Genesis 49; Jakob & Zonen

Een paar keer heb ik het een of andere bijbelse personage een tussenfiguur genoemd. Jozef was wat dat aangaat alleen maar de laatste. Hij vormt het scharnier tussen Genesis en Exodus. Hij is het eindpunt van de aartsvaders in rechte lijn. Je zou natuurlijk ook kunnen zeggen dat de hoofdpersonen in het verhaal van de bijbel stuk voor stuk tussenfiguren zijn. Allen zijn immers louter tijdelijke hoofdpersonen. Ze moeten, als de lopers in een estafette, het stokje alleen maar doorgeven.

Vlak voor het einde van Genesis keert het 'perspectief' nog een keer terug naar de aartsvader Jakob. In een prachtige passage, met in Genesis nog niet eerder gebruikte literaire middelen, klinken uit zijn mond de paukenslagen waarmee dit bijbelboek besloten wordt.

De aartsvader, alles behalve in het beloofde land maar wel herenigd met zijn doodgewaande zoon Jozef, voelt zijn dood naderen. De honderdzevenenveertigjarige roept zijn zoons bijeen, de hele stoet: de twee ten slotte uiterst moeizaam bij Rachel verwekte lievelingszoons Jozef en Benjamin, de twee jongsten; de zes bij haar zuster, de alleszins vruchtbare maar niet geliefde Lea; de vier overigen, die het levenslicht hebben gezien dankzij de hulptroepen van de zusters, de tijdens de voortplantingswedstrijd gemobiliseerde slavinnen Bilha en Zilpa.

Daar staat dan heel dat uit zusterstrijd voortgekomen twaalftal, die plattegrond van familiale allianties en nauw bedwongen animositeit, rond de patriarch, om diens laatste boodschap in ontvangst te nemen. Voor de laatste woorden van een oude stervende man tot zijn zonen is de taal die Jakob gebruikt uitermate krachtig. Krachtiger kan het niet, en ook niet plastischer. Het is een taal die poëzie is en die grote gelijkenis vertoont met de taal verderop - in de bijbel - die aan de profeten in de mond gelegd zal worden.

Jakobs rol is hier nog eenmaal die van een visionair. Of liever, hij voorspelt de toekomst: de zeer verre toekomst, die heel wat verder in het verschiet ligt dan de inmiddels uitgekomen dromen van Jozef. Bij dat alles verzuimt Jakob niet om oude rekeningen te vereffenen. 'Ruben, mijn eerstgeborene zijt gij, mijn sterkte en de eersteling mijner kracht, de voornaamste in hoogheid, de voornaamste in vermogen. Gij, die opbruist als water, gij zult de voornaamste niet zijn, omdat gij uws vaders bed beklommen hebt'. Ruben heeft het namelijk gedaan met Jakobs bijvrouw Zilpa; die kan dus naar zijn eerstgeboorterecht fluiten.

Tot Simeon en Levi, de daarop volgende broers, richt Jakob zich niet eens rechtstreeks - in hun bijzijn spreekt hij over hen. 'Hun gereedschappen zijn werktuigen van geweld. Mijn ziel hebbe geen deel aan hun beraadslaging, mijn geest sluite zich niet aan bij hun vergadering, want in hun toorn hebben zij mannen gedood en in hun moedwil hebben zij runderen de pezen doorgesneden. Vervloekt zij hun toorn, want die is hevig, en hun grimmigheid, want die is hard.' Simeon en Levi waren degenen die de verkrachting van hun zuster Dina met zulk buitensporig en verraderlijk geweld hebben gewroken.

Pas de derde ondervindt waardering. 'Juda, u zullen uw broeders loven, uw hand zal zijn op den nek uwer vijanden, voor u zullen uws vaders zonen zich neerbuigen. Een leeuwenwelp is Juda; na den roof zijt gij omhoog geklommen, mijn zoon; hij kromt zich, legt zich neder als een leeuw of als een leeuwin; wie durft hem opjagen? De schepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn. Hij zal zijn ezel aan den wijnstok binden en het jong zijner ezelin aan den wingerd; hij zal zijn kleed in wijn wassen en in druivenbloed zijn gewaad. Hij zal donkerder van ogen zijn dan wijn en witter van tanden dan melk.'

Zo profeteert Jakob. Schitterende beelden vindt hij, voor ongeveer de helft van zijn zonen. Issaschar is 'een bonkige ezel, die tussen de stallingen ligt; als hij ziet dat de rust goed is, en dat het land liefelijk is, buigt hij zijn schouder om te torsen en leent zich tot slaafse herendienst'. Dan is 'een slang op den weg', Naftali 'een losgelaten hinde', Jozef 'een jonge vruchtboom aan een bron', Benjamin 'een verscheurende wolf'. Wie de volledige tekst leest, een beetje te groot om hier te citeren, zal het niet ontgaan dat Jakob hier ver over de begrenzingen van Genesis heen kijkt. Op andermaal grote afstand van het beloofde land is Israel - met welke nieuwe, hem al enige tijd geleden door God gegeven, naam Jakob zich op dit beslissende moment ook zelf aanduidt - hier bezig met het uitstippelen van niets minder dan de latere provinciegrenzen, om zo te zeggen. In zijn geestvervoerde toespraak tot de eponieme voorvaders van de twaalf stammen tekent hij reeds de kaart van het twaalfstammenrijk, en zelfs misschien al enigszins die van de periode daar nog weer achteraan: die van het noordelijke en zuidelijke rijk. Hij heeft al weet van de latere krachtsverhoudingen. Geschiedschrijving, aetiologische mythe, ideologie - die drie zijn hier met geen mogelijkheid uit elkaar te houden; maar poëzie is het hoe dan ook.

    • Nicolaas Matsier