Ronald Brautigam eert Mendelssohn

Concert: Ronald Brautigam (piano). Gehoord: 4/11 Concertgebouw Amsterdam.

Precies 150 jaar nadat Felix Mendelssohn Bartholdy op 38-jarige leeftijd in Leipzig overleed, bracht de pianist Ronald Brautigam hem gisteravond in het Amsterdamse Concertgebouw een eerbetoon met een recital dat helemaal aan deze Duitse componist was gewijd. Zo'n avond met pianomuziek van Mendelssohn bleek een hachelijk avontuur, dat goed afliep dankzij de ontwapenende muzikaliteit en suggestieve spel van Brautigam.

Over Mendelssohns pianistische kwaliteiten oordeelden zijn tijdgenoten opmerkelijk eensgezind. 'Zijn toucher was uiterst delicaat en zijn vingers zongen terwijl ze over de toetsen gleden', verklaarde de Engelse pianist Salaman. John Edmund Cox was onder de indruk van de wijze waarop Mendelssohns lichtvoetigheid kon verkeren in 'een macht en een elan die het publiek naar adem deed snakken.' Hans von Bülow noemde hem 'een advocaat van de strenge maatindeling', en roemde zijn even spaarzame als geraffineerde pedaalgebruik. Schumann zei: 'Ik denk vaak dat Mozart op deze manier gespeeld moet hebben.'

Anderhalve eeuw later zou dit alles ook van toepassing kunnen zijn op het sensitieve spel van Brautigam, die net als Mendelssohn een voorkeur heeft voor oude meesters en muzikale soberheid. Met de fantasie, de souplesse en de dóórzingende fraseringen van een geestverwant, slaagde Brautigam erin ook de stoplappen in Mendelssohns pianomuziek vitaal te laten klinken, die momenten van virtuoos passagewerk of nietszeggend cantabile, waaraan bij een minder spirituele uitvoering geen einde lijkt te komen.

Een jeugdwerk als de Sonate in E, op. 6 uit 1826 is aardig omdat het vol vondsten zit, zoals het Recitativo in de geest van Beethovens late strijkkwartetten, dat uitloopt op een majestueuze barokfantasie in de vorm van een vijfstemmige fuga. Maar de aan Weber verwante stijl van de Finale is verbazingwekkend hol en de overkoepelende vorm van deze sonate is allesbehalve evenwichtig. Ook de destijds zeer populaire Lieder ohne Worte, waarmee Mendelssohn zich afzette tegen het effectbejag van zijn tijd, ontstijgen ternauwernood zoetgevooisde nietszeggendheid.

Wel overtuigend klonken Mendelssohns Prelude en fuga in D, op 35 nr. 2, de drie Charakterische Stücke uit op. 7, en het Rondo capriccioso in E. Het zwaartepunt waren de Variations sérieuses in d, op. 54, het meest indringende pianowerk dat Mendelssohn heeft gecomponeerd.