Gezin moderniseert, maar breekt niet met traditie

Het gaat goed met het Nederlandse gezin, zo blijkt uit een vandaag uitgekomen onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau.

ROTTERDAM, 6 NOV. Na aanvankelijk wat lacherig te hebben gereageerd op de suggestie van de toenmalige CDA-fractievoorzitter Heerma voor een minister voor gezinszaken, gaf het kabinet in mei het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) de opdracht te onderzoeken “of nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van gezinnen in de samenleving van vandaag.”

Ja, zo concludeert het SCP in Het gezinsrapport, dat vandaag is verschenen. Het gaat goed met het Nederlandse gezin, van een crisis in de opvoeding is geen sprake. Het SCP heeft zelfs “een gunstig beeld van de opvoedingskwaliteit van het gezin”. Het gezin heeft een moderniseringsproces ondergaan, aldus de onderzoekers. “Er is echter geen radicale breuk met het verleden opgetreden en van een grootscheepse ontwrichting van het gezin als gevolg van de snelle sociale veranderingen lijkt geen sprake.” Grote bezorgheid bij politici lijkt dus niet nodig.

De 'modernisering' van het gezin bestaat eruit dat ook in gezinnen met jonge kinderen beide ouders nu in meerderheid buitenshuis werken. De meningen van de Nederlandse bevolking over de taakverdeling tussen partners is minder traditioneel geworden. Een ruime meerderheid kiest voor een gelijke taakverdeling binnens- en buitenshuis. De wens om de taken gelijk te verdelen, lukt in de praktijk niet, mede door een tekort aan plaatsen in de kinderopvang.

Een andere opmerkelijke conclusie van het rapport is dat veel vrouwen helemaal geen kind meer krijgen. Van de vrouwen die in 1970 zijn geboren, zal naar verwachting 21 procent kinderloos blijven, van nog jongere generaties zelfs een kwart van de vrouwen, zo luidt de verwachting van het SCP.

De inkomenspositie van gezinnen met kinderen is over het algemeen gunstig. In 1995 was hun besteedbaar inkomen 61.000 gulden, tegenover een gemiddelde van 56.000 gulden voor paren zonder kinderen. Eenoudergezinnen blijven daar met een gemiddelde van 36.000 gulden duidelijk bij achter. Het krijgen van kinderen heeft geen grote gevolgen voor het besteedbaar inkomen van de meeste gezinnen. Bij de geboorte van het eerste kind daalt het besteedbaar inkomen van het gemiddelde huishouden met 1.9 procent. Bij de geboorte van het tweede kind stijgt het inkomen echter met 3.9 procent, bij een volgend kind met 5.3 procent.

Die stijging is als volgt te verklaren: het inkomen van de hoofdkost- winner neemt vaak toe door anciënniteit en promotie, steeds meer moeders blijven werken en de gezinnen krijgen kinderbijslag. De kinderbijslag dekt gemiddeld 26 procent van de kosten die ouders maken.

Gezinnen die van het model van het standaardgezin afwijken, blijken in het algemeen geen bijzondere risico's voor kinderen in te houden. Kinderen uit eenoudergezinnen vertonen wel meer problemen dan andere kinderen. Maar dat heeft meestal niet met de gezinsstructuur te maken als wel met de echtscheiding, die meestal aan de vorming van eenoudergezin vooraf gaat en die in het algemeen een negatief effect heeft op het welzijn van het kind. Voor kinderen van wie de ouders in 1950 trouwden, was de kans op scheiding vijf procent, voor kinderen van ouders die in 1970 in het huwelijk traden, was dat zeventien procent.