zich heel goed dat de zaken die hij wel bespreekt tot vele 'problemen' aanleiding geven, maar het bevattingsvermogen van de lezer wordt ontzien doordat hij er genadiglijk telkens maar een of twee uitlicht.

Ongemerkt benadert Dresden zo op voorbeeldige wijze het oorspronkelijke 'essai' à la Montaigne, dat ergens wordt getypeerd als een combinatie van 'losse praat' en wetenschap, al laat hij niet na om bij een begrip als 'wetenschap' de nodige vraagtekens te plaatsen. Dezelfde behandeling valt 'literair' en 'literatuur' ten deel. De betekenis van deze woorden is in de loop der tijd zozeer aan verandering onderhevig geweest, dat ze hun vanzelfsprekendheid hebben verloren. Een constante is hoogstens dat literatuur altijd ook ontspanning met zich meebrengt.

In een opmerkelijk essay over Ferdinand Huyck leidt dat tot onbekrompen waardering voor een boek dat in alles het tegendeel belichaamt van wat hij elders aan de literatuur heeft toegeschreven. Van Lenneps historische roman bevat geen dubbelzinnigheid, geen vreemdheid, geen experimenten, geen morele ambiguïteit, geen psychologische verscheurdheid, maar wel volop mogelijkheden tot probleemloze herkenning. Zonder gêne bekent Dresden zijn ontvankelijkheid voor deze 'faciele bekoringen', die hem bijna met iets van opluchting doen verzuchten: 'lekker moeiteloos, zonder kauwen, laat staan herkauwen en overpeinzen'.

De overige - aanzienlijk minder 'faciele' - essays over onder andere Proust, Zola, Primo Levi, de valstrikken van de biografie, de ruïne, het experiment en het vreemde in de literatuur, bewijzen dat Dresden het zich als lezer doorgaans niet zo gemakkelijk maakt. In nog sterker mate is dat het geval bij de oorlogsliteratuur, waarover hij in 1991 de indrukwekkende studie Vervolging, vernietiging, literatuur publiceerde. In enkele essays van de bundel komt hij op het onderwerp terug, aldus bewijzend dat het laatste woord inderdaad nooit gezegd kan worden. Vooral in 'Joodse waardigheid', zijn Abel Herzberg-lezing uit 1995, krijgt het lezen als kauwen en herkauwen een bijzondere betekenis, die zijn gebruikelijk voorbehoud opeens in een ander licht stelt.

In zijn lezing oefent Dresden, zij het met veel respect, kritiek uit op Herzberg en Levi vanwege de afstandelijkheid waarmee zij over hun kampervaringen hebben geschreven. Zij hebben zich zo de mogelijkheid ontzegd om volledig recht te doen aan de tragiek van de joodse ellende, waarvan de absurditeit en onbevattelijkheid elk streven naar orde en overzichtelijkheid doorkruisen. Dit streven op zichzelf kan Dresden uiteraard billijken; het was hùn manier om hun waardigheid te bewaren of te herwinnen.

Aarzeling

Zelf zoekt hij die waardigheid niettemin ergens anders: in 'aarzeling' en 'zorgzaamheid'. En dat blijkt precies te passen bij zijn habitus als lezer van boeken over de voorbije verschrikkingen. In die boeken gaat de lezer de pijnlijke confrontatie aan (Dresden spreekt zelfs van 'schuldeloze schuld') met een ellende, waar niets meer aan te doen is. Maar juist daarin vindt de lezer zijn waardigheid: in het verlangen desondanks 'tot het einde toe door te gaan' en hardnekkig te weigeren de ogen te sluiten voor een onheil 'dat zich steeds in en buiten hem afspeelt' en dat hij nooit volledig zal kunnen begrijpen - net als de zin van een geslaagd literair werk.

De Abel Herzberg-lezing is een van de meest recente teksten in Het vreemde vermaak dat lezen heet. Achteraf geeft zij aan Dresdens vragende, relativerende, ironische manier van doen een existentiële diepte en aan de bundel als geheel een onvermoede samenhang, die niet meer zo eenvoudig postmodern zijn te noemen.