Paarse manieren

DE MINISTERIES VAN Justitie en Buitenlandse Zaken hebben in de kwestie over de Iraanse asielzoekers ernstig geblunderd. Essentiële informatie die letterlijk van levensbelang was voor de mensen die het bewind uit Teheran waren ontvlucht, is niet doorgegeven aan de Tweede Kamer. De Kamer verkeerde in de veronderstelling dat Iraanse asielzoekers die uit Nederland verwijderd werden bij terugkeer in hun land door de Nederlandse ambassade in de gaten zouden worden gehouden. Deze zogeheten 'monitoring' werd beschouwd als een extra veiligheidsgarantie.

Vorige maand bleek echter dat de speciale ambassade-activiteit al sinds december 1996 op last van de Iraanse autoriteiten was opgeschort. Toen de Tweede Kamer in juni van dit jaar met de betrokken bewindslieden sprak over de terugkeermogelijkheden van Iraanse asielzoekers deed men dat dus op basis van onjuiste informatie. Overigens, en dat is niet onbelangrijk, was ook staatssecretaris Schmitz (Justitie) niet op de hoogte van het stopzetten van de monitoring. Vandaar ook dat zij akkoord ging met de wens van de Kamer dit instrument uit te breiden. De fout van de onjuiste informatieverstrekking is in eerste instantie op ambtelijk niveau gemaakt.

DIT GEGEVEN HOORT vanzelfsprekend mee te wegen bij de politieke oordeelsvorming over deze pijnlijke zaak. Er is geen sprake geweest van een bewuste misleiding van de Kamer. Maar dat rechtvaardigt nog niet de coulance die de regeringsfracties gisteravond in de Tweede Kamer tijdens het spoeddebat over de 'monitoring-affaire' ten toon spreidden.

Het staatsrechtelijke systeem in Nederland is gebaseerd op de grondregel dat de regering het parlement volledig dient te informeren. Hieraan kan niet worden getornd. Zoals de huidige minister van Buitenlandse Zaken Van Mierlo in 1986 schreef in een bundel opstellen over parlement en democratisch bestuur: “Een parlement kan niet marchanderen met die regel omdat het systeem dan wordt ondergraven.”

De bewindslieden van Buitenlandse Zaken en Justitie hebben de gemaakte fouten ruiterlijk erkend en daarvoor hun excuses aangeboden. Daarmee traden zij in het voetspoor van minister Wijers (Economische Zaken) die eerder dit jaar het Nederlandse volk al zijn excuses aanbood voor de gemaakte fouten in de Securitel-kwestie. Heel nobel allemaal, maar terecht heeft de oppositie gesteld dat dit soort cruciale fouten niet zomaar met een nederige buiging kunnen worden afgedaan.

ER BESTAAT OOK nog zoiets als ministeriële verantwoordelijkheid. Die houdt in dat bewindslieden over de volle linie verantwoordelijk zijn voor het doen en laten van hun ambtenaren. Wat dit in de praktijk kan betekenen blijkt vaak in het buitenland, maar slechts zelden in Nederland. De uiterste consequentie van een falend ambtelijk apparaat is een vertrekkende minister of staatssecretaris. Maar in de gegroeide Nederlandse politieke cultuur wordt deze daad van verantwoordelijkheid nemen altijd weer verward met een politieke afstraffing. Het gevolg is dat er nooit meer iemand opstapt.

De coalitiepartijen dreigen het uitspreken van excuses te verwarren met het nemen van verantwoordelijkheid. Maar in werkelijkheid wordt hierdoor een cultuur van vrijblijvendheid bevorderd. Fouten worden meestal niet bewust gemaakt; dat betekent echter nog niet dat al die onbewuste fouten onbestraft blijven. Het gaat, om Van Mierlo in een vorig leven nog eens te citeren, om de manieren in het bestuur. Daar heeft het ook in de asielzoekerskwestie weer aan ontbroken.