Toegang tot onderwijs niet optimaal

Minister Ritzen (Onderwijs) was er snel bij met zijn met kritiek op het voorstel van de commissie-Hermans voor een nieuw stelsel van studiefinanciering. Ritzen vindt dat de commissie te weinig oog heeft voor de toegankelijkheid van het onderwijs. Maar ook nu al blijkt die door de Kamer bepleite toegankelijkheid onder druk te staan.

ROTTERDAM, 5 NOV. Minister Ritzen (Onderwijs) stond afgelopen maandag tussen twee vuren. Die middag stuurde hij een brief naar de Tweede Kamer met daarin als belangrijkste boodschap: de toegankelijkheid van het hoger onderwijs is goed. Dit ondanks beperkende maatregelen als de tempobeurs, de prestatiebeurs en het bindend studieadvies dat studenten dwingt een studie te staken.

Op bijna hetzelfde tijdstip plaatste hij kritische kanttekeningen bij een rapport van de commissie-Hermans over een ander stelsel van studiefinanciering: de toegankelijkheid van het hoger onderwijs zou door die voorstellen in gevaar kunnen komen.

De bezorgdheid van Ritzen over de gevolgen van het plan om ouders meer te laten bijdragen aan de studie van hun kinderen, lijkt in het licht van zijn brief aan de Kamer tamelijk overdreven. Immers, de jeugd heeft zich de afgelopen jaren kennelijk niet laten weerhouden van een loopbaan in het hoger onderwijs, ondanks maatregelen als beurskortingen die het studeren aan een hogeschool of universiteit er niet gemakkelijker op maakten.

De bewindsman destilleerde zijn conclusie zelf uit vier rapporten waarin de toegankelijkheid van het onderwijs onder de loep wordt genomen. Zo verwijst hij naar de bevinding in een rapport van de Universiteit van Amsterdam dat in 1991 93 procent van de leerlingen in Mavo, Havo en VWO besloot om na hun eindexamen verder te studeren. Dat is fors hoger dan de 80 procent in 1983.

Ander onderzoek van het Economisch Instituut Tilburg wijst uit dat het percentage VWO- en Havo-leerlingen van 18 jaar en ouder dat doorstudeert tussen 1991 en 1995 niet is gedaald, ondanks bezuinigingen op de studiefinanciering. En de Inspectie Hoger Onderwijs concludeert dat het aantal bindende studieadviezen de afgelopen twee studiejaren is gedaald.

De onderzoeken zijn mede op verzoek van de Tweede Kamer verricht. Bij elk voorstel om te bezuinigen stelde de Tweede Kamer de afgelopen jaren de voorwaarde dat de toegankelijkheid van het hoger onderwijs niet in gevaar mocht komen. Vorig jaar weigerde de Kamer zelfs akkoord te gaan met een verhoging van de prestatie-eis voor studenten. Ritzen moest eerst maar eens aantonen dat de prestatiebeurs en het bindend studieadvies geen schade toebrengen aan de toegankelijkheid van het hoger onderwijs.

In zijn brief aan de Kamer concentreert Ritzen zich vooral op het voor hem goede nieuws, namelijk dat het grootste deel van de studenten zich niet of nauwelijks van de wijs laat brengen. Maar hij lardeert zijn blijmoedige bewoordingen met opmerkingen waar dezelfde zorg uitspreekt die hij tegenover de commissie-Hermans uitte. In de rapporten valt ook te lezen dat het bij de groep studenten waar iets mee loos is, verhoudingsgewijs vaker gaat om kinderen van ouders met een laag opleidingsniveau en lagere inkomens. Voor hen blijkt de toegankelijkheid wel degelijk verminderd is.

Zo zit aan de stijging van het percentage eindexamenkandidaten dat na Mavo, Havo of VWO verder studeert, een verhaal vast. De onderzoekers van het SCO/Kohnstamm Instituut en de Stichting voor Economisch Onderzoek (SEO) van de Universiteit van Amsterdam wijzen er op dat de stijging niet wordt veroorzaakt door ander keuzegedrag van leerlingen. Met andere woorden: wie uit de cijfers afleidt dat kinderen van lager opgeleide ouders vaker dan vroeger voor een vervolgopleiding kiezen, heeft het mis. De toename wordt namelijk grotendeels veroorzaakt door een stijging van het onderwijsniveau van de ouders: in 1991 hebben meer leerlingen ouders met een middelbare of hogere opleiding dan in 1982. De invloed van het opleidingsniveau van ouders op de studiekeuze van hun kinderen neemt weliswaar af, maar bestaat nog wel.

De onderzoekers rekenden ook uit wat de effecten zijn als de beurs van studenten wordt omgezet in een rentedragende lening. Daaruit blijkt dat over de hele linie de belangstelling voor een studie in het hoger onderwijs licht daalt: een geringe prijselasticiteit heet dat in de economie. Maar voor leerlingen uit de lagere inkomensgroepen is die daling veel sterker. De onderzoekers concluderen dan ook dat bij veranderingen in de studiefinanciering speciale aandacht geschonken moet worden aan de lagere inkomensgroepen. In hetzelfde rapport van het SCO/Kohnstamm Instituut en van de Stichting voor Economisch Onderzoek staat ook dat Havo-scholieren in 1991 vergeleken met 1982 vaker kozen voor het MBO dan voor het HBO. Dat effect is sterker naarmate hun ouders lager opgeleid zijn.

Ook het rapport van het IOWO, het instituut voor onderwijskundig onderzoek van de Katholieke Universiteit Nijmegen, biedt de sociaal-democratische bewindsman niet louter geruststellende gegevens. Uit dat onderzoek blijkt dat het aantal studenten dat onvoldoende studiepunten haalt om recht te hebben op een beurs, is gestegen van ruim 16.000 in het studiejaar 1994/1995 tot bijna 35.000 in het studiejaar 1995/1996. In dat laatste jaar ging de norm omhoog van een kwart naar de helft van het jaarlijks te behalen aantal studiepunten. Het zijn vooral persoonlijke omstandigheden en motivatie die bepalen of een student het redt.

Maar uit het Nijmeegse onderzoek blijkt ook dat in het wetenschappelijk onderwijs zwak presterende studenten met rijke ouders vaker doorstuderen dan vergelijkbaar scorende studenten uit minder welgestelde milieus. Financiële sancties in het kader van de studiefinanciering blijken minder invloed te hebben op studenten van draagkrachtige ouders. Op hogescholen doet dit onderscheid zich niet voor, omdat daar het bindend studieadvies breed wordt toegepast. Zwak presterende studenten moeten daardoor sowieso vertrekken. Volgens de onderzoekers van het IOWO stijgt in het HBO het aandeel van de MBO-gediplomeerden in die groep. “In dat opzicht zou de conclusie dat door de studievoortgangscontrole de toegankelijkheid in het geding is gekomen, enigszins te rechtvaardigen zijn”, schrijven ze.

Ritzen zal bij de behandeling van zijn begroting in de Tweede Kamer volgende week veel overredingskracht van stal moeten halen bij het punt van de toegankelijkheid, want het is de vraag of de fracties louter genoegen zullen nemen met de opmerking van de bewindsman “dat blijvende waakzaamheid geboden is”.

Ritzen zal bij de begrotingsbehandeling de Tweede Kamer gerust moeten stellen