Bemande vluchten; De mens is overbodig

Nog even naar Mars en misschien naar Venus. Veel meer toekomst lijkt er niet te zijn voor de bemande ruimtevaart.

ROBOTS OF MENSEN in de ruimte? Veertig jaar na het begin van de ruimtevaart lijkt die keuze steeds meer in het voordeel van de eerste categorie uit te vallen. Het echte pionierswerk in de kosmos wordt ontegenzeggelijk gedaan door robots: het koddige karretje Sojourner op Mars, de Galileo-capsule die een kamikazeduik maakt in de woelige atmosfeer van de verre Jupiter; straks (in 2004) volgt de landing van de Huygens-sonde op de Saturnus-maan Titan en (in 2005?) een automaat die ons grond bezorgt van de 'rode planeet'.

Dat was allemaal niet te voorzien door de profeten van de ruimtevaart. Voor hen was verkenning van de ruimte uitsluitend een avontuur van, voor en door mensen. Mannen als Jules Verne in Frankrijk en Konstantin Tsjolkovski in Rusland voorspelden omstreeks de eeuwwisseling de ontwikkelingen heel aardig: ruimtestations in banen om de aarde, vluchten rondom en landingen op de maan, bases op Mars. Maar het waren allemaal bemande missies. Zelfs toen de befaamde science fiction-auteur Arthur C. Clarke in 1947 bedacht dat de geostationaire baan (op 36.000 kilometer boven de evenaar) geschikt zou zijn voor communicatiesatellieten, meende hij dat het bemande platforms zouden worden. De ontwikkelingen op het gebied van elektronica, computers, automatisering en tele-presence waren zelfs voor hem niet te voorzien.

Tot nu toe werden de ruimterobots meestal gevolgd door mensen. Spoetnik-1 werd de wegbereider van Gagarin en diens erfgenamen in shuttle en Mir. Loena-9 maakte de eerste zachte landing op de maan om te worden gevolgd door Armstrong en Aldrin in de maanlander Eagle.

Straks krijgen we bemande bases op de maan en laten we onze voetstappen achter op de rode vlakten van Mars, in de sporen van Viking en Sojourner. Dat zal allemaal nog wel gebeuren.

Maar dan? Misschien vinden we nog ooit een mogelijkheid even op de snikhete planeet Venus rond te kijken, maar gas- en vloeistofplaneten als Jupiter en Saturnus zijn eenvoudig ongeschikt voor bemande landingen. Hooguit kunnen we even op hun ongastvrije manen rondstappen.

Het lijkt erop dat de mens zichzelf een beetje doodloopt in het zonnestelsel. Reizen tussen de sterren van de Melkweg (à la Starship Enterprise - 'to boldly go where no man has gone before') zullen misschien ooit mogelijk worden, maar de beperkingen van het menselijke leven lijken hier fundamentele barrières op te werpen.

Profeten mogen het allemaal op papier hebben voorzien, maar de drijvende kracht achter de bemande ruimtevaart was de Koude Oorlog: kapitalisme versus communisme.

Toen Joeri Gagarin in 1961 in zijn Vostok de aarde achter zich liet, verkondigde partijleider Nikita Chroesjtsjov dat de onverschrokken piloot was vertrokken van de solide basis van de leer van Marx en Lenin. John F. Kennedy reageerde daarop met het Apollo-project: de communisten moeten koste wat kost worden verslagen op de 'high ground of space'. “Whatever mankind is going to undertake, free man must fully share”, zei hij.

Na de landingen op de maan was de grote opwinding over. Ten tijde van Apollo had de elektronica een enorme vlucht genomen. Steeds meer taken in de ruimte bleken door onbemande systemen te kunnen worden overgenomen: systematische militaire verkenning, wetenschappelijk onderzoek van de planeet aarde, verkenning van de planeten, onderzoek van het heelal. Na Apollo verschenen er bemande ruimtestations in banen om de aarde: de Russische Saljoets, het Amerikaanse Skylab, de Russische Mir. Die bleken vooral van belang om de menselijke grenzen in de ruimte te verkennen, met name de ongunstige invloed van gewichtsloosheid op het menselijke lichaam. Weliswaar onderzoeken astronauten de aarde vanuit de ruimte, maar dat werk kan voor een belangrijk deel ook door onbemande kunstmanen worden gedaan: het ozongat is ontdekt door een Nimbus-weersatelliet en niet door een mens. Kosmonauten maken in een baan om de aarde dankzij de gewichtsloosheid nieuwe legeringen, maar tot productie op enige schaal is het vooralsnog niet gekomen. Vanuit Ruslands Mir werden met een Nederlandse telescoop röntgenbronnen in het heelal onderzocht, maar de waarnemingsmogelijkheden bleken beperkt omdat het bemande systeem op zichzelf veel tijd en aandacht vraagt. Bovendien verstoren joggende ruimtevaarders de richtnauwkeurigheid en de stabiliteit van de telescoop. Een onbemand systeem als de Hubble Space Telescope is oneindig veel effectiever. Voor het onderhoud van de Hubble zijn shuttle-astronauten onontbeerlijk gebleken, maar als we geen astronauten in de ruimte brachten, zouden we met het bespaarde geld gemakkelijk een kreupele Hubble kunnen vervangen.

Als bemand en kwetsbaar systeem is ook de Space Shuttle van beperkte betekenis gebleken. Voordat het toestel ging vliegen, bestond het idee dat het alle onbemande en eenmalig bruikbare raketten overbodig zou maken. De shuttle zou alle voorkomende kunstmanen en ruimteverkenners kunnen lanceren. Maar het systeem is daarvoor te duur en te moeilijk hanteerbaar gebleken. Werd er eind jaren zeventig nog gedacht dat het ruimteveer elke twee weken omhoog zou gaan, anno 1997 zijn er nog niet meer dan acht vluchten per jaar. En het is zelfs al moeilijk genoeg die redelijk op tijd te laten beginnen. Inmiddels zijn er weer gouden tijden aangebroken voor onbemande wegwerpraketten, zoals de Amerikaanse Delta en Titan, de Europese Ariane en de Russische Proton.

De shuttle zal voorlopig nog een belangrijke rol blijven spelen, vooral als 'lijndienst' op ruimtestations, zoals de Russische Mir (misschien nog tot 2000 actief) en het nieuwe internationale ruimtestaion Alpha, dat vanaf eind volgend jaar wordt opgebouwd door Amerikanen, Russen, Europeanen, Canadezen en Japanners. Voor het jaar 2020 zal de opvolger van de shuttle verschijnen, misschien een ruimtevliegtuig dat vanaf elk willekeurig vliegveld kan opereren. Rond 2015 zullen we een bemande basis op de maan hebben en mogelijk rond 2025 zullen we op Mars staan.

Maar hoe het daarna verder gaat met de bemande ruimtevaart is moeilijk te voorspellen. De toekomstige verkenning van de ruimte zal voor een belangrijk deel worden gedaan door onbemande robots die steeds slimmer zullen worden en de aanwezigheid van mensen steeds overbodiger zullen maken.

Maar misschien heeft de mens zelf, zoals de oude profeten dachten, een verheven evolutionaire missie in de ruimte. In dat geval is de kreet 'Daar gaan we dan' van de communist Gagarin rechtstreeks te relateren aan de bijbelse opdracht: 'Gaat heen en vermenigvuldigt u'.