VS moeten punt zetten achter slap beleid jegens Irak

Hij wil maar niet verdwijnen, de Iraakse leider Saddam Hussein. Sterker: het heeft er alle schijn van dat de VS en hun bondgenoten zich bij deze realiteit neerleggen.

Ten onrechte, meent Jim Hoagland, het wordt tijd voor militair ingrijpen. Het Witte Huis moet Saddam treffen in zijn soevereiniteit en zijn persoonlijke veiligheid, de twee terreinen waar hij het kwetsbaarst is. Saddam Hussein is het lijk dat maar niet dood wil onder het deksel waar Amerika dacht dat hij voor altijd begraven lag. Op gezette tijden klauwt hij zich weer omhoog en gromt en grauwt de wereld toe.

Het Witte Huis onder Clinton doet dat telkens af als loos gebries dat geen Amerikaanse belangen schaadt. Saddam Hussein is 'gek' als hij de macht van de Amerikanen tart, zo zeggen de voorlichters. Hij zit zó 'weer in zijn kist'.

Ze schilderen de Iraakse dictator af als een incompetente, onberekenbare bendeleider die je af en toe met een kruisraket om de oren moet slaan. Maar deze opstelling gaat voorbij aan de morele en strategische prijs die de VS als wereldleider betalen voor de voortdurende confrontaties met Saddam.

Elke volgende confrontatie holt het respect voor Amerika verder uit. Elke confrontatie toont opnieuw aan hoe zinloos militair geweld is tenzij het dienstbaar is aan een effectieve politieke strategie of aan de politieke wil om op te treden tegen een verklaarde vijand die beschikt over dodelijk VX-gifgas, vele tientallen Scud-raketten en miltvuur-wapens.

In de hele Arabische wereld wordt door regeerders en burgers geloofd dat de enig resterende supermogendheid Saddams regime omver kan werpen als ze dat wil. Omdat het aanblijven van Saddam hen in de kaart speelt, bij voorbeeld doordat de olieprijzen stabiel blijven, of doordat de Sjiïeten en Koerden op wrede wijze onder de duim worden gehouden, gaan de Arabieren ervan uit dat ook de Amerikanen er een niet met name genoemd voordeel van hebben.

Die verdenking klinkt ook in Europa en Azië steeds vaker en draagt bij tot een neiging bij Frankrijk, Rusland en anderen om zich te distantiëren van het Amerikaanse beleid jegens Irak, maar ook jegens Iran.

Wanneer Saddam de Amerikanen via de VN-inspectieteams de wacht aanzegt, is dat geen kortstondige bluf: door erin toe te stemmen op hoog niveau met een VN-delegatie te praten over deze kwestie, onderstreept Saddam dat hij nog altijd door de Verenigde Naties, de Verenigde Staten en de rest van de wereld wordt geaccepteerd als de legitieme machthebber van Irak.

De naar Bagdad gezonden diplomaten hadden de instructie hem de les te lezen maar door te gaan, behandelen ze hem als een lid van hun eigen club. En Rusland, Frankrijk en de Arabische Liga hebben officieel laten weten dat ze zich verzetten tegen militaire actie in deze kwestie, wat Bagdad een diplomatieke en psychologische troef in handen geeft die het in toekomstige geschillen uit kan spelen.

George Bush vergeleek Saddam Hussein met Hitler onder verwijzing naar diens genocide op de Koerden, zijn gebruik van gifgas, de rooftocht naar Koeweit en andere gruwelen. Maar met dat al hebben functionarissen van Saddam nog altijd zitting in mensenrechtencommissies van de VN en in andere belangrijke internationale instellingen.

De obstructie en pesterijen van Saddam jegens de VN-inspecteurs duren nu al twee jaar, zonder dat vanuit Washington of het VN-hoofdkwartier meer dan lauwe reacties zijn gekomen. De inspectieteams kunnen zichzelf niet beschermen. Ze worden in Irak geduld door Saddam. Met dit conflict heeft hij de wereld gedwongen dat te erkennen.

De regering Clinton heeft zichzelf weinig keus gelaten en daarbij nog slechts weinig serieuze medestanders in haar optreden tegenover Irak. Een herhaling van de ineffectieve raketaanvallen waarmee twee eerdere 'directe confrontaties' werden beslecht, zou meer kwaad dan goed doen. Nieuwe sancties zullen niets aan Saddams gedrag veranderen. In plaats daarvan zou het Witte Huis Saddam moeten treffen in zijn soevereiniteit en zijn persoonlijke veiligheid, de twee terreinen waar hij het kwetsbaarst is.

Wat Washington moet doen is serieuze actie ondernemen om Saddams legitimiteit als leider aan te vechten door met ferme hand de leiding te nemen in het internationale streven om hem en zijn knechten als oorlogsmisdadigers aan te klagen.

Bill Clinton en zijn medewerkers zouden Bagdads vertegenwoordiging in de Verenigde Naties en haar organisaties moeten aanvechten. Ze moeten de vorming van een Iraakse regering-in-ballingschap stimuleren en beloven die te zullen erkennen.

In het kader van een politieke campagne om Saddam zijn legitimiteit te ontnemen, zou één vorm van militair ingrijpen nu zin hebben: een aanval op de eenheden van de Speciale Republikeinse Garde die Saddam en zijn paleizen beschermen en ook de schuilplaatsen van Iraks geheime moordarsenaal. Raket- en luchtaanvallen speciaal op deze eenheden, zal hen wellicht doen terugkomen van hun steun aan Saddam.

Behalve tijdens de 100 uur durende Desert Storm in 1991 hebben de Verenigde Staten en hun bondgenoten Saddams regime steeds behandeld als een aanvaardbaar onheil. Maar telkens wanneer hij zijn hoofd boven de aarde uitsteekt, bewijst hij opnieuw de medeplichtigheid van de wereldgemeenschap aan zijn voortregeren.