Alleen vrouwen zijn dit jaar genomineerd voor de Turner Prize; Geïntimideerd door de grote commotie

Turner Prize. T/m 18 jan. in Tate Gallery, Milbank, Londen. Metro Pimlico. Dag. 10-18u.

LONDEN, 6 NOV. De Turner Prize - dat is herrie en ruzie, discussie en speculatie. En als die niet spontaan ontstaan, dan zorgen de organisatoren daar zelf wel voor. Chaos en rumoer zijn tenslotte de elementen die van de Turner de meest prestigieuze beeldende-kunstprijs in Groot-Brittannië hebben gemaakt. Dit jaar namen de organisatoren dan ook geen enkel risico en creëerden ze meteen bij aanvang al een controverse: voor het eerst werden er voor de prijs van 20.000 pond (ruim 70.000 gulden) alleen maar vrouwen genomineerd: Christine Borland, Angela Bulloch, Cornelia Parker en Gillian Wearing. Onmiddellijk na de bekendmaking van de nominaties barstte de discussie in de Britse media dan ook los: was deze keuze een reactie op het vorig jaar, toen er alleen maar mannen waren genomineerd? Verwerd de prijs hierdoor niet tot een politiek instrument? Of moest deze keuze juist worden gezien als een reflectie op de meest recente ontwikkelingen in de beeldende kunst?

Op geen van deze vragen kwam een zinnig antwoord, maar ondertussen hadden de organisatoren hun doel bereikt: opnieuw was beeldende kunst in Engeland voorpaginanieuws. En dat dat gevolgen heeft, blijkt wel op de tentoonstelling in de Tate Gallery, waar de vier genomineerden hun nieuwe werk presenteren: het is daar druk en levendig, schoolklassen worden aan- en afgevoerd, en er hangt een sfeer van aandacht en interesse die reikt tot ver buiten het museum. In Nederland is het alleen maar te vergelijken met de sfeer rond de eerste AKO-prijzen. In Engeland betekent zoiets automatisch dat er gewed kan worden en dat gebeurt dus ook bij de Turner Prize. Als we de bookmakers mogen geloven is Gillian Wearing op dit moment favoriet: voor een ingezet pond krijgt de gokker er bij haar twee terug (2/1), bij Cornelia Parker en Christine Borland is dat 9/4. Angela Bulloch wordt weinig kans toegedicht met 9/2.

Dat de prijs zoveel status heeft, komt goed van pas als een editie eens wat minder is, zoals die van dit jaar. Niet dat het werk op de tentoonstelling slecht is, maar er spreekt een zekere vlakheid uit, alsof de vier deelnemers bij voorbaat geïntimideerd zijn geraakt door alle commotie. Ook al valt op dat veel van de werken, in het bijzonder die van Borland en Parker, het moeten hebben van een overvloed aan anekdotiek. De belangrijkste installatie van Christine Borland bestaat, net als haar inzending op de Skulptur Projekte in Münster, bijvoorbeeld uit afgietsels van dodenmaskers die ze vond in het Anatomisch Museum van Münster. Daar zitten merkwaardige exemplaren bij, waaronder een hoofd dat zwaar is gekrompen en een van een Chinees aapmens, maar helaas weet Borland het niveau van de anatamonische collectie nauwelijks te ontstijgen. Het wordt zelfs wat ergerlijk als Borland op een van de tekstbordjes suggereert dat de hoofden vermoedelijk bij nazi-onderzoekingen zijn gebruikt. Hier begint haar werk naar goedkope sensatie te ruiken.

Hetzelfde, maar dan in mindere mate, geldt voor de werken van Cornelia Parker. Zij werd bekend met een tentoonstelling van twee jaar geleden, waarbij ze onder andere de actrice Tilda Swinton een aantal dagen als een Sneeuwwitje in een glazen kist liet liggen en ook een sigaar van Churchill exposeerde. Op dat laatste pad gaat ze nu voort: Parkers presentatie bestaat volledig uit objecten die van zichzelf nauwelijks aandacht zouden trekken. Zo exposeert ze foto's van vezels van Freuds divan, een tekening waarvan de inkt is gemaakt uit verbrande porno-video's en een berg as die bij nadere bestudering verbrande cocaïne blijkt te zijn - gezien de omvang van de berg moet dit nog een hele investering zijn geweest. Parker is beter als ze de verhalen weet te ontstijgen, zoals in de installatie Masse (Colder, Darker and Matter), waarin een groot aantal stukken verkoold hout, verbonden door dunne, zwarte draden als een transparante sculptuur aan het plafond is gehangen. Een mooi, zij het wat pathetisch beeld. Dat de stukken hout afkomstig zijn van een kerk die door de bliksem is getroffen, hoef ik dan niet meer te weten.

Deze serieuze installaties staan in scherp contrast met de speeltuin die Angela Bulloch van haar Tate-zaal maakte. In het midden ligt een reeks buiten-proportionele zitzakken in de vorm van enorme donuts. Daar komt af en toe wat gepruttel uit en ook kunnen we een lamp zien aan- en uitgaan als iemand op een bepaalde plek in de zaal stapt. Bij de kinderen, die enthousiast over de donuts heen stuiteren is Bulloch vermoedelijk favoriet, voor grote mensen doet haar werk wel erg veel denken aan goedkoop effectbejag.

Als één werk op de tentoonstelling hiervan niet beschuldigd kan worden, dan is het de video 60 Minutes Silence van Gillian Wearing. Wie haar zaal binnenkomt, denkt eerst te maken te hebben met een dia: op de muur zijn 26 politiemannen en -vrouwen geprojecteerd, keurig in het gelid in drie rijen. Aanvankelijk lijkt het werk nog het meest op een modern schuttersportret, tot een van de bobby's plotseling aan zijn neus begint te krabben, een ander met zijn voet begint te wippen en een derde verveeld naar zijn schoenpunten tuurt. Dan begrijp je dat de titel letterlijk moet worden genomen en zie je plotsseling 26 mensen die zitten opgesloten in een vreselijke pose - als het uur om is schreeuwt eentje het dan ook uit van vreugde.

Zowel met 60 Minutes Silence als haar andere bijdrage, een video waarin we een moeder haar dochter afwisselend zien mishandelen en liefkozen, heeft Wearing intrigerende werken gemaakt die zowel de anekdotiek als het speeltuingevoel ruimschoots overstijgen. Deze werken zijn zichzelf meer dan genoeg en van mij mag Wearing de Turner Prize dan ook winnen. Zijn ook de bookmakers blij.

    • Hans den Hartog Jager