Ach, het is hopeloos; Slechts 480 schilderijen teruggegeven aan de rechtmatige eigenaren

De Stichting Nederlands Kunstbezit stond na de oorlog voor de taak om de kunstwerken die tijdens de oorlog naar Duitsland waren verdwenen te recupereren en zo mogelijk terug te geven aan de eigenaren. Die konden aangifte doen van wat ze kwijt waren, maar met die aangifteformulieren werd gefraudeerd. De SNK bleek vaak moeilijk tot teruggave aan particulieren te bewegen. Dit is de tweede aflevering van een serie over de Duitse kunstroof en de moeilijkheden bij de recuperatie en teruggave van de kunstwerken in Nederland.

De Amsterdamse kunsthandelaar Lodewijk Houthakker krijgt nu, na vijftig jaar, nog altijd een norse trek op zijn gezicht wanneer de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) ter sprake komt. Voor hem was het een instelling die geen ander doel diende dan zoveel mogelijk kunstwerken, een zo groot mogelijke oorlogsbuit, in de wacht te slepen voor de Nederlandse Staat. Particulieren moesten al met een leger advocaten schermen, wilden ze hun in de oorlog verloren kunst terugkrijgen. Wie zich dat niet kon veroorloven, zo meent Houthakker, kon fluiten naar zijn bezit.

Houthakker is niet de enige die onprettige herinneringen heeft aan het optreden van de SNK. Lili Gutmann, die tegen de SNK moest procederen voor het haar in 1954 eindelijk lukte om de kunstwerken van haar in de oorlog omgekomen ouders terug te krijgen, vindt dat zij en haar familie door de SNK regelrecht werden tegengewerkt.

Hoe terecht is de kritiek?

De SNK stond na de oorlog voor een onmogelijke taak. Alle kunstwerken die naar Duitsland waren weggevoerd moesten gerecupereerd en teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaren. Als die er tenminste nog aanspraak op konden maken, want alle kunst die vrijwillig aan de Duitsers was verkocht, verviel aan de Nederlandse staat.

Om een zo volledig mogelijke inventarisatie te krijgen van alles wat door de Duitsers in Nederland was gekocht, gestolen of geconfisqueerd, werd aan de Nederlandse bevolking de verplichting opgelegd om aangifte te doen van kunstwerken die op welke manier dan ook in handen van de Duitsers waren gekomen. In 1945 en '46 werd de SNK bedolven onder de aangifteformulieren. Er werden niet alleen naar Duitsland verdwenen schilderijen, tekeningen en sculpturen aangegeven, maar ook antieke meubels, tapijten en alle mogelijke soorten van kunstnijverheid: violen, theebladen, speeldozen, Turkse pijpen, blaasbalgen, gedenkpenningen, arresleeën, zandlopers, waaiers, inktstellen, wandelstokken, schaakstukken en zelfs een mummie.

Soms zijn de formulieren volgekalkt met opsommingen van verdwenen huisraad, soms is er een tekeningetje gemaakt van een schilderij of gaat de aangifte vergezeld van hartekreten als: 'Ach, het is hopeloos'.

De meeste aangiftes kwamen van particulieren. Veel kunsthandelaren die in de oorlog zaken met de Duitsers hadden gedaan, voelden zich niet geroepen om daarvan kond te doen. In zo'n aangifte moesten ze immers niet alleen verraden wie de Duitse koper was geweest, maar ook, als een kunstwerk in opdracht van een Nederlander was verkocht, wie die opdracht had gegeven. De SNK moest dus zelf achterhalen wat via de kunsthandel aan Duitsers was verkocht. Daarom werd van alle kunsthandelaren de administratie uit de oorlogsjaren opgevraagd. Met behulp daarvan vulde de SNK de aangiftes in. Ook alle verkooplijsten van veilinghuizen werden doorgevlooid op Duitse kunstkopers.

Terwijl de papierbergen bij de SNK almaar uitdijden, raakten de depots overvol. Behalve over de kunstwerken die uit Duitsland waren gerecupereerd, kreeg de SNK het beheer over de bezittingen die de in Nederland gestationneerde Duitsers hier na de Bevrijding hadden achtergelaten. En dan waren er nog kunstwerken uit de inboedels van NSB-ers en andere politieke delinquenten die na de oorlog op last van de regering in beslag werden genomen. Ook die belandden bij de SNK.

Zo optimistisch en voortvarend als de SNK in 1945 aan het werk ging, zo mismoedig zou er vijf jaar later op worden teruggekeken. In een nota uit 1950, bestemd voor de ministers van Financiën en van Onderwijs, Kunst en Wetenschappen, werd vastgesteld dat de SNK de onverwacht grote toevloed van kunstwerken uit Duitsland niet aankon, dat de administratie niet deugde en de teruggave aan de eigenaren belemmerd was door allerlei moeilijkheden. Eind 1948 had de SNK volgens deze nota nog maar 'zeer weinig' aan de rechtmatige eigenaren teruggegeven, terwijl de 'enorme voorraad' kunstvoorwerpen nog steeds toenam. In 1950 was deze situatie nauwelijks veranderd. Bij de SNK was intussen een reorganisatie doorgevoerd en het werk had meer dan een jaar nagenoeg stilgelegen. De kunsthistoricus A.B. de Vries werd afgezet als directeur en opgevolgd door mr. J. Jolles. Het was geen toeval dat een jurist zijn taak overnam. Het 'wanbeheer' bij de SNK werd vooral geweten aan het feit dat het werk hier gedaan was door kunsthistorici die geen benul hadden van juridische kwesties. Jolles was ook directeur van het Bureau Herstelbetalings- en Recuperatiegoederen (Hergo) van het ministerie van Financiën en het was de bedoeling dat dit Bureau de werkzaamheden van de SNK zou voortzetten. Dat gebeurde begin 1952 na de opheffing van de SNK. De nog slepende zaken konden toen eindelijk doortastend worden afgehandeld.

Fraude

Een van de problemen waarmee de SNK bij de teruggave te kampen had, was dat sommige kunstwerken door meer dan één persoon werden geclaimd. In de administratie van de SNK zijn allerlei valse aangiftes te vinden. Mensen die bijvoorbeeld wisten dat een bepaald schilderij door verkoop of confiscatie in handen van de Duitsers was gekomen, gaven op dat dit schilderij uit hun eigen huis was gestolen. Zo kon de Amsterdamse bankier G. Hamburger slechts met de grootste moeite twee bloemstillevens van de 17de-eeuwse schilder Jan van Kessel terugkrijgen. De schilderijtjes waren gestolen door de Duitse Wehrmacht die zijn huis in Laren had gevorderd. Na de oorlog waren ze opgespoord, maar ze werden 'ook door een ander geclaimd', zoals de SNK aan Hamburger liet weten. Hamburger moest met ettelijke getuigenverklaringen aankomen en er zou eerst nog een correspondentie van vele tientallen brieven met de SNK overheen gaan, voordat hij de twee Van Kesseltjes in 1952 in ontvangst mocht nemen.

Er is ook op andere manieren gefraudeerd met de aangiftes. Van een 'vrijwillige verkoop' werd op de aangifteformulieren meermalen een 'gedwongen verkoop' gemaakt. Degene die in de oorlog een kunstwerk aan de Duitsers had verkocht kon zich op deze manier vrijpleiten van een verboden transactie - alle handel met de Duitsers was immers door de Nederlandse regering in ballingschap in juni 1940 onwettig verklaard. Maar belangrijker was dat iemand die een kunstwerk onder dwang had verkocht er na de oorlog weer aanspraak op kon maken: de SNK moest zo'n kunstwerk aan de vroegere eigenaar retourneren, als die eigenaar althans bereid was om het bedrag dat hij er in de oorlog voor had ontvangen aan de SNK uit te betalen.

Dit soort oplichterijen bij de aangiftes heeft de SNK wantrouwig gemaakt, zoals blijkt uit diverse correspondenties. Bij de geringste twijfel over de juistheid van een aangifte werd alles tot de bodem uitgezocht.

Dat ondervond de kunstverzamelaar Ernst Proehl, die het schilderij Venus van Lucas Cranach kort na het uitbreken van de oorlog onder dwang aan de Duitsers afstond. Proehl had dit schilderij in 1937 voor een expositie uitgeleend aan het Kaiser Friedrich Museum in Berlijn. Kort voor de sluiting van de expositie schreef de directeur van het museum aan Proehl dat 'een invloedrijk bezoeker' en 'groot bewonderaar van Cranach' het doek wilde kopen. Proehl ging hier niet op in. Nadat het schilderij was teruggekeerd werd Proehls vrouw benaderd door Andreas Hofer - de kunstadviseur van Hermann Göring - die haar alsnog trachtte over te halen het werk te verkopen. Hofer liet daarbij doorschemeren dat hij in opdracht van een 'belangrijk persoon' handelde, zoals mevrouw Proehl in februari 1946 in een brief aan de SNK schreef. Het echtpaar Proehl weigerde opnieuw afstand te doen van het schilderij. In 1939 lieten ze het doek opbergen in de bomvrije opslag van het Stedelijk Museum, maar daar zou het niet lang blijven. Eind mei 1940 kregen ze weer bezoek, nu van de Duitse kunsthandelaar Alois Miedl die te kennen gaf dat Göring zijn zinnen had gezet op de Venus van Cranach. “Ik bleef wekenlang weigeren”, aldus mevrouw Proehl in haar brief aan de SNK, “maar toen hij mij tenslotte meedeelde dat het schilderij in Duitschland was geregistreerd als Duitsch kunstbezit, dat naar Duitschland moest repatrieeren, en dat ik groote last zou krijgen indien ik op mijn standpunt bleef staan, ben ik voor de dreigementen bezweken. Wij waren toen nog niet zo vertrouwd met de Duitsche intimidatie-tactiek.”

Aan het slot van haar brief somt ze nog eens op waarom hier sprake was van een 'gedwongen verkoop'. Maar zo makkelijk was de SNK niet te overtuigen. Van alle kanten werden inlichtingen ingewonnen en bij het Stedelijk Museum informeerde de SNK of het doek daar werkelijk in 1939 in veiligheid was gebracht. Pas in 1952 zag Proehl zijn Venus weer terug.

Het geval Proehl staat niet op zichzelf. Er waren meer redenen dan alleen wantrouwen tegenover de aangiftes waarom de SNK vaak moeilijk tot teruggave was te bewegen.

Roerende schatten

Vlak voor de Bevrijding schreef mr. J.K. van der Haagen, een hoge ambtenaar op het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming, een rapport over Onze roerende schatten van wetenschap en kunst in de oorlogsjaren. Van der Haagen had zich tijdens de oorlog tegen de Duitsers geweerd en getracht zoveel mogelijk kunst voor transport naar Duitsland te behoeden. In zijn rapport gaf hij ondermeer een overzicht van de schade die in de oorlog was toegebracht aan Nederlandse musea. Van het Joods Historisch Museum was de verzameling geconfisqueerd en enkele andere musea hadden eveneens onder de oorlog te lijden gehad. Van der Haagen keek in zijn rapport ook naar de toekomst en hij lanceerde het idee om na de oorlog, naar voorbeeld van Frankrijk, een 'mobilier national', een rijks-kunstcollectie te vormen. Hij betoogde dat de aankleding van Nederlandse overheidsgebouwen en ambassades veel te pover was. Met een 'mobilier national' zou Nederland die gebouwen van een 'waardig interieur' kunnen voorzien.

Met alle kunst die gerecupereerd werd en voor een groot deel in het bezit kwam van de Nederlandse staat, was er ineens een uitgelezen kans voor de vorming van zo'n nationale kunstcollectie. In 1949 werd dan ook de Dienst voor 's Rijks Verspreide Kunstvoorwerpen opgericht, het huidige Instituut Collectie Nederland. Veel van de gerecupereerde kunstwerken werden overgedragen aan deze Dienst die voor de verspreiding over regeringsgebouwen en musea zorgde.

SNK-directeur De Vries heeft er duidelijk een eer in gesteld om de Nederlandse staat te verrijken met een aanzienlijke kunstcollectie en bij de opsporing van de naar Duitsland verdwenen kunst heeft de SNK zich dan ook vooral gericht op 'kunstwerken van nationaal belang'.

In 1951, toen de Algemene Rekenkamer het door de SNK gevoerde beleid aan een kritisch onderzoek onderwierp, luidde de conclusie dat de SNK zich te veel had opgesteld 'als een soort acquisitiedienst voor de openbare kunstverzamelingen'.

Bij alle nobele bedoelingen lijkt de SNK het besef van mijn en dijn weleens te hebben verloren. Zo werd op de aangiftes die door de SNK zelf werden verzorgd meermalen 'vrijwillige verkoop' ingevuld, hoewel de 'vrijwilligheid' discutabel was. Op deze manier heeft de SNK een aantal belangrijke kunstwerken voor de staat weten te verwerven, zoals ik in het derde deel van deze serie zal beschrijven.

Uitstallingen

In 1950 waren er nog maar 144 schilderijen en tekeningen teruggegeven aan particulieren. In dat jaar, toen het Hergo zich met de afwikkeling van de teruggaves begon te bemoeien, organiseerde de SNK eindelijk enkele exposities van gerecupereerde kunstwerken. Het waren bonte uitstallingen van bijvoorbeeld 2400 schilderijen, 1000 tekeningen en 600 tapijten, van allerhande meubelen en huisraad en van keramiek en sculpturen. De exposities waren dan ook niet bedoeld voor het grote publiek, maar uitsluitend voor mensen die van hun bezittingen waren beroofd en daarvan aangifte hadden gedaan. De exposities moesten hen in de gelegenheid stellen 'hun goederen in natura te herkennen'. Ongeveer een kwart van alle voorwerpen werd herkend en geclaimd, waaronder veel meubelen en kunstnijverheid, al het overige verviel aan het rijk.

In totaal zijn van alle 4000 naar Nederland gerecupereerde schilderijen tot nu toe niet meer dan 480 schilderijen teruggegeven aan de rechtmatige eigenaren. De meeste van deze teruggaves zijn in 1952 geregeld door het Bureau Hergo. Daarna liepen er nog enkele zaken waarover de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel een uitspraak moest doen. Ook werd in de jaren vijftig incidenteel nog weleens een kunstwerk door de vroegere eigenaar in een museum herkend, maar na 1960 is er niets meer geclaimd.

Van de joden die de oorlog overleefden, hebben maar heel weinigen hun kunstwerken terug gezien. Het meeste raakte via veilinghuizen en kunsthandels verspreid en door de SNK is nauwelijks gezocht naar kunst die niet 'van museale betekenis' was.

De 480 teruggegeven schilderijen waren voor het overgrote deel afkomstig uit zo'n vijftien belangrijke privé-verzamelingen van onder anderen Frits Lugt, A. Jaffé, F. Gutmann en G. Hamburger. Zoals ik in het eerste deel uiteenzette, werden dit soort museale kunstwerken in de oorlog geselecteerd voor Hitler en andere nazi-kopstukken. Door de Geallieerden werden ze teruggevonden in een van de Duitse kunstdepots en overgebracht naar een 'collecting point', waar de medewerkers van de SNK ze alleen nog maar hoefden in te pakken en op te sturen.

Een van de kunstverzamelaars die de meeste van zijn schilderijen weer in handen kreeg, was Alfred Cohen, directeur van het warenhuis Maison de Bonneterie. Maar ook bij hem verliep de teruggave niet zonder slag of stoot.

Voor de oorlog had Cohen joodse emigranten uit Duitsland geholpen en tijdens de bezetting kregen hij en zijn familie al snel moeilijkheden met de Sicherheitsdienst die hun paspoorten in beslag nam. De Zwitserse consul in Nederland, met wie Cohen bevriend was, zag een vlucht-mogelijkheid. De consul kende dr. H. Posse die door Hitler was aangesteld als directeur van het op te richten Führermuseum. Posse, zo meende de consul, zou zeker geïnteresseerd zijn in Cohens schilderijen van zeventiende-eeuwse Hollandse meesters en hij kon proberen hem tot een ruil te bewegen: de schilderijen tegen uitreisvisa voor de Cohens. Dat lukte. In november 1941 kwam Posse naar Den Haag om 40 doeken van Cohen te bekijken, waarvan hij er 16 uitkoos voor Hitler. Cohen mocht met zijn gezin en twee neven het land verlaten, nadat ze eerst al hun bezittingen bij de Duitsers hadden ingeleverd. In januari 1942 reisden ze samen met andere joden in een verzegelde trein naar Irun in Spanje. Vandaar gingen ze via Cuba naar New York. Van de schilderijen die Posse niet had uitgezocht werd een deel veilig bewaard in het Zwitserse consulaat en een ander deel opgeborgen in een bankkluis. De schilderijen in de kluis werden door de Duitsers ontdekt en meegenomen. Hiervan zijn er drie - van De Momper, Backhuysen en Dou - nooit meer gevonden.

Toen Cohen in 1945 terugkeerde in Amsterdam, was zijn warenhuis door de Duitsers leeggestolen en zijn villa aan de Jan van Goyenkade ingericht als ziekenhuis. Hij moest zijn intrek nemen in een hotel.

Van de 16 schilderijen voor Hitler werden er 15 kort na de oorlog gerecupereerd. Cohens notaris ontdekte de zestiende, het Gezicht op de Rijn bij Rhenen (1643) van Jan van Goyen eind maart 1946 op de expositie Herwonnen Kunstbezit in het Mauritshuis. Op 1 april stelde hij SNK-directeur De Vries hiervan in een brief op de hoogte. Het onthutsende antwoord liet meer dan anderhalve maand op zich wachten. In een brief boordevol excuses van 22 mei 1946 meldde De Vries dat het doek van Van Goyen net de vorige dag, tijdens een bezoek van prinses Juliana en prins Bernhard aan Zwitserland, geschonken was aan de Zwitserse regering, uit dank voor de in de oorlog bewezen diensten aan het Nederlandse volk. De SNK had het doek bij vergissing uitgekozen, het kon onmogelijk aan Zwitserland worden teruggevraagd en De Vries stelde voor dat Cohen van de SNK een 'gelijkwaardig stuk' zou krijgen. Dit werd het Gezicht op Antwerpen, eveneens van Jan van Goyen. Dit doek was afkomstig uit de Goudstikker-collectie die in 1940 door Alois Miedl aan Göring was verkocht en na de oorlog in het bezit kwam van de Nederlandse staat. Cohen ontving het Gezicht op Antwerpen pas in 1949. Maar ook de andere 15 doeken zouden hem niet zomaar ter hand worden gesteld.

De SNK moest voor elke teruggave van een kunstwerk goedkeuring hebben van het Nederlandsch Beheersinstituut, een afdeling van de na de oorlog opgerichte Raad voor het Rechtsherstel. Bij de teruggave van de schilderijen van Cohen werd die goedkeuring geweigerd. Op 26 september 1946 schreef het Beheersinstituut aan de SNK dat de transactie tussen Cohen en de Duitsers 'in zekere zin afgedwongen en stellig immoreel was'. Maar Cohen had voor hem en zijn gezin 'een van buitengewoon groot belang zijnde tegenprestatie genoten, namelijk vrije uittocht naar geallieerd gebied'. Daarom moest Cohen zijn zaak maar aanhangig maken bij de Raad voor het Rechtsherstel. Hij kon zijn kunst alleen terugkrijgen als de Raad een voor hem gunstige uitspraak zou doen.

Cohens notaris stuurde in januari 1947 een verzoekschrift naar de Raad, maar tot een uitspraak is het nooit gekomen. Twee maanden later besliste het Beheersinstituut ineens dat Cohen toch recht had op zijn schilderijen en de zaak hoefde dus niet meer voorgelegd aan de Raad voor het Rechtsherstel.

Het Gezicht op de Rijn bij Rhenen, dat ooit bestemd was voor het Hitler-museum in Linz, hangt nu nog altijd in een overheidsgebouw in Bern. Het Gezicht op Antwerpen uit de Goudstikker-collectie werd in 1977 door de familie Cohen verkocht.