Bizar conflict over rapport studiefinanciering

Een rapport over de studiefinanciering leidde deze week tot een publieke ruzie tussen de adviescommissie en de minister van Onderwijs. Hoe kon dit conflict ontstaan?

DEN HAAG, 7 NOV. Het is een bizar conflict. Een minister die een rapport afvalt waar hij zelf om gevraagd heeft. En een commissievoorzitter die de minister publiekelijk kritiseert, nadat hij zijn rapport al heeft uitgebracht.

Minister Ritzen (Onderwijs) noemde de plannen direct bij de presentatie slecht voor de toegankelijkheid van het onderwijs. De voorzitter van de commissie, de commissaris van de koningin in Friesland, Hermans, zei later dat de minister alleen zijn eigen beleid verdedigt en “evidente kritiek” uit de samenleving negeert. Sindsdien zijn ze niet meer 'on speaking terms'.

Meestal gaan die dingen anders in Den Haag. Commissies zijn er om problemen op te lossen of om kwesties op de lange baan te schuiven. Ze zijn om te pacificeren en niet om ruzie te maken.

De heftigheid van het geruzie heeft zowel te maken met het onderwerp als met het moment. Studiefinanciering is altijd een gevoelig onderwerp, omdat het veel burgers - studenten én ouders - raakt. Die gevoeligheid is nu nog groter omdat er verkiezingen naderen. Voor de PvdA'er Ritzen geldt ook nog eens dat hij de hoeder is van het huidige stelsel. Hij is inmiddels acht jaar minister en enigszins spottend wordt in Den Haag wel gezegd dat “behalve Ritzen en zijn ambtenaren” niemand meer in het huidige stelsel gelooft. Voorstellen voor een andere opzet zijn in zekere zin dan ook een afrekening met zijn beleid.

Insiders in Den Haag verbazen zich over het conflict. “De commissie-Hermans heeft zich niet goed ingedekt”, zegt een adviseur van het kabinet die niet met name wil worden genoemd.

Hoe gaan die zaken normaal als het kabinet een advies vraagt? Een commissie stelt een rapport op en zeker in de eindfase is er nauw overleg met de meest verantwoordelijke minister. Formeel heeft een commissie de vrije hand, maar feitelijk wordt altijd geprobeerd tot een afstemming te komen.

Commissievoorzitter Hermans bestrijdt dat hij verkeerd heeft geopereerd. Hij overlegde regelmatig met minister Ritzen en zegt verrast te zijn door diens reactie. In het vooroverleg maakte de minister vooral een punt van het schrappen van de studiefinanciering voor het middelbaar beroepsonderwijs. “Ik heb toen gezegd, Jo, dat is een forse ingreep, maar als jij dat anders wil, kun je dat compenseren. Over andere punten heeft hij niets gezegd.”

De scherpe opstelling van Ritzen heeft ook een andere achtergrond. De commissie-Hermans is hem zo ongeveer afgedwongen. In het regeerakkoord introduceerde de paarse coalitie de prestatiebeurs, die met ingang van het studiejaar '96-'97 werd ingevoerd. Deze strakke vorm van studiefinanciering stuitte van meet af aan op zware kritiek uit de kring van universiteiten en hogescholen. Later ontstond ook in de Kamer de wens om met het oog op de toekomst gericht naar de studiefinanciering te kijken.

Het conflict zit ook in het moment van presentatie. In de politiek heerst zes maanden voor de verkiezingen een pre-verkiezingskoorts. Onderwerpen met een grote electorale betekenis worden heel sterk langs partijpolitieke lijnen beoordeeld. Dat leidde ertoe dat partijen in hun eerste reacties op de voorstellen vooral 'nee' zeiden en dat minister Ritzen niet alleen als minister maar ook als partijman reageerde.

De commissie-Hermans is “te vroeg of te laat”, zeggen partijpolitici. Te laat omdat politieke partijen hun verkiezingsprogramma's, met uitvoerige paragrafen over studiefinanciering, al hadden gepresenteerd; te vroeg omdat een praktisch gebruik van verregaande voorstellen bij de vorming van een nieuw kabinet nog ver weg is.

De commissie-Hermans had haar plannen aanvankelijk eerder willen presenteren. De ingewikkeldheid van de problematiek en discussie in eigen gelederen leidden tot vertraging. Zo kwamen de samenwerkende universiteiten, die in de commissie zijn vertegenwoordigd, in september met een eigen voorstel naar buiten. Hermans heeft toen overwogen zijn opdracht terug te geven. Pas nadat hun vertegenwoordiger, de voorzitter van het college van bestuur van de Katholieke universiteit Nijmegen T.H.J. Stoelinga, verzekerde dat “het denken niet stilstond” kon de commissie verder.

Welke rol zal het rapport-Hermans nog spelen? Integrale uitvoering van de plannen is onwaarschijnlijk; daarvoor zijn de kosten te hoog. Het wegstoppen van het rapport “diep in de la” zal ook niet gebeuren; daarvoor is de behoefte om het huidige stelsel te veranderen te groot.

Het ligt meer voor de hand dat politieke partijen, ondanks hun afkeurende eerste reacties bij de definitieve vaststelling van de programma's, later dit jaar toch elementen uit het rapport-Hermans zullen overnemen, zeggen partijpolitici.

Realisering van de voorstellen bij de kabinetsformatie van volgend jaar is vervolgens niet zozeer een kwestie van partijkleur maar eerder van geld. Studiefinanciering is bij onderhandelingen geen ruilmiddel, maar een investeringspost. Niet de politiek, maar de conjunctuur zal volgend jaar dan ook de beslissende factor zijn.

Ministers maken beleid of stellen commissies in. Commissies zijn er in Den Haag dan ook in allerlei soorten en maten. De commissie-Hermans, die adviseerde over “de meest wenselijke richting” voor de studiefinanciering, is een externe commissie. Ze is vergelijkbaar met de commissie-Andriessen die eerder adviseerde over de vorming van een stadsprovincie Rotterdam. Beide onderwerpen waren bij de kabinetsformatie niet afdoende geregeld.

Sommige kwesties regelt het kabinet in eigen beheer, via een ministeriële commissie met ministers en ambtenaren. Bij de vorming van het kabinet-Kok werden dergelijke commissies ingesteld voor het grotestedenbeleid en de sanering van regelgeving. Voor advisering over lopende zaken heeft het kabinet nog altijd de beschikking over een aantal vaste adviescolleges. Na een grondige sanering van het adviesstelsel zijn dat er nog een stuk of twintig: naast de WRR op ieder groot beleidsterrein één. Onderwerpen die een nationale betekenis hebben en min of meer boven de partijpolitiek staan worden geregeld via een staatscommissie. De laatste staatscommissie was die voor het euthanasie-vraagstuk (1982). En voor echt lastige kwesties die de natie raken, zijn er commissies van wijze mannen, zoals de commissie-Donner die in de jaren zeventig een mogelijke betrokkenheid van prins Bernhard bij het zogeheten Lockheed-schandaal onderzocht.

    • Kees van der Malen