De wederkomst van Elia

U weet ongetwijfeld hoe het Oude Testament begint, maar weet u ook hoe het Oude Testament eindigt? De laatste twee teksten van het Oude Testament (Maleachi 4 vers 5 en 6) luiden: “Zie ik zend u den profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag des Heren komt. Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen, opdat Ik niet kome en het land treffe met den ban.”

Uit deze twee bijbelteksten hebben, zo blijkt onder meer uit Markus 9 vers 11 'de schriftgeleerden' opgemaakt dat de grote en geduchte dag des Heren ofwel de komst van de Messias voorafgegaan zal worden door de wederkomst van Elia. Zoals nu al tweeduizend jaar vergeefs naar de wederkomst van Jezus wordt uitgezien, zo zag men in de dagen van Jezus vergeefs uit naar de wederkomst van Elia. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er in het Nieuwe Testament herhaaldelijk wordt gezinspeeld op de wederkomst van de profeet. Bovendien wordt Elia overal bijgehaald. Als Jezus aan het kruis hangt, denken de omstanders op een bepaald moment zelfs dat hij Elia roept (Mattheus 27 vers 47).

Blijkens Markus 8 vers 28 en Mattheus 16 vers 14 wordt Jezus zelf door sommige mensen gehouden voor de wedergekomen Elia. Ook Jezus' discipelen waren heel vertrouwd met de gedachte dat komst van de Messias zou worden aangekondigd door een daaraan voorafgaande wederkomst van Elia, en het is derhalve niet verwonderlijk dat zij als ze (Mattheus 17) in bedekte termen te horen krijgen dat Jezus de lang verwachte Messias is denken: “Ja, ja, alles goed en wel, maar als Jezus de Messias is, moet zijn komst toch voorafgegaan worden door de wederkomst van Elia. Van die wederkomst is echter tot nu toe geen sprake geweest, dus hoe zit dat?” Vandaar dat ze, Mattheus 17 vers 10, Jezus de vraag stellen: “Hoe kunnen dan de schriftgeleerden zeggen, dat Elia eerst moet komen?”

Ook Jezus kende, anders dan hedendaagse Christenen, de twee laatste bijbelteksten van het Oude Testament, en wist dus dat zijn discipelen gelijk hadden en dat aan de komst van de Messias de wederkomst van Elia vooraf diende te gaan. Op de vraag van de discipelen geeft hij een verbazingwekkend antwoord. Hij zegt: “Elia zal wel komen en alles herstellen, maar ik zeg u, dat Elia reeds gekomen is, en zij hebben hem niet erkend, maar met hem gedaan al wat zij wilden.” In het Evangelie van Markus wordt daaraan nog toegevoegd: “...gelijk van hem geschreven staat”. Dat is op zich al tamelijk merkwaardig, want nergens in het Oude Testament wordt voorzegd dat Elia bij zijn wederkomst niet erkend zal worden, en dat er met hem gedaan zal worden 'al wat zij wilden'.

Veel merkwaardiger is echter dat Jezus zegt: “Elia is reeds gekomen.” En nog opmerkelijker is dat de discipelen uit die opmerking over de wedergekomen Elia terstond de conclusie trekken dat hij “over Johannes den Doper tot hen gesproken had” (Mattheus 17 vers 13).

Was Johannes den Doper dus niemand anders dan de wedergekomen Elia die, in overeenstemming met Maleachi 4 vers 5, aan de grote en geduchte dag des Heren vooraf ging? Als dat zo is, waarom heb ik dan in mijn jeugd nimmer een preek gehoord over Maleachi 4 vers 5 en nimmer op de zondagsschool mogen vernemen: Johannes de Doper is de voorzegde, wedergekomen Elia. Waarom is de notie dat Johannes de wedergekomen Elia is niet tot het belijden der kerk doorgedrongen? Waarom lijkt het er zelfs op dat die Oudtestamentische profetie over de noodzakelijke wederkomst van Elia een beetje weggemoffeld is uit de heilsgeschiedenis? En dat terwijl met name de evangelist Mattheus ook impliciete aanwijzingen geeft dat beide heren identiek zijn. Ze bevinden zich namelijk beide veelal in de woestijn. Ze dragen beide hetzelfde type kameelharige mantel die in beide gevallen met een lederen gordel netjes rond het middel op zijn plaats wordt gehouden. Het verschil is slechts dat de een zich voedt met sprinkhanen en wilde honing en dat de ander zijn ontbijt aangereikt krijgt door raven.

Behalve die duidelijke impliciete verwijzingen, is echter in het Nieuwe Testament ook een ondubbelzinnige expliciete uitspraak te vinden over Johannes als reïncarnatie van de profeet Elia. In de verzen 12-14 van Mattheus 11 lezen we in dat Jezus onomwonden zegt: “Want al de profeten en de wet hebben geprofeteerd tot Johannes toe; en indien gij het wilt aanvaarden: hij is Elia die komen zou. Wie oren heeft, die hore!”

Duidelijker kan het niet. “Indien gij het wilt aanvaarden, hij is Elia die komen zou.” En Jezus voegt er waarschuwend aan toe: “Wie oren heeft, die hore.” Zonder die toevoeging is de boodschap evenwel al zonneklaar en voor geen tweeërlei uitleg vatbaar: Johannes is niemand anders dan de wedergekomen Elia. Jezus gaat dus nog een flinke stap verder dan de Engel des Heren die aan de vader van Johannes verschijnt en hem slechts meedeelt dat “zijn toekomstige zoon voor zijn aangezicht zal uitgaan in den geest en de kracht van Elia.”(Lucas 1 vers 17).En nu het grote, onoplosbare mysterie. Wat lezen wij in het eerste hoofdstuk van het Evangelie van Johannes de verzen 19 tot 21: “En dit was het getuigenis van Johannes, toen de Joden uit Jeruzalem priesters en Levieten tot hem zonden om hem te vragen: Wie zijt gij? En hij beleed en ontkende het niet; en hij beleed: ik ben de Christus niet. En zij vroegen hem: wat dan? Zijt gij Elia? En hij zeide: Ik ben het niet.”

Ziedaar een intrigerend bijbels raadsel. Jezus zegt ondubbelzinnig in Mattheus 11 dat Johannes de wedergekomen Elia is en Johannes zelf antwoordt even ondubbelzinnig op de vraag of hij de wedergekomen Elia is met: “Ik ben het niet.”