Van homohuwelijk en superhuwelijk

De Commissie-Kortmann is er niet uitgekomen, uit de vraag of het homohuwelijk wettelijk mogelijk moet worden en wat de consequenties hiervan zouden zijn.

Dat is ook niet zo verwonderlijk, want het gaat hier om een gecompliceerde kwestie, waar iedereen wel wat over te zeggen heeft. Eerlijk gezegd is het ook een kwestie waarvan de urgentie mij enigszins ontgaat. Het probleem doet mij denken aan een andere voor mij niet zo brandende kwestie, namelijk de vraag of een vrouw priester kan worden. Natuurlijk is daar niets op tegen, maar als er bijna geen man meer voor het priesterschap is te vinden, waarom zou je je er dan als vrouw zo druk om maken?

Hetzelfde gevoel heb ik bij de discussies over het vraagstuk van het homohuwelijk. Natuurlijk mag nooit, niets en niemand worden gediscrimineerd, maar waarom in dit tijdsgewricht waarin de helft van de huwelijken uitloopt op een echtscheiding en tal van andere wijzen van samenwonen meer in trek zijn dan deze, dit verlangen zo urgent zou zijn dat de Tweede Kamer er over moet debatteren en een commissie erover moet rapporteren, ontgaat mij. Toch is dat gebeurd en de meerderheid van de Tweede Kamer - en nu ook van de commissie-Kortmann - wil het homohuwelijk mogelijk maken. Het kabinet zal dus met een wetsvoorstel moeten komen. Dat zal weer veel uitleggen in het buitenland worden. En er valt al zoveel uit te leggen. Bijvoorbeeld dat wij zo'n prachtig drugsbeleid hebben, zulke heerlijke hennep, zulke fraaie afwerkplekken, zo'n verlicht beleid ten aanzien van abortus en euthanasie en zo'n goede president voor de Europese Centrale Bank.

Wat is er eigenlijk tegen het homohuwelijk? Helemaal niets, behalve dan natuurlijk dat het een contradictio in terminis is. Het huwelijk is immers volgens het woordenboek een wettelijk geregelde, formeel bekrachtigde levensgemeenschap tussen man en vrouw. (Hiermee wordt, mogen wij aannemen, bedoeld: tussen één man en één vrouw). Hugo de Groot zei het nog wat pittiger: 'Houwelijck ofte echt is een verzameling van man ende wijf tot een gemeen leven, medebrengende een wettelick gebruick van malkanders lichaam'. Er bestaat voor dit definitieprobleem natuurlijk een simpele oplossing, namelijk door het woordenboek aan te passen. Maar de vraag rijst dan wel of je daarmee ook niet de zaak zelf verandert. Je kunt ook de definitie van universiteit zo algemeen maken dat alle vormen van onderwijs, inclusief de basisschool, eronder vallen. Sommigen zullen zeggen dat ook dat slechts een aanpassing aan de bestaande praktijk is, maar dat geloof ik niet. Ik geef toe dat de grenzen vervagen en de panelen schuiven, maar zolang je het begrip beperkt tot het tertiair onderwijs, is toch nog wel enigszins duidelijk wat eronder valt en wat niet. Men kan echter ook te ver gaan. Als je maar lang genoeg de spelregels van voetbal verandert, valt op den duur handbal er ook onder, maar dan is het wel een andere tak van sport geworden.

Hetzelfde geldt voor het huwelijk. Als je het begrip verruimt van één man en één vrouw tot twee mannen c.q. twee vrouwen, dan rijst de vraag waarom niet ook één man met twee of meer vrouwen zou kunnen trouwen, wat in sommige culturen trouwens is toegestaan, of het omgekeerde, wat in weer andere samenlevingen voorkomt of voorkwam. En waarom dan geen huwelijk tussen mens en dier, zodat Woody Allen zou kunnen trouwen met zijn schaap, zoals hij zo graag wilde. Er moet dus een reden bestaan waarom wij het huwelijk hebben gedefinieerd als de relatie tussen één man en één vrouw en niet tussen mens en dier of tussen meer dan twee personen of tussen mensen van hetzelfde geslacht, terwijl kennelijk toch veel mensen aan al die relaties behoefte hebben. Sterker nog, wij hebben het huwelijk nog nauwer begrensd, want ook een huwelijk tussen vader en dochter is uitgesloten en bovendien moeten beide trouwlustigen een bepaalde leeftijd hebben bereikt. Ook die beperkingen zijn voor menigeen onaangenaam, getuige de vele gevallen van incest en pedofilie.

Toch zal niet iedereen om deze reden die wettelijke beperkingen nu onmiddellijk willen afschaffen. Daarom is de veelgehoorde opvatting dat de overheid geen zedenmeester is en geen morele opvattingen kan opleggen, maar slechts moet registreren wat er aan maatschappelijke verlangens bestaat, in haar algemeenheid onhoudbaar. Er worden via wetgeving allerlei morele opvattingen opgelegd en dat is maar goed ook.

Het is dus duidelijk dat het loutere feit dat mensen aardigheid hebben in een bepaalde relatie op zich zelf nog niet voldoende reden is om deze onder het begrip huwelijk te brengen. Sommige beletsels hebben een eugenetische bedoeling, andere een beschermingselement, weer andere een andere morele achtergrond. Ook bij de discussie over vóór en tegen van het homohuwelijk gaat het om een morele argumentatie. Godsdienstige mensen kunnen hierbij richting vinden in hun godsdienst en op grond hiervan hun morele overtuigingen voor volledig zeker houden. Maar de wetgeving werkt niet zo. Daar gaat het om wat de meerderheid der parlementariërs en daarmee ook, althans in theorie, de meerderheid van het volk vindt. Welnu, de parlementaire meerderheid in ons land is op dit moment vóór erkenning van het homohuwelijk. Of de meerderheid van het volk er ook zo over denkt, weet ik niet. In Amerika, zo las ik vorig jaar in een artikel van K. Anthony Appiah in The New York Review of Books (20 juni 1996) is de overgrote meerderheid (63 procent) er tegen. Liefhebbers van referenda zouden hier wellicht een aardig onderwerp aan hebben.

Het curieuze van de hele discussie is natuurlijk dat het huwelijk zelf zozeer op de helling staat, dat zowel voor- als tegenstanders van het homohuwelijk het gevoel moeten hebben een schemeroorlog te voeren. In ons land bestaan dan ook al plannen het huwelijk helemaal af te schaffen. In Amerika daarentegen, althans in Louisiana, is juist het omgekeerde gebeurd. Naast het 'standaard'-huwelijk met gewone echtscheidings-mogelijkheden, bestaat daar nu ook een soort superhuwelijk (covenant marriage) waarbij het voor de trouwlustigen veel moeilijker is om weer van elkaar af te komen. Hoewel dit op het eerste gezicht het omgekeerde lijkt, gaat het in feite om hetzelfde verschijnsel. Het zijn de laatste stuiptrekkingen van het huwelijk als instelling. Geen wonder. Dr. Johnson zei immers al: 'It is so far from being natural for a man and a woman to live in a state of marriage, that [...] the restraints which civilized society imposes to prevent separation, are hardly sufficient to keep them together'. En voor wie een hedendaagse deskundige prefereert met veel praktische ervaring op dit gebied is er de recente uitspraak van Elizabeth Taylor: 'Ik zie niet in waarom twee mensen van dezelfde of de andere sekse tegenwoordig nog behoefte hebben om met elkaar te trouwen'. Elizabeth Taylor kan het weten, want zij is acht keer getrouwd geweest en acht keer gescheiden. Tegenover zoveel deskundigheid kan de trouwlustige slechts één ding inbrengen: Credo quia absurdum.

    • H.L. Wesseling