Verdeeldheid over EU-top werkgelegenheid

BRUSSEL, 6 NOV. De landen van de Europese Unie (EU) zijn verdeeld over de inzet van de werkgelegenheidstop die op 20 en 21 november in Luxemburg plaatsheeft. Sommige landen, waaronder initiatiefnemer Frankrijk, houden vol dat er Europese doelstellingen met concrete cijfers moeten worden geformuleerd. Andere zijn daar fel op tegen en het ziet er naar uit dat zij hun zin krijgen.

Dat bleek gisteren tijdens een vergadering van de ministers van Financiën, ter voorbereiding van de banentop. Tijdens de vergadering stelden vooral Duitsland en Spanje dat ze niets kwantificeerbaars willen, terwijl Frankrijk en fungerend Europees voorzitter Luxemburg juist wel richtlijnen met cijfers nastreven, evenals overigens de Europese Commissie.

Overeenstemming lijkt wel mogelijk over richtlijnen voor werkgelegenheid die per land verschillen en die regelmatig door de Commissie worden getoetst.

De Commissie lanceerde begin vorige maand een plan volgens welk de activiteitsgraad van de werkende bevolking van de EU wordt verhoogd van 60,4 procent nu naar 70 procent in de toekomst. Ook wil ze dat de werkloosheid van de Europese Unie in vijf jaar wordt teruggebracht van 11 naar 7 procent. Dat betekent dat er ten minste 12 miljoen nieuwe banen gecreëerd moeten worden. Momenteel zijn er zo'n 18 miljoen werklozen in de Europese Unie.

Duitsland werpt tegen dat zijn werkgelegenheidsbeleid in handen is van de deelstaten en dat het dus geen bindende afspraken kan maken. Spanje, met een werkloosheidscijfer van ongeveer 20 procent, voelt niets voor streefcijfers die het voorlopig toch niet kan behalen.

Minister Zalm is evenmin voorstander van cijfers. “Nederland heeft nu al een werkloosheid van minder dan 7 procent. Dat zou betekenen dat we de werkloosheid mogen laten stijgen.”

Voorstellen van de Europese Commissie om elke werkloze binnen een jaar een opleiding of stageplaats te bieden zijn volgens Zalm “onrealistisch”. Elke jongere zou binnen een half jaar een opleidingsplaats moeten krijgen. “Maar dat doen we in Nederland nu al.”

De Luxemburgse premier Juncker, verantwoordelijk voor Financiën, moest gisteravond concluderen dat de meningen nog zeer verdeeld zijn over richtsnoeren met cijfers. Hij hoopt over een nieuw voorstel een akkoord te bereiken op de volgende bijeenkomst van de ministers van Financiën met hun collega's van Sociale Zaken op 17 november. De onderdelen waar zij dan niet uitkomen, worden doorgeschoven naar de staats- en regeringsleiders.

Vandaag bespreken de EU-ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Commissieplannen voor de banentop in Luxemburg.

Om tegemoet te komen aan een oorspronkelijk Nederlandse wens, komt de Europese Commissie binnenkort met een voorstel voor de verlaging van BTW op arbeidsintensieve diensten, zoals schoen- en fietsenmakers. Het lagere tarief zou leiden tot hogere omzet en banengroei. Volgens Zalm zijn niet al zijn collega's even enthousiast over het voorstel, omdat ze vrezen dat dit veel geld gaat kosten.

Nederland zou 60 miljoen gulden aan belastinginkomsten derven. “Veel hangt af van de lijst van beroepen die er onder zullen vallen”, aldus Zalm. Zijn Belgische collega Maystadt beaamde dat hij wel kan instemmen met een lagere BTW, maar alleen als dit geldt voor “zeer arbeidsintensieve diensten”. Landen zouden niet verplicht zijn tot de lagere BTW over te gaan. Volgens Zalm zullen ze echter door interne druk wel worden gedwongen.