De oogst van onze eeuw; Andrej Amalrik: Haalt de Sovjetunie 1984? (1969)

Andrej Amalrik: Haalt de Sovjetunie 1984? Elsevier (1973).

Andrej Amalrik zat er maar acht jaar naast. Toch is de auteur van Haalt de Sovjetunie 1984? op oudejaarsavond 1991, toen in het Kremlin de rode vlag was gestreken en de Russische driekleur gehesen, bijna nergens gememoreerd als de man die het ruim twintig jaar eerder al had voorspeld. Dat gebrek aan postume waardering heeft veel te maken met de wijze waarop er tijdens de Koude Oorlog naar het Sovjet-imperium werd gekeken. De bril die in die jaren werd opgezet, had vaak politiek-ideologisch getinte glazen. Voor historisch-sociologische correcties was minder belangstelling.

In de jaren zeventig was Andrej Aleksejevitsj Amalrik (1938-1980) daarom eerst en vooral bekend als 'dissident'. Amalrik hoorde in het rijtje 'lasterlijke anti-Sovjet' intellectuelen als Sinjavski, Daniel, Boekovski en Ginsboerg. Dat zat er al aan te komen toen Amalrik nog studeerde. Hij was een echte man van de jaren zestig die de 'dooi' van Chroesjtsjov anders begreep dan hij bedoeld was. In 1963 werd hij van de Lomonosov-universiteit geschopt, omdat hij in eigen beheer toneelstukken en essays had uitgegeven. En daarna, toen Brezjnev het weer liet vriezen, hield het niet meer op. In 1965 werd Amalrik veroordeeld tot tweeënhalf jaar strafkamp wegens 'parasitair' gedrag (een ander woord voor het vervullen van een simpel baantje om zo tijd vrij te houden voor publicitair werk). In 1970 volgde drie jaar zwaar regime (plus drie jaar ballingschap in Siberië) omdat hij zijn essay Prosoestsjevoejet li Sovjetskij Sojoez do 1984 goda? in het buitenland had laten verschijnen. En in 1976 werd hij weliswaar onder internationale druk vrijgelaten maar ook onverwijld het land uitgezet voor een tweede, vrijere, ballingschap waarvan hij maar vier jaar zou profiteren. In 1980 overleed Amalrik na een auto-ongeluk in Madrid.

Amalrik was inderdaad onverschrokken. Maar deze kijk ontneemt in retrospectief toch een beetje het zicht op de historische betekenis van het gewraakte opstel uit 1969, in Nederland verschenen onder de titel Haalt de Sovjetunie 1984? en kraakhelder ingeleid door de historicus J.W. Bezemer, al sinds mensenheugenis dé Ruslandkundige alhier, alle mediamieke concurrentie ten spijt.

Het is een curieus maar ook inspirerend essay. Amalrik hinkt in het opstel namelijk op twee gedachten. Als historicus probeert hij een aantal constanten in de Russische geschiedenis te ontrafelen, in de hoop zo te verklaren waarom het in de twintigste eeuw in Rusland is gelopen zoals het is gelopen. Als dissidente politicus op de zogeheten 'Westerse' vleugel - die zich door haar oriëntatie op de liberale traditie van de Verlichting zowel van de slavofiele christelijke dissidenten als van de pure marxistische oppositie onderscheidde - tracht hij de ontwikkelingen die in het verschiet liggen voor te zijn.

In die eerste rol is Amalrik briljant. Nog steeds is zijn Haalt de Sovjetunie 1984? een geestig en bovenal analytisch opstel over de tragische lotgevallen van het Russische Rijk. Rode draad is volgens Amalrik dat 'de mens in de Russische geschiedenis altijd middel was, maar nooit doel'. 'Dat het menselijk individu op zichzelf een waarde vertegenwoordigt, dat is voor het volksbewustzijn een wildvreemde gedachte. Het is paradoxaal dat juist het begrip periode van de persoonsverheerlijking bij ons de betekenis heeft gekregen van een mate van vernedering en verdrukking van de menselijke persoonlijkheid, die zelfs ons volk vroeger nooit heeft gekend', aldus Amalrik.

Met andere woorden: Rusland heeft 'positieve' ideeën. Behalve dan het idee van de overheid als 'rechtvaardige' almacht. Dat lijkt egalitaristisch. Maar het is volgens Amalrik de 'meest destructieve kant van de Russische mentaliteit'. Want in de praktijk van Rusland is 'rechtvaardigheid' vooral een alibi om het 'verlangen dat niemand het beter heeft dan ik' te stillen, een reden voor 'haat tegen alles wat uitzonderlijk is, tegen elke hogere en meer dynamische levenswijze dan de onze'. Door deze rechtvaardigheidsmythe hebben ook moderne verworvenheden, zoals e urbanisatie en educatie, in Rusland geen cultureel effect kunnen sorteren. ' 'De proletarisering van het platteland heeft een 'vreemde klasse' geschapen, noch boer, noch arbeider, met de tweeledige psychologie van eigenaars van microbedrijfjes en van landarbeiders op gigantische ondernemingen' '. De zes jaar jongere schrijver Edoeard Limonov uit Charkov zal dit theoretische beeld later tot romans als Zelfportret van een bandiet en Een klein mispunt verwerken. Amalrik zou zich waarschijnlijk in het graf omdraaien als hij deze analogie zou moeten aanhoren. Hij en Limonov (in 1974 het land uitgezet) hebben immers alleen hun buitenlandse ballingschap gemeen gehad. Amalrik wilde een liberale burger zijn. Limonov daarentegen ambieert nog steeds niets meer dan de rol van de kwaadaardige provo, de laatste jaren als leider van een clubje zwart geklede 'nationaal-bolsjewieken'. Maar toch is het vroegere werk van Limonov een illustratie van de door Amalrik gesignaleerde driften in een immobiele maatschappij.

Maar deze tweedeling was toch afgedekt met die nieuwe heilsleer waarop de communisten zich beroepen? Nee, zo simpel is het toch niet. 'De christelijke ideologie, die in Rusland trouwens een half-heidense staatsgodsdienst was, is afgestorven en niet vervangen door de marxistische ideologie', schrijft Amalrik met paradoxale spijt. In de eerste decennia van Sovjet-Rusland werd dat gemis nog gecompenseerd: door Stalin. 'Zoals bekend maakte het regiem tijdens de vijf aan de oorlog voorafgaande jaren zeer dynamische interne veranderingen door. (...) Maar daarna vond de regeneratie van de bureaucratische elite voortgang lands de zuiver bureaucratische weg van de selectie der meest gehoorzamen en plichtsgetrouwen'.

Onder Brezjnev is de Russische elite alleen maar 'zwakker en besluitlozer' geworden. Ze heeft daardoor ruim baan gegeven aan twee divergente tendenties. De elite van de mastodontische secretaris-generaal heeft, door een voortgaande modernisering, weliswaar een nieuwe middenklasse van stedelingen de kop laten opsteken. Maar ze heeft deze, in kwantitatieve zin overigens nog kleine, burgerij geen maatschappelijk expansievat geboden. De 'nomenklatoera' is in een 'fantasiewereld' blijven leven en blokkeert zo de noodzakelijke sociale mobiliteit. Tegelijkertijd heeft Rusland zijn 'destructieve' onderklasse gehouden. Daar is van verheffing geen sprake. Het resultaat is een nieuwe variant op de oude tsaristische en 'immobiele kastenmaatschappij'. 'De sovjetraketten hebben Venus bereikt, maar de aardappels worden in het dorp waar ik woon met de hand gerooid'.

Om de spanning te bezweren moet het bewind dus op zoek naar een overkoepelende ideologie. Deze zal volgens Amalrik gevonden worden in een revitalisering van het Russisch nationalisme: dé ideale uitlaatklep om de gefrustreerde proletarische boeren op een of andere manier te binden. Eenmaal op dit punt beland, wordt de historicus Amalrik de politicus Amalrik. En in die rol lijkt hij minder op dreef. Conform de negentiende-eeuwse tradities van de intelligentsia wordt Amalrik dan namelijk een apocalyptische profeet. Hij voorspelt niets minder dan oorlog, oorlog met China nog wel. China maakt volgens Amalrik een veel snellere ontwikkeling door dan Rusland en zal derhalve behoefte krijgen aan levensruimte in Siberië. In dit Euro-Aziatisch treffen tussen twee nucleaire mogenheden zal de Sovjet-Unie uiteindelijk haar laatste adem uitblazen.

Die oorlog is, zoals bekend, nooit uitgebroken. Maar Amalriks analyse raakt ook achteraf wel degelijk kant en wal. De zinloze oorlog heeft niet aan de Chinese grens plaatsgevonden maar in Afghanistan. Het Russische nationalisme, dat zich in de jaren tachtig niet op een externe vijand zou gaan richten maar op het eigen communisme, heeft wel degelijk de bijl gelegd aan de wortels van het Sovjet-rijk. Het heeft hoe dan ook het nationalisme van de niet-Russische volken gestimuleerd: 'het eerst in de Baltische landen, de Kaukasus en de Oekraïne, en vervolgens ook in Centraal Azië en in het Wolgagebied', zoals Amalrik in 1969 al voorziet.

De apodictische voorspelling die hij tot slot doet, is evenmin totale onzin. 'Waarschijnlijk zal de democratische beweging (...) niet in staat zijn het land onder controle te krijgen, in elk geval niet lang genoeg om de problemen op te lossen waarvoor het is gesteld.' Want het ontwikkelingstempo waarmee futurologen zo graag schermen, kan de historicus Amalrik niet bekoren. Afgaande op het oude Rome zouden de futurologen van het keizerrijk toen de stoommachine hebben moeten voorspellen. 'Naar we echter nu weten graasden in de 6e eeuw op het forum de geiten zoals nu onder mijn raam in mijn dorp'.

    • Hubert Smeets