Medisch zinloos handelen is geen verkeerd begrip

In zijn artikel 'Arts heeft niet het laatste woord' (NRC Handelsblad, 15 oktober) wijdt de ethicus Govert den Hartogh een aantal bespiegelingen aan de taak van de arts rond de behandeling van patiënten wier levenseinde nadert: wel of niet behandelen, behandeling wel of niet staken, wel of niet de dosis morfine verhogen om het einde te bespoedigen.

Den Hartogh vraagt zich af of in deze gang van zaken iets is, “dat in de verte herinnert aan dokter Mengele voor de poort van Auschwitz”. Ik vind een dergelijke vergelijking, hoe voorzichtig ook gesteld, zeer denigrerend ten aanzien van van de medische beroepsgroep en een hoogleraar in de ethiek onwaardig.

Wat mij ergert in het betoog van Den Hartogh is het feit, dat hij de functie van de arts reduceert tot die van een monteur. Deze, nogal bigotte en eveneens denigrerende benaming zou alleen van toepassing kunnen zijn op die specialisten, die een vrijwel uitsluitend operatieve functie hebben. Het geldt zeker niet voor de huisarts en de niet opererende specialisten. In mijn praktijk als gynaecoloog was ik voor niet meer dan 25 procent 'monterend', dus operatief bezig. Een niet onbelangrijk deel van mijn tijd werd in beslag genomen door het geven van adviezen ondermeer op het gebied van de seksualiteit.

Verder stelt den Hartogh, dat als het medisch oog een defect waarneemt, maar de betrokkene daar absoluut geen last van heeft, er nog steeds geen rechtvaardiging voor medisch ingrijpen is.

Dat deze stelling volstrekt onhoudbaar is, zal ik met een enkel voorbeeld aantonen: een patiënt, die bijziend is, bezoekt zijn oogarts voor een controle-onderzoek. Klachten, anders dan die van zijn bijziendheid heeft de patiënt niet. De oogarts ontdekt echter in het netvlies van een van de ogen een kwaadaardige tumor, waarvan de patiënt nogmaals geen enkele klacht heeft. Zou de oogarts dan niet alleen gerechtigd zijn, maar zelfs de plicht hebben de betrokkene van de absolute noodzaak tot een ingreep, in dit geval verwijdering van het oog, te overtuigen?

Volgens Den Hartogh valt nooit op louter medische gronden uit te maken of de patiënt iets met het medisch handelen opschiet en dat we daarom het begrip 'medisch zinloos handelen' maar beter kunnen vergeten. Welke de andere gronden zijn, vermeldt hij niet.

Het is niet aan de leek om uit te maken of handhaven van het begrip 'medisch zinloos handelen' zinloos is. Het is de arts, die verantwoordelijk is voor zijn medisch handelen en zich bij voortduring dient af te vragen of een voorgenomen behandeling wel zinvol is. De noodzaak van deze bezinning geldt voor al het medisch handelen. Het begrip 'zinloos medisch handelen' is zinvol en dient te worden gehandhaafd.

    • Gerard Kruyver