Ik heb geen spijt van inzet voor Weinreb

Hoe kon Aad Nuis een oplichter verdedigen? Vorige week promoveerde R. Grüter op een reconstructie van de zaak Weinreb. Een van de hoofdrolspelers in haar geruchtmakende proefschrift is de huidige staatssecretaris Aad Nuis. In het dagblad Trouw reageerde hij vanmorgen op de aantijgingen. Hieronder de integrale tekst.

Soms zit er niets anders op dan met de twijfel te leven

Het proefschrift van Regina Grüter over Weinreb en de besprekingen daarvan hebben een nieuwe generatie lezers voor oude vragen gesteld. Zoals: hoe is het mogelijk dat mensen zoals ik een blijkbaar zo opgelegde bedrieger zo lang en zo hardnekkig hebben verdedigd? Ook voor mevrouw Grüter blijft dat, zeker in mijn geval, raadselachtig. “In hoeverre de ijdelheid of ambitie van een literatuurcriticus met politieke aspiraties meespeelde [...] is een vraag die hij alleen zelf kan beantwoorden”, schrijft ze.

Ik wil daartoe graag een poging doen. Maar voor ik inga op de motivering voor mijn handelen eerst iets over mijn handelen zelf; dat lijkt me de juiste volgorde. Mijn bemoeienis met Weinreb bestaat in hoofdzaak uit twee geschriften: de nabespreking bij zijn memoires (1969) en de reactie op het Weinreb-rapport, Een monster in de huiskamer (1979). Verder uit een aantal artikelen ter verdediging of verklaring van die twee vertogen.

Het eerste stuk was voortgekomen uit een behoefte aan verificatie. De memoires die Weinreb op verzoek van Renate Rubinstein aan het schrijven was, bevatten een zo fantastisch verhaal dat een bevestiging ervan uit andere bron bepaald geen overbodige luxe leek. Ik ging naar het RIOD om het daar aanwezige archief over de naoorlogse berechting van Weinreb in '47/'48 te bestuderen. Daaruit bleek dat het fantastische spel niet na de oorlog was verzonnen, maar werkelijk in de oorlog was gespeeld. Bovendien bleek dat het proces tegen Weinreb ernstige gebreken had vertoond. Dat laatste was ook al twintig jaar eerder door menigeen beweerd, maar ik zette de argumenten nog eens op een rij in een fel betoog, dat samen met de memoires zelf de stoot gaf tot een officieel onderzoek naar de gang van zaken bij het proces.

Dit onderzoek duurde zeven jaar. De conclusie was dat het proces inderdaad niet had gedeugd. De onderzoekers maakten dat onmiskenbaar duidelijk. Daarin kreeg ik dus gelijk. Maar deze conclusies haalden de samenvatting achterin het rapport niet. De onderzoekers hadden namelijk meer gedaan: door eigen aanvullend speurwerk waren ze veel meer te weten gekomen over Weinrebs handelen dan de rechter toen, of ik later, kon weten. Op grond daarvan kwamen ze tot voor Weinreb vernietigende conclusies in hun samenvatting: hij had zijn spel met slechte bedoelingen gespeeld, had mensen verraden en daardoor de dood in gejaagd, en hij had er dus in zijn memoires op los gelogen.

Het was een dik (1700 bladzijden) en onoverzichtelijk rapport; veel mensen werden door het gewicht ervan meteen overtuigd van de juistheid van de samenvatting; andere reacties spraken twijfel uit over de objectiviteit van de bewijsvoering. Zelf nam ik - als een van de weinigen - de tijd om het rapport zo goed mogelijk te analyseren. Het resultaat van die analyse is te vinden in Het monster in de huiskamer. Het is tweeledig.

In de eerste plaats stelde ik vast dat de onderzoekers, Van der Leeuw en Giltay Veth, zeer partijdig te werk waren gegaan. In de ingewikkelde relaties tussen mensen die zij probeerden te ontwaren, werd stelselmatig het slechtste gedacht van Weinreb en het beste van zijn tegenspelers, ook als die duidelijk onbetrouwbaar waren gebleken in andere zaken. Met name het bewijs van verraad acht ik in geen enkel geval werkelijk overtuigend bewezen. Het rapport overspeelt in dat opzicht zijn hand.

Maar dat iemands schuld niet bewezen kan worden, bewijst niet dat hij onschuldig is, en al helemaal niet dat hij gelijk heeft, of een held is, of een aangenaam mens. In dat opzicht was het rapport, ondanks zijn partijdigheid, wel degelijk overtuigend. Voor mij was Weinreb daarna niet meer de stralende held die hij tien jaar eerder even geleken had, en ik schreef dat ook duidelijk op: “In het rapport is veel belastend materiaal aangedragen dat niet zomaar kan worden weggewuifd. [...] Ook na de oorlog is hij een fantast gebleken, niet alleen in het verhaal over de totstandkoming van de lijst, maar in tal van andere meer of minder belangrijke onderdelen is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat zijn versie niet klopt, en soms ook dat hij dat geweten moet hebben.” En: “Meer twijfel kan er zijn over andere belangrijke vragen. Bij het beantwoorden van die vragen speelt behalve het ontoereikende feitenmateriaal de indruk een rol die men heeft van Weinrebs karakter. In de memoires toont hij zich iemand die haast letterlijk de wijsheid in pacht denkt te hebben. Zijn waardering voor mensen slaat makkelijk om in minachting en kwaadheid als hij wordt bedwarsboomd.”

Dit schreef ik bijna twintig jaar geleden - ik citeer het maar even, ten bate van mensen die denken dat ik nooit een kwaad woord over Weinreb heb willen horen.

Mevrouw Grüter vindt deze dubbele conclusie inconsistent en onlogisch; dat begrip ik nu weer niet. Als je iemand een onbetrouwbaar sujet vindt, dan ontslaat je dat toch niet van de regels van de bewijsvoering als je hem van een concrete misdaad beschuldigt? Dat Weinreb een naar karakter had en door zijn zelfingenomen fantasie tot veel kwaad in staat was, is inmiddels wel aangetoond - het boek van Grüter levert nog weer een nieuwe bijdrage aan dat beeld. Daarmee is echter niet bewezen dat hij willens en wetens bepaalde mensen de dood heeft ingejaagd, of dat hij uitsluitend door lage motieven werd bewogen bij zijn lijstenspel. De stellige pretentie van dat bewijs maakt het Rapport niet waar. Grüter, die blijkens haar nawoord sterk op Van der Leeuw heeft gesteund en zijn Rapport niet kritisch analyseert maar als haar 'bronnenboek' gebruikt, doet geen eigen poging mijn gedetailleerde betoog daaromtrent te weerleggen. Ik hou dat betoog ook nu nog staande. Soms zit er niets anders op dan te leven met de twijfel.

Nu de motieven. Uit het boek van mevrouw Grüter en de commentaren daarop rijst een beeld op van 'linkse intellectuelen' in de jaren zestig, die in een ideologisch bepaalde stormloop op de gevestigde orde Weinreb omarmden als bewijs van eigen gelijk. Dat psychologiserende beeld behoeft enige correctie. In de eerste plaats is het begrip 'linkse intellectueel' een nogal heterogene vergaarbak. Ik was bijvoorbeeld geen socialist of pacifist. Ik had een diepe afkeer van het totalitaire communistische systeem, inclusief de Cubaanse variant, en was geen vijand van de NAVO. Wel had ik in mijn studententijd oog gekregen voor de verstarring in de politiek en de samenleving, die na de wederopbouw over Nederland was neergedaald. Ik was niet tegen de macht of het systeem, maar tegen de versufte, ondemocratische manier waarop ermee werd omgegaan.

Want - en dat is mijn tweede bezwaar tegen de psychologiserende benadering - er was niet zozeer iets mis in ons hoofd, maar wel degelijk in de samenleving van de jaren vijftig. We streden niet tegen windmolens, maar tegen reële stofnesten die, althans in die vorm, zo radicaal zijn opgeruimd dat het voor een latere generatie misschien lijkt of we ons druk maakten om niets. Zo hield ik me in die jaren in geschrifte onder andere bezig met de Nieuw-Guinea-affaire, die de apartheid in Zuid-Afrika (waar toen nog weinigen tegen ageerden) en de Amsterdamse troebelen van 1966. Mijn ideeën pasten goed bij D66, een partij waar ik na dertig jaar nog steeds met overtuiging lid van ben.

Niet zo inconsistent dus als blijkbaar Gerard Mulder in NRC Handelsblad meent: “Blijkens het feit dat de ooit zo anti-autoritaire Nuis nu al weer bijna vier jaar als staatssecretaris tegen de macht aanschurkt, zullen we het er maar op houden dat hij een man van (modieuze) uitersten is met een goede antenne voor de tijdgeest”. Ik hou het erop dat ik niet zozeer veranderd ben met het klimmen der jaren, maar eerder de tijden (en de kabinetten).

Weinrebs memoires pasten zeker in die tijd. Het is nu moeilijk meer voor te stellen, maar het heersende beeld over de oorlog was nog steeds dat van zelfgenoegzaamheid over de rol van de overgrote meerderheid van 'goede Nederlanders'. Tegenwoordig is het haast een gemeenplaats dat de meeste Nederlanders helemaal niet zo flink waren, in de jaren zestig betekende dat boek voor velen een doorbraak in het denken. Tegenwoordig zijn er voor dat inzicht vele andere, minder 'besmette' bronnen, om de term van mevrouw Grüter te gebruiken. Toen veel minder.

Er is enige historische verbeeldingskracht voor nodig om zich die achterhaalde situatie voor te stellen. Ongetwijfeld heeft die omstandigheid meegeholpen, ook bij mij, om in Weinreb aanvankelijk de morele held te zien die hij niet was. Maar ook in die eerste periode was het niet persoonlijke sympathie of begrip voor, laat staan instemming met zijn denkwereld die mij dreef. Het ging in wezen om iets anders, iets dat niet afhankelijk was van een bepaalde periode, een opvatting of een tijdgeest.

Ik was door een toeval eigenlijk getuige geworden van een geval waarin iemand uiterst unfair leek te worden behandeld door de mensen die macht over hem hadden. Ik reageerde door het voor die man op te nemen en een eerlijke behandeling te eisen. Tien jaar later deed ik hetzelfde, ook al was de man er inmiddels uitgesproken antipathiek gaan uitzien.

Ik heb er geen spijt van. Ik hoop dat er altijd mensen zullen zijn die in zo'n geval net zo gek zijn. Ook al weten ze dat je de kans loopt dertig jaar later alles nog eens te moeten uitleggen aan een publiek dat zich verbaasd afvraagt welke oude koe je nu toch uit de sloot hebt gedregd.