De tulpenbollengekte

Windhandel werd het genoemd: nieuw-rijke burgers verkochten een kostbaar kleinood dat ze niet bezaten aan parvenuen die geen geld hadden. Het kleinood was een tulpenbol en deze bloeiende handel in blanco speelde zich af in de eerste helft van de zeventiende eeuw in de Hollandse steden. Tegenwoordig heet dit speculatie en beschikken handelaren over computergestuurde programma's voor de optie- en termijnhandel.

De eerste financiële luchtbel van het moderne kapitalisme speelde zich af tussen 1634 en 1637 met de tulpenbol. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden stond aan het begin van haar 'gouden eeuw'. De Tachtigjarige oorlog was formeel nog niet afgelopen, Piet Heyn had in 1628 de zilvervloot buitgemaakt, stadhouder Frederik Hendrik had de laatste steden (Breda in 1637) op de Spanjaarden veroverd. De Verenigde Oostindische Compagnie deed fabelachtige zaken en in de Hollandse steden nam de welvaart spectaculair toe.

De kooplieden zochten een statussymbool om hun rijkdom zichtbaar te maken en om zich te onderscheiden van de traditionele adel. De tulp, driekwart eeuw eerder vanuit Turkije in West-Europa geïntroduceerd, werd het doelwit van de begeerte. Het ging niet om de bloem, maar om de bol. Plotseling wilde iedereen die zich succesvol waande, in het bezit zijn van tulpenbollen.

Calvinistische predikanten waarschuwden voor ondermijning van de godvrezendheid, maar hun vermaningen werden resoluut terzijde geschoven. En ook de heersende humanistische moraal van gematigdheid, redelijkheid en loon naar werken werd vergeten. Het volk dacht een gratis ritje naar rijkdom te hebben gevonden - het was alsof de mensen hun verstand hadden verloren bij deze eerste vorm van massa-speculatie. In de kroegen waar de handel zich afspeelde, werd vrolijk gedronken, gegeten en gehoereerd.

De prijsstijgingen die vanaf 1634 optraden waren merkwaardig genoeg het gevolg van het succes dat kwekers hadden geboekt om goedkopere varianten te kunnen telen. De tulp, tot dan toe een elite-aangelegenheid, werd bereikbaar voor het gemene volk. Daardoor nam de vraag toe en stegen de prijzen. Het was zoals de hedendaagse popularisering van het effectenbezit.

Zo was ook de tulpenmanie de exponent van de opkomst van een sociale klasse: het bezit van een tulpenbol gold als het bewijs van goede smaak, van toelating tot de stedelijke elite. Zoals tegenwoordig de prijzen van schilderijen omhoog gejaagd worden door nieuwe rijken op de veilingen van Sotheby's en Christie's, of de lidmaatschapskaarten voor golfclubs in Japan tot enkele jaren geleden tegen steeds exorbitanter prijzen verhandeld werden, zo raakte de Republiek in de ban van de tulpenbollen. Kwekers waren naarstig op zoek naar het geheim van de zwarte tulp.

Eén enkele bol van de Vice Roy werd in 1636 geruild tegen twee lasten tarwe, vier lasten haver, vier vette ossen, acht vette varkens, twaalf vette schapen, twee tonnen wijn, vier vaten bier, twee tonnen boter, duizend pond kaas, een heel bed, een pak kleren en een zilveren drinkbeker. In geld uitgedrukt was dat 2.500 florijnen. Dat was niet eens de hoogste prijs ooit betaald voor een bol: de Admiraal Liefken deed 4.400 florijnen. Zelfs voor matige kwaliteit bollen betaalde men grif 2.000 florijnen.

Wie geen geld had, leende om een bol te bemachtigen. Huis en haard werd met hypotheken belegd, schilderijen beleend. Zo ontstond de handel op de pof, de voorloper van de hedendaagse speculatiefondsen die beleggen met geleend geld. In Amsterdam ontwikkelde zich een termijnmarkt voor tulpenbollen, een voorganger van de tegenwoordige futures-markten. Deze termijnhandel was het gevolg van de seizoensgebondenheid van de teelt. De bollen werden in de winter geplant en in de lente gerooid. Ondertussen werden ze schriftelijk verhandeld op papiertjes die 'wissels' werden genoemd. Kostelijke anekdotes uit die tijd doen de ronde. Een koopman gaf zijn dochter als bruidsschat een zeldzame tulpenbol mee. Bij het huwelijksfeest lag de bol, een rood gevlamde Semper Augustus van 3.000 florijnen, uitgestald op een delftsblauwe schaal. Een buitenlandse gast, die niet van de Hollandse tulpengekte wist, dacht dat het om een ui ging die bij de haring moest worden gegeten. Hij at de bol smakelijk op en ruïneerde de vader van de bruid. “Van die bol had ik een schip met bemanning een jaar lang kunnen onderhouden”, jammerde de koopman.

De elite raakte verontrust, de stadsbestuurders wilden de tulpenmanie bezweren. Een magistraat in Haarlem verbrak de betovering en gaf het advies geen tulpen meer te kopen. Vier februari 1637 was 'zwarte woensdag': de tulpenprijzen stortten in. Talloze mensen bleven geruïneerd achter met onverkoopbare bollen, oninbare vorderingen of onaflosbare schulden. De crisis was enorm, vooral onder de kwekers. In de beste traditie van stroperigheid delibereerden de Staten van Holland maandenlang over een manier om de gedupeerden schadeloos te stellen. Tevergeefs, men kwam niet tot overeenstemming over een oplossing die voor alle partijen aanvaardbaar was.

De Republiek heeft nóg een financiële primeur op haar naam staan. Een halve eeuw na de windhandel in tulpenbollen had de eerste beurskrach plaats. In 1688 verwachtte de Verenigde Oostindische Compagnie een belangrijke lading en daarop vooruitlopend werd driftig gespeculeerd op koersstijging van de aandelen VOC. Totdat berichten binnenkwamen dat het grootste deel van de vloot wegens averij bij Kaap de Goede Hoop had moeten terugkeren naar Batavia en er slechts enkele schepen zouden binnenvaren in Amsterdam. De koers van het aandeel VOC klapte in elkaar en de effectenbeurs van Amsterdam beleefde haar eerste krach.

Het is hooguit een ironische luim van de geschiedenis dat de beurscrisis van vorige week eveneens werd ingeleid door slecht nieuws uit Zuidoost-Azië.