Een schoolreisje zonder kussengevechten; Nederlandse schrijvers in Zweden

Veertien Nederlandse en acht Vlaamse schrijvers gingen op promotietoer naar de boekenbeurs in Göteborg. “Wij zijn de domme blondjes die de beurs opfleuren,” zegt Marcel Möring. Hugo Claus genoot van het uitje: “We zijn vannacht tot het ochtendgloren doorgegaan”. Maar de Zweden blijven angstig voor het Nederlandse boek.

Het is vrijdagavond kwart over zes; dag twee van 'Bok & Bibliotek', de grootste boekenbeurs van Scandinavië, loopt ten einde. In een uithoek van het Göteborgse beurscomplex, waar met kunststof schotten een zaaltje veroverd is op een tochtige garage, spreekt Harry Mulisch in het Engels over De ontdekking van de hemel. Het magnum opus is niet in het Zweeds vertaald, maar Mulisch' enthousiasme zou iedere aanwezige uitgever tot een contract moeten verleiden. Het probleem is alleen dat er geen uitgevers aanwezig zijn. Er is zelfs bijna niemand aanwezig: in de zaal zitten zestien mensen, onder wie een vertegenwoordiging van de Stichting Frankfurter Buchmesse die Mulisch ter gelegenheid van de Vlaams-Nederlandse fokus naar Göteborg gehaald heeft. Terwijl Mulisch De ontdekking samenvat als een spannend jongensboek, laat SFB-voorzitter A. Pais zijn buurman grinnikend een Peter van Straaten-tekening zien die in het Zweedstalige programmaboekje van de fokus-activiteiten is opgenomen: een auteur staat voor een bijna lege zaal en krijgt ter bemoediging van de organisator te horen: 'Nou ja... het is nog niet helemáál acht uur moet u rekenen.'

Na afloop reageert Mulisch laconiek: “Dit was de raarste lezing die ik ooit heb gegeven. Maar goed, deze beurs heeft heel wat minder bezoekers dan de Frankfurter Buchmesse, en alle Zweden eten om zes uur. Bovendien is er maar één boek van mij in Zweden vertaald: De aanslag, en dat was tien jaar geleden. Ze weten hier niet wie ik ben.”

Van de 22 Nederlandse en Vlaamse schrijvers die voor de manifestatie Ett språk, många röster ('Eén taal, vele stemmen') zijn uitgenodigd, is Mulisch niet de enige onbekende grootheid. Ook A.F.Th. van der Heijden, van wie alleen Het leven uit een dag vertaald is, trekt in Göteborg niet de aandacht die hij gewend is. “Het is vervreemdend,” zegt hij, “een openbaar interview doen in het Engels, voor een publiek dat niet Engels is en dat me nauwelijks kent.” Gevulde zalen zijn voorbehouden aan Nederlandstalige auteurs die Zweeds spreken,zoals Anna Enquist en J. Bernlef, aan de veel vertaalde Hugo Claus, die bekend staat als een Nobelprijswaardige topschrijver, en aan beoefenaars van het in Zweden populaire genre van de literaire misdaadroman (Tim Krabbé, Maarten 't Hart wiens Het woeden der gehele wereld in Zweden als een thriller gezien wordt).

Albanees

De Nederlandstalige literatuur is in Zweden ongeveer even bekend als de Zweedse literatuur in de Lage Landen. Sinds Couperus' Majestät (1895) werden ongeveer tweehonderd titels vertaald, maar, zoals Cees Nooteboom zijn gehoor zal voorhouden op de openingsdag van de Bokmässan: “Samen met het Albanees is het Nederlands de obscuurste taal van het continent.” Onder het motto onbekend maakt onbemind besloot de SFB, organisator van eerdere Schwerpunkte in Frankfurt en Barcelona, twee jaar geleden om onze literatuur te promoten op Bok & Bibliotek '97, een vierdaagse beurs die anders dan Frankfurt veel gewone lezers trekt. Veertien Nederlandse en acht Vlaamse schrijvers - op de token angry young man Tom Lanoye na allemaal vertaald in het Zweeds - zijn geselecteerd om in Göteborg uit hun werk voor te lezen, openbare interviews te geven, en rond te lopen in de met videoschermen en vertaalde romans gevulde stand van 'Nederländernas och Flanderns litteratur'. Met uitgevers hoeven ze niet te praten: “Wij zijn niet de handelsreizigers,” zegt Marcel Möring, wiens Stora längtan (Het grote verlangen) drie jaar geleden in Zweden uitkwam; “wij zijn de domme blondjes die de beurs opfleuren.” En Hugo Claus onderstreept dat hij hier niet is om boeken te verkopen (“ik ben het koetje in de wei, niet de melkboer”) en ook niet om zijn kansen op de Nobelprijs te vergroten (“die hadden ze me om humanitaire reden al moeten geven”), maar om zich te vermaken: “We zijn vannacht tot het ochtendgloren doorgegaan”.

'Een schoolreisje zonder kussengevechten' wordt het uitstapje naar Göteborg - in de zeventiende eeuw door Nederlandse architecten gebouwd - door Marcel Möring genoemd. De sfeer onder de 40-plussers (alleen Lanoye en de jeugdboekenschrijvers Bart Moeyaert en Anne Provoost zijn jonger) is goed, al lijkt de groep uiteen te vallen in een Vlaams en een Nederlands blok. Hoewel de SFB de literatuur van de Lage Landen graag als één geheel presenteert, denken de schrijvers daar anders over. Zo zegt Mulisch op de eerste dag van de beurs dat het eigenlijk onzinnig is om met twee zulke verschillende culturen in één kraampje te staan; terwijl Lanoye op de gezamenlijke persconferentie de kloof tussen beide literaturen verklaart uit het feit dat de Vlamingen dagelijks stelling moeten nemen tegen de hemeltergende corruptie. Tot ziedende woede van de Vlaamse co-voorzitter van de SFB.

Er zijn nog andere factoren die een triomftocht van de laaglandse literatuur in Zweden in de weg staan. “Eigenlijk is dit een slechte tijd,” zegt Reintje Gianotten, die als medewerkster van het Literair Productie- en Vertalingenfonds bij de organisatie betrokken is. “De Zweedse economie kwakkelt, en het literaire leven heeft harde klappen gehad door het afschaffen van de vaste boekenprijs, een jaar of tien geleden. Voor de recente vertalingen van Anna Enquist (Mästerprovet) en Hugo Claus (Rykten) betaal je zeventig gulden, drie keer de prijs van een cd. Alleen op voorhand populaire boeken hebben een kans om op grote schaal via de boekenclub gedistribueerd te worden. Uitgevers zijn zeer afwachtend, zelfs al kunnen wij ze 70 procent van de vertaalkosten bieden. En tot overmaat van ramp zijn op deze beurs de grote uitgevers zelfs helemaal afwezig: ze boycotten Göteborg omdat ze de standplaatsen te duur vinden, en zouden het liefst zien dat de hele beurs naar Stockholm verhuist.”

Behalve in de Nederlands-Vlaamse stand, waar de uitgestalde boeken niet verkocht mogen worden, zijn er op Bok & Bibliotek weinig Nederlandse boeken te vinden. Norstedt, Bonnier en Forum, de uitgeverijen van Bernlef, Claus en Adriaan van Dis (Indiska sanddyner), behoren niet tot de 700 exposanten, en in de beursboekhandels is een Hollandse roman een uitzondering. Alleen Het lelietheater van Lulu Wang ligt in stapeltjes bij Bra Böcker; de Nederlandse Chinese, die niet tot de 22 van de SFB behoort, signeert op zaterdag Näckrosteatern en baart opzien door de kopers van haar boek de toekomst te voorspellen na een blik op hun rug. Wangs Zweedse uitgever is zeer tevreden met zijn exotische ster (reeds 6000 boeken verkocht), maar heeft zich nog niet laten verleiden om een andere Nederlandse titel aan te kopen. “We hadden een optie op De tweeling van Tessa de Loo, maar dat vonden we toch te riskant.”

Risico, daar houden de Zweden niet van, beaamt Åase Berg, de jonge redactrice van het literair tijdschrift 90TAL (oplage 5000) dat op de beurs een themanummer ten doop houdt over de Nederlands-Vlaamse literatuur. “Geen wonder dat de Zweedse literatuur is ingeslapen en dat de jaren negentig hier maar niet willen beginnen. Wat mij aanspreekt in de Nederlandse literatuur zijn vooral de jonge en de multiculturele schrijvers. Ik vind het dan ook jammer dat Abdelkader Benali en Arnon Grunberg niet in Göteborg zijn uitgenodigd.”

Belgisch vriendje

Åase Berg is een van de literaire critici die op uitnodiging van het Productie- en Vertalingenfonds dit voorjaar een kennismakingsreis naar Nederland maakten. Haar collega Lars-Olof Franzén, vooraanstaand recensent bij een van Zwedens grootste kranten, was al lang voor zijn tripje naar Amsterdam een bewonderaar van de laaglandse letteren. “De Zweedse schrijvers staan niet in contact met wat er in Europa gebeurt; ze zijn nogal provinciaal. Vergelijk dat eens met Nooteboom en Mulisch en Van Paemel en Van der Heijden - die hebben tenminste filosofische diepte. Het is doodzonde dat geen enkele uitgeverij hier een vertaling van De ontdekking van de hemel aandurft. Aan mij heeft het niet gelegen, want bij het uitkomen van de Engelse vertaling heb ik een groot enthousiast stuk geschreven.”

De literaire professionals in Göteborg zijn allemaal vol lof over de Nederlandstalige literatuur, die, zo maken ze duidelijk, in de ogen van de Zweden niet principieel verschilt van die van Duitsland of Frankrijk. Maar het is moeilijk om erachter te komen wat de 'gewone lezer' vindt. Opvallend veel van de aangesproken bezoekers van de SFB-stand blijken vooral geïnteresseerd in de Nederlandse literatuur omdat ze een (familie)band met de Lage Landen hebben. De jonge Zweedse die met Fallet van Anne Provoost in haar handen staat, heeft een Belgisch vriendje. Een rap Zweeds pratende dame maakt zich bekend als een Nederlandse bibliothecaresse die al dertig jaar in Stockholm woont. Twee 'half-Hollandse' vrouwen die hun moerstaal niet meer spreken, zijn teleurgesteld omdat ze in de stand geen boeken kunnen kopen: “Het halve-meterplankje Nederlandse jaren-zestigliteratuur in de bibliotheek van Stockholm hebben we van voor naar achter gelezen.”

De auteurslezingen, waarbij door het publiek ook vragen gesteld mogen worden, zijn soms veelzeggender. Maarten 't Hart, met acht boeken in het Zweeds de populairste Nederlandse auteur in Göteborg, discussieert op de eerste dag van de beurs naar aanleiding van zijn nieuwe roman Sladdbarnet (De nakomer) over de kunst van het vertalen. “Ik krijg hier complimenten voor mijn mooie stijl die ik in Holland nooit krijg,” constateert hij, “dus er zal hier uitstekend vertaald worden.” Waarna iemand uit het publiek opmerkt: “Wij Zweden houden van uw boeken omdat ze in gewone-mensentaal geschreven zijn; Hollandse critici willen waarschijnlijk iets literairders.” Een dag later, na een openbaar interview met een van de andere Groten in Zweden, Tim Krabbé, vertolken twee middelbare scholieren op de voorste rij nog beter de gevoelens van de gemiddelde lezer. “Wij hebben niet een bepaald beeld van de Nederlandse literatuur,” antwoorden ze desgevraagd. “Iemand raadde ons Cyklisten van Tim Krabbé aan, en dat vonden we prachtig. Daarom zijn we hier. De schrijver praat goed, we gaan zeker een volgend boek van hem lezen.”

Voor deze lezers zou je de Nederlands-Vlaamse fokus op Bok & Bibliotek een succes kunnen noemen. Maar heeft het promotie-offensief van de SFB ook literair-economisch effect? Met andere woorden: is Göteborg '97 de investering van 1,2 miljoen gulden waard? Rudi Wester, als directeur van het Literair Productie- en Vertalingenfonds ook op de beurs aanwezig: “Het is indrukwekkend om te zien hoe de Nederlandstalige literatuur hier gepresenteerd wordt: drie literaire tijdschriften hebben er themanummers aan gewijd, in de grote Zweedse kranten staan paginagrote stukken, en in de schappen liggen ten minste zes vertalingen die er mede zijn doordat het Schwerpunkt een steuntje in de rug was. Maar er worden op deze beurs geen rechten verhandeld, dus daaraan kun je het succes niet afmeten. Het gaat hier om lange-termijneffecten; de opmars van de Nederlandse literatuur in Duitsland en Spanje kwam ook pas na Frankfurt '93 en Barcelona '95 op gang.”

Voorlopig zal het ministerie van OCW dit soort projecten dus blijven financieren, ook al omdat 'export van boeken niet alleen een commerciële operatie is', zoals staatssecretaris Aad Nuis het uitdrukte bij de officiële opening van de Bokmässan. Geen wonder dat er op de beurs en in de bars van Göteborg al druk gespeculeerd wordt over de volgende bestemming van het tweejaarlijkse schrijversschoolreisje. Na het oosten, het zuiden en het noorden wil men nu eens naar het westen. Londen bijvoorbeeld, maar liever nog New York.