Odo-ro-no

De mens is een beest. Niet alleen omdat hij gulzig en bang is en voortdurend aan van dattum denkt, maar ook omdat hij ruikt, en meestal vies. Bovendien vindt hij dat van zichzelf, ja zelfs van menig ander, juist lekker.

Mijn bejaarde vriendin N., die ik wel eens uithoor over vroeger, vertelde laatst dat zij nog goed weet hoe haar tante Amélie rook. Zij hield veel van tante Amélie, en als zij als kind bij haar op schoot kroop, rook zij haar zweetlucht, loud and clear. Maar dat was niet erg, want tante was zo lief, dat hoorde gewoon bij haar. Een paar weken na ons gesprek stond ik in de winkel achter een oude mevrouw en ja, daar was diezelfde geur. Ik herkende hem omdat hij mij niet alleen aan het verhaal van N. deed denken, maar ook aan mijn eigen grootmoeder. Ineens wist ik weer: Oma rook ook zo!

Nu wil ik niet zeggen dat ik meteen hield van die mevrouw in de winkel, maar een gevoel van dierbare herkenning was het wel. Wat ten overvloede bewees dat vies, als het lief is, ineens lekker kan zijn.

Veel inspanningen van de cosmetica-industrie zijn natuurlijk gericht op de omkering van dat effect. Als lief vies lekker is, moet lekker vies wel lief zijn. Grootmoeders moeten niet meer naar zweet ruiken, maar naar lavendel. En van dat geurtje, inclusief Oma, moeten de kleinkinderen dan gaan houden. Jonge meisjes smeren zich in met zoete, zware luchten (de laatste jaren vaak het weerzinwekkende Poison van Dior) in de hoop de jonge mannen te behagen. Die verdoezelen hunnerzijds hun nestgeur met een middel dat de hilarische naam Gammon draagt (ze weten niet dat dat ham betekent, en tevens verlakkerij) om het tere geslacht te lokken. Vooral middelbare dames kiezen soms rare - ingewijden zeggen complexe - geuren om zich via de neus geliefd te maken.

Wat al deze inspanningen gemeen hebben is het streven om de echte lichaamslucht uit te bannen. Aan het desodoriseren wordt sinds het begin van deze eeuw met man en macht gewerkt. Aanvankelijk viel het helemaal niet mee: toen het Amerikaanse blad Ladies' Home Journal in 1919 de eerste, woordrijke advertentie voor de deodorant Odo-ro-no plaatste, raakten ze honderden abonnees kwijt. Maar een paar jaar later zongen Amsterdamse straatjongens al vrolijk: B.O. is de reden dat je scharrel je verlaat. B.O. was body odour, een begrip uit de advertenties voor Rexona-zeep. Die advertenties, met hun Hitchcock-achtig beklemmende sfeer, zijn in de eerste Libelles al te vinden. Net als die voor Odo-ro-no: 'Vroeger meed hij haar angstvallig...'

Het succes van die bangmakerij is evident. In 1997 kun je de volste Nederlandse tram betreden zonder iemands B.O. waar te nemen. Iedereen is gedesodoriseerd, en een baaierd aan kunstluchten vliegt je neus in. Je weet niet wat erger is.

Of eigenlijk weet je dat wel. Want met het uitbannen van B.O. en de opmars van de kunstlucht zijn wij beroofd van de mogelijkheid om de eigen geur te ruiken van iedereen behalve de allerintiemste van onze geliefden.

Ja, de personen die wij veelvuldig zoenen en tegen wie wij aan slapen - hun geur kennen en waarderen we. Maar hoe ruiken de schatten tegen wie we niet aan mogen slapen? Die wij wel meer zouden willen zoenen, als de beschaving het niet verbood? Elkaar ruiken zou een toegestane vorm van communicatie moeten zijn, maar we ruiken juist niets, al zitten we vlak bij elkaar aan tafel. Een levensgroot gemis.

Hier werpt de lezer tegen dat iedereen weer andere lieven heeft van wie hij de geur graag wil opsnuiven, terwijl er ontelbaren zijn van wie men dat juist niet wil. Dat is inderdaad een probleem, vooral nu het overal zo druk wordt. Het verbieden, niet van deodorants maar van parfums en aanverwante stinkspullen zou een eerste stap kunnen zijn.

Intussen ben ik zelf al een stuk dichter bij de oplossing, want al noem ik ze niet bij naam, veel van mijn lieven zullen deze woorden toch wel lezen. Kunstlucht gebruiken jullie geen van allen, maar lieve schatten, overdrijf het wassen toch niet. Het beest in ons komt al zo veel tekort.

    • Ileen Montijn