ANC-politicus en dichter Mathews Phosa over het Afrikaans; Dis my taal. Ek claim hom

Vooraanstaand ANC-politicus Mathews Phosa debuteerde een jaar geleden met een bundel beschouwingen en gedichten in het Afrikaans, de taal van de onderdrukker. Zijn boek werd onder blanke Afrikaans-sprekers 'n blitsverkoper. Phosa, van huis uit Sotho-spreker, houdt van het Afrikaans: 'Die taal is besig om te toyi-toyi, om te dáns'.

Tijdens de Antwerpse Boekenbeurs (Bouwcentrum, J. van Rijswijckslaan 191, Antwerpen) treden zondagmiddag 9 nov Zuid-Afrikaanse auteurs op onder wie Riana Scheepers, Etienne van Heerden, Wally Serote, Mazisi Kunene en Sandile Dikene. Mathews Phosa, Deur die oog van 'n naald, uitg. Tafelberg, Kaapstad. ISBN nr. 0-624-03499-2

Politiek en taal blijven in Zuid-Afrika op merkwaardige wijze verstrengeld. Na de verkiezingen van 1994 hoorde je Zuid-Afrikanen graag beweren dat in het land een zwarte culturele renaissance ophanden was, en dat de bevrijding van zwarte talen daar een belangrijk onderdeel van zou uitmaken. Wie echter had verwacht dat dit optimisme rechtstreeks naar een opleving van 'zwarte' literatuur zou leiden, wordt vooralsnog teleurgesteld. Wat zou het mooi zijn geweest om bijvoorbeeld over een aangrijpende roman in het Sotho of het Zulu of het Venda te kunnen berichten. Iets dergelijks is in de afgelopen jaren niet gesignaleerd, en de redenen daarvoor zijn complex. De nieuwe grondwet voorziet in gelijke behandeling van elf officiële landstalen. Die erkenning was voor een deel bedoeld om het monopolie van het Engels en het Afrikaans te doorbreken. De taalstrijd in één klap van tafel geveegd. Hoe moet je uitleggen dat de geluiden die in Zuid-Afrika tegenwoordig het meest de aandacht trekken nog steeds uit de hoek van het Afrikaans komen, een taal die zich - alweer - bedreigd voelt door het Engels?

Afrikaans sprekenden denken door het taalbeleid van het nieuwe bewind in een hoek te worden gedreven. Een angst waar weinig grond voor bestaat. Als er iets in het literaire landschap van Zuid-Afrika is verschoven, dan is het binnen het Afrikaans. Deze taal blijkt inderdaad herboren, of op zijn minst aan een aardige facelift onderworpen. Dat ligt aan een aantal nieuwe bruine en zwarte schrijvers. Auteurs uit een bevolkingsgroep die - het spreekt vanzelf - in het Afrikaans maar mondjesmaat werden geaccepteerd. In 1995 verscheen wat werd gekenschetst als 'die eerste roman in Afrikaans deur iemand anders as 'n wit skrywer' (Andrew Scholtz' Vatmaar), in 1996 gevolgd door een boek dat gretig werd binnengehaald als de eerste Afrikaanstalige roman van een niet-blanke vrouw (E.K.M. Dido's Die storie van Monica Peters), en dan laat ik nog een paar interessante voorbeelden buiten beschouwing.

Een jaar geleden zag ook Deur die oog van 'n naald het licht, geschreven door Mathews Phosa, de premier van de provincie Mpumalanga (Oost-Transvaal). De bundel bevat korte 'beskouings' en vierentwintig gedichten. Het werd ten doop gehouden op het kantoor van een toonaangevende Afrikaanse uitgever in Kaapstad, in aanwezigheid van Nelson Mandela en andere kopstukken van het ANC, prominenten uit de Afrikaanstalige letteren en - per toeval - de zojuist verkozen Miss South Africa, Peggy-Sue Khomalo. In zijn dankwoord sprak Mathews Phosa de hoop uit dat zijn boekje zou helpen om het Afrikaans 'uit sy onnatuurlike tronk (gevangenis) te bevry' - het gevang waarin het door een halve eeuw Christelijk Nationalisme en Afrikaner taalpurisme was opgesloten. Dat een vooraanstaand politicus levendige verzen en beschouwend proza schreef werd op zichzelf niet verbazingwekkend gevonden. Dat Phosa, van huis uit Sotho sprekend, in het Afrikaans publiceerde wél. Zijn boek werd dan ook onder blanke Afrikaans sprekers 'n blitsverkoper (bestseller); eindelijk een zwarte politicus die onze taal te hulp schiet, en een belangrijke ANC-er op de koop toe, was de stemming. De Weekly Mail (Johannesburg) sneerde: “Phosa to the rescue of Afrikaans.” De pessimisten zagen er meteen een voortzetting van de oude taalstrijd in: nu de klok Engels slaat (vooral in de media) zoekt Die Taal bondgenoten onder niet-blanke schrijvers. Phosa zelf beschouwt zijn keuze voor het Afrikaans echter als onderdeel van politieke verzoening. Phosa is een bescheiden optimist.

Muishond

“Ik beschik over vele tongen,” luidt de eerste dichtregel van zijn bundel. Enkele dagen voordat hij de Antwerpse boekenbeurs zou toespreken - Zuid-Afrika is er dit jaar schwerpunkt - ontmoeten wij elkaar op de Zuid-Afrikaanse ambassade in Den Haag, en hij praat zachtjes.

Wie is, om zijn naam voluit te schrijven, Nakedi Mathews Phosa? 'Nakedi' is het Sotho voor muishond - stinkdiertje - maar veel betekenis moet ik er niet aan hechten. In het Sotho komen dergelijke koosnamen vaker voor, legt hij uit; ze zijn willekeurig, geleend van bomen, dieren, rivieren. Phosa heeft in het ANC sinds de verkiezingen van 1994 bliksemcarrière gemaakt, zijn bescheiden stijl van optreden ten spijt. Momenteel behoort hij, samen met Winnie Mandela en Jacob Zuma, tot de voornaamste kandidaten voor het vice-voorzitterschap van het ANC - een post die mettertijd vrijwel automatisch naar het presidentschap leidt. Er is veel om te doen. De interne verkiezingen vinden plaats in december, de machtsverhoudingen liggen moeilijk, maar hij wil er geen bijzonderheden over kwijt. Op het verlegene af bedeesd verhaalt hij over zijn jeugd. “Ek het groot geword op 'n plaas (boerderij). Ek het geploeg, met so 'n ploeg met één skaar. Ons het esels gebruik en osse. Jy het swaar gekry (je had het er moeilijk) - dis waar ek in kontak gekom het met die grond. Ons het geboer, na beeste gekyk, na die bokke, visse gevang in die rivier.” Onder het lezen in Deur die oog van 'n naald was het me al opgevallen, en tijdens ons gesprek zal het steeds terugkomen: verbintenis met het landschap van de oostelijke Transvaal, 'kontak met die grond'.

Phosa werd op 1 september 1952 geboren in een zwarte township niet ver van Nelspruit, een overwegend conservatief en Afrikaans sprekend stadje. Zijn vader was er onderwijzer, zijn moeder verpleegkundige. Hij groeide echter grotendeels op bij zijn grootouders. Na de lagere school werd hij naar kostschool gestuurd. Veertien jaar oud, weg van thuis, in een streek die grenst aan het Krugerwildpark. En voor het eerst ondergedompeld in het Afrikaans, want op Maripe Hoërskool vond onder dwang van de apartheidswetten bijna al het onderwijs in die taal plaats. Mathews blonk uit in talen, in toneel en debat. Hij ging opvallen, en schreef zijn eerste, nogal opstandige gedichten. “Er was een leraar, een zekere Marais, die zo goed les gaf dat ik niet anders kon dan lief raak vir die taal.”

“Marais was een oudere Afrikaner, een sympathieke man. Hij begon telkens maar over de Engelsen en de boeren, en liet me de Afrikaanse verzetspoëzie lezen, de dichters van de opstand en de Anglo-Boerenoorlog. Dat maakte indruk. Wat het volk van Marais door de Brit was aangedaan was nauwelijks voorstelbaar - de anonieme graven, de vermoorde kinderen, dezelfde struggle, dezelfde pijn, en dezelfde hoop als wij zwarten koesterden. 'Waarom doen ze het nu ons aan?' dacht ik toen. Wij moesten weerstand bieden, zoals zij hadden gedaan. We moesten naar middelen zoeken, een taal spreken die zij konden verstaan.” Phosa werd geprezen om zijn taalgevoeligheid, maar de boodschap achter zijn woorden kwam nauwelijks aan de orde.

Sjambok

Rond die tijd waren er ook voor het eerst contacten met de veiligheidspolitie. Samen met zijn vrienden verstoorde hij een alleen voor blanken bedoelde bijeenkomst op het dorp. Na een verhoor door de autoriteiten werden ze naar het schoolhoofd doorgesluisd. Het hoofd sloeg, met een sjambok, de Zuid-Afrikaanse bullepees. “Ons het baie hard betaal daarvoor,” memoreert Phosa, en gaat verzitten. Acht halen met een zweep van nijlpaardenhuid. Hij draagt de littekens nog op het achterwerk, maakt hij duidelijk. Niet lang geleden zijn lijfstraffen op de Zuid-Afrikaanse scholen dan toch afgeschaft.

Ik zeg: “In Groot-Brittannië mag het nog, als de ouders toestemming geven.”

“Dat schept een aardig beeld van zogenaamde Britse beschaving,” monkelt de dichter-politicus, en lacht hardop.

“U heeft de Engelsen niet lang geleden als hypocriet beschreven, de Angelsaksische manier van doen getypeerd als schijnheilig. Komt dat door wat u ziet als gebrek aan betrokkenheid van die bevolkingsgroep in Zuid-Afrika?”

Phosa gaat er voor zitten.

“Het zijn altijd Engelsen die mij vragen waarom ik schrijf in de taal van de onderdrukker. Ondertussen hebben zij eerst de Afrikaners gekneveld, en tevens die swartman. We zijn door hen gekoloniseerd. Zij koloniseren met de tong, en daar is weinig aan te doen, dat zie je toch ook voor een deel in Europa gebeuren. Maar het kan niet vaak genoeg gezegd, Afrikaans is en blijft een Afrika-taal. Bovendien, Afrikaans is uit handen van de Afrikaner gegleden. Die taal is besig om te toyi-toyi, om te dáns.”

Aan de universiteit te Pietersburg is hij Afrikaans blijven schrijven en zijn werk op verzoek ook in het openbaar blijven voordragen. Dit ondanks de opstand van schoolkinderen in Soweto, die het in 1976 nog langer vertikten om in Die Taal te worden onderwezen. Na zijn rechtenstudie opent Phosa in 1981, hij is dan 29, het eerste zwarte advocatenkantoor in zijn geboorteplek Nelspruit. Tegelijk wordt hij lid van de militaire tak van het ANC, Umkhonto We Siswe (de speer van de natie). Ondergronds regelt hij infiltratie van het plaatselijke politie-apparaat, en speelt inlichtingen door naar het buitenland. Bovengronds raakt hij betrokken bij het verzet tegen de thuislanden-politiek. Aan die activiteiten komt in 1985 abrupt een einde, wanneer hij naar Mozambique moet uitwijken om te ontsnappen aan een aanslag op zijn leven.

“Drie van mijn medewerkers werden in hun slaap doodgeschoten. Men wist dat ik bij die ploeg betrokken was. Iemand stond op het punt om door te slaan. Wat doe je dan? Ik weet precies wie me heeft aangegeven, tot op de dag van vandaag zijn we vrienden gebleven. Ik moest van het toneel verdwijnen. Het betekende een breuk met alles wat ik tot dan toe had meegemaakt, afschrijven van het verleden. Een tweede leven. Eigenlijk was het traumatischer dan ik toen dacht. Met het kantoor ging het juist geweldig, een stijgende lijn. Voor je het wist werd je vanuit Maputo via Moskou naar Berlijn gevlogen voor een opleiding in guerrilla-tactiek. Mijn moeder was in de Tweede Wereldoorlog met Zuid-Afrikaanse troepen naar Europa geweest, vrijwillig, als verpleegster. Toch had ik nauwelijks een besef van hoe het daar was. In de DDR werd je opgesloten, contact met de buitenwereld was er niet, een soort quarantaine. Je werd geacht politieke economie te studeren, de technieken van de contraspionage, fotografie zelfs. Toen ik daar die eerste dag in een greppel stond met een granaat in mijn hand daagde het. Ek wil niemand doodmaak nie. Ek is nie so opgebring nie. 'n Soldaat se lêwe is mos (toch) die hel.”

Ballingschap

Phosa werd geen gewone soldaat, hij was van 1986 tot aan zijn terugkeer in 1990 districtsbevelhebber van Umkhonto we Siswe in Mozambique. De periode van ballingschap viel hem zwaar, de opluchting nadat De Klerk een aanzet tot verandering gaf was des te groter. Phosa speelde hij een belangrijke rol bij het Codesa-overleg. Dat was niet uitsluitend een gevolg van zijn verdienste in de strijd, maar vooral ook van het feit dat hij de mentaliteit van de Afrikaner kende, zich het Afrikaans had eigen gemaakt: “My leiers het geweet ek verstaan omtrent die taal.” Meer dan alleen maar knowing the enemy - het zal veel achterdocht hebben ontzenuwd, en het ANC in dat stadium ongetwijfeld geen windeieren hebben gelegd. Het blijft ook het meest verbazingwekkende aan de persoon Mathews Phosa. Bijna te mooi om waar te zijn: een zwarte verzetsleider wiens ervaringen op het platteland van de Transvaal die typische, landschapsgebonden sentimenten opleverde die je met de onverbiddelijke blanke boer associeerde. “Wanneer ik met de boeren praat”, schrijft hij in een 'beskouing', “dan doe ik dat in Afrikaans, want ik weet dat dat het kanaal is waardoor ze de wolken zien klimmen, de omgeploegde grond ruiken en om uitkomst (regen) bidden.” Een man buitendien, die zich zelfs met de minder rationele anti-Engelse gevoelens van de Afrikaner kon identificeren.

Swartman

Ik was gekomen om te horen waarom een Sothospreker in het Afrikaans schreef en bij voorkeur Afrikaanse dichters las, Totius, Van Wyk Louw, Breytenbach, Antjie Krog. Het antwoord op die vraag lag voor de hand. Sotho en Afrikaans verstonden elkaar. In de Transvaal, en nu in Mpumalanga, was het verschil tussen boer en swartman althans kleiner dan gedacht. Kleiner dan die tussen Brit en Afrikaner. In het verlengde daarvan: wat vindt Phosa van het Hollands?

“Aan de universiteit in Pietersburg was het Nederlands een verplicht onderdeel van het vak Afrikaans, dat voor de studie rechten natuurlijk onontbeerlijk is. Ik kan niet zeggen dat het eenvoudig was. Toch heb ik me met veel plezier door die moeilijke Hollandse teksten gewurmd en er waarschijnlijk wel iets van opgestoken. Een kennismaking met die taalgroep, Vlaams, Nederlands, geeft uiteindelijk een betere fundering aan je begrip en aan de manier waarop je onze taal hanteert.” Phosa bertreurt het dat de studierichting Afrikaans-Nederlands aan veel Zuid-Afrikaanse universiteiten met sluiting wordt bedreigd (in Durban en Pietermaritzburg is dat onlangs op het nippertje voorkomen), “dis verkeerd”.

“Het is één familie, of we het willen of niet. Maar die familie is uitgebreider dan velen denken. Het niet-standaard Afrikaans zal ook geschreven gaan worden. Ze zullen vechten voor hun dialecten - het Kaaps, het bargoens van de voorsteden. Het zal even duren. Sterven zal de taal zeker niet, en Nederlands zal een rol blijven spelen. Hoe rijker een tong is, des te mooier. Zoals ik in mijn toespraak bij publicatie van het boek al zei, in welke taal kan je lekkerder kletsen - en beschik je over zoveel varianten om dat te doen, van boevenpraat tot verheven, onverstaanbaar academische gezwets - dan juist het Afrikaans? Dis my taal. Ek claim hom.”

Ik spreek het niet tegen. De geschiedenis van Die Taal als instrument van onderdrukking moet nog geschreven worden en de eerste bladzijden van Afrikaans, taal der verzoening, worden al omgeslagen. Wij zijn nog steeds op zoek naar een gemeenschappelijke manier van zeggen. Zuid-Afrika verkeert in een betrekkelijk vreedzame overgangsfase, en je dankt God op blote knieën dat het niet anders is gelopen.

Ja-knikkers

Inmiddels is het in de kamer op de ambassade waar wij ons gesprek voeren een komen en gaan van jewelste geworden. Een bedrukt opgewonden sfeer. Adviseurs, secretarissen, geven in cryptische, half uitgesproken zinnen de laatste berichten door, er is iets gaande. Phosa heeft al die tijd de indruk gewekt van iemand die zich met enige tegenzin in de politiek omhoog heeft laten stuwen. Het ANC won met meer dan tachtig procent van de stemmen de verkiezingen in de provincie waar hij de lijst aanvoerde, en premier werd. In Nelspruit, hoofdstad van Mpumalanga, is hij uitgegroeid tot held. Hij staat bekend als politicus die geen corruptie duldt en zich zorgen maakt over racisme van zwarte kant. Hij heeft altijd al een hekel aan ja-knikkers gehad, of dat nu de thuislandleiders van vroeger gold, of tegenwoordig de ambtenaren van zijn eigen partij. Hoe staat het met zijn kandidatuur voor het vice-voorzitterschap van het ANC?, vraag ik toch maar.

“Het is niet onwaarschijnlijk dat ik in die positie geen belang stel,” zegt hij met een diplomatenoog op zijn adviseur gericht. “Ik moet nog beslissen of ik het wil, en die kans is niet groter geworden. Een politieke loopbaan zou niet mijn eerste keuze zijn geweest. Ek kan baie maklik uit die politiek tree. Ach, de politiek is eigenlijk als een onbetrouwbare minnares. Dis baie treacherous, nê.” Hij grijnst innemend en herhaalt het een keer: “Die politiek is soos 'n los meisie.”

Enkele dagen later in Antwerpen, in de tot de nok toe gevulde zaal waar hij met een toespraak de start van de boekenbeurs inluidt, zal hij er nog eens op zinspelen.

“Als ik me afkeer van de politiek, dan zal dat niet zijn om schrijver te worden. Schrijver was ik al, lang voordat het openbare leven mijn aandacht ging opeisen.”

Na de speeches wordt door de Zuid-Afrikanen hartelijk champagne geschonken. In de wandelgangen vang ik een gerucht op dat daarna door andere bronnen wordt bevestigd. Nelson Mandela heeft Phosa in Den Haag opgebeld om druk uit te oefenen. Drie serieuze kandidaten voor het vice-voorzitterschap is er ineens één teveel. Winnie Mandela maakt zich sterk, ze geniet veel steun van vrouwen en jongeren aan de linkervleugel van de partij. De top van het ANC is doodsbenauwd dat zij er, bij het staken van stemmen tussen Phosa en Jacob Zuma, als lachende derde vandoor zal gaan met de macht. Winnie, als de op één na meest invloedrijke persoon in het land, is een reëel schrikbeeld geworden. Phosa trekt zich voorlopig terug uit de strijd om het leiderschap.

Talle tonge (Vele tongen)

Talle tonge het ek

een tong op 'n gegewe oomblik

'n heuningtong

'n bitter tong

'n tong stomp genoeg om te swyg

my skerp tong klap klap

soos 'n sweep en keep diep en laat bloei

my suur tong brand

brand soos asyn

en laat krimp inmekaar en skend

Talle tonge het ek

een tong op 'n gegewe oomblik

'n tong om te sny

'n tong om te salf

Ek het talle tonge

Mathews Phosa uit: 'Deur die oog van 'n naald'

    • Henk van Woerden